Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/3.5.2.2
3.5.2.2 Vorderingen vanwege werkzaamheden
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396128:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1240.
Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 491 en Reehuis 2013, nr. 29.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388 en Van den Heuvel 2004, p. 194-195.
Zo ook Reehuis 2013, nr. 29 in fine.
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1240. Vgl. ook Reehuis 2013, nr. 29, volgens wie de ‘uitbreiding tot vorderingen in het kader van de levering verrichte of nog te verrichten werkzaamheden alleen te billijken [is] indien de werkzaamheden te maken hebben met zijn positie van leverancier van zaken.’
Ook de uitbreiding tot vorderingen met betrekking tot verrichte of te verrichten werkzaamheden wordt niet uitvoerig onderbouwd. Als voorbeeld wordt in de toelichting een aannemingsovereenkomst genoemd ‘waarbij de aannemer zich zowel verplicht tot het leveren van de nodige materialen en andere zaken als tot het tot stand brengen van het werk.’1 Een zodanige verbreding laat zich slechts rechtvaardigen met betrekking tot vorderingen die een zekere samenhang vertonen met de aanschaf van de zaak. Te denken valt aan de verkoop van een zaak, waarbij de verkoper ook de installatie of montage verzorgt.2
Naarmate de vorderingen in een minder nauw verband staan tot de aanschaf van de zaak, laat zich een dergelijke verbreding niet goed rechtvaardigen. Daarmee zou de verkoper zich een voorrangspositie verschaffen, die voor overige schuldeisers is uitgesloten en die bovendien ook ten koste gaat van de overige schuldeisers, doordat de eigendomsverkrijging van de koper nog niet intreedt. Er bestaan geen goede argumenten die rechtvaardigen dat de verkoper die toevalligerwijs ook bepaalde werkzaamheden verricht ten behoeve van de koper zich de eigendom zou kunnen voorbehouden, terwijl een andere dienstenverrichter die mogelijkheid niet heeft.3 Terecht wordt in de literatuur dan ook als eis gesteld dat de vorderingen betreffende werkzaamheden een zekere functionele samenhang moeten vertonen met de verkoop van de zaak.4 Ook in de Duitse literatuur en rechtspraak wordt een zodanige beperking wel gesteld.5 De ratio van de verbreding van het eigendomsvoorbehoud pleit bovendien voor een beperking tot vorderingen met een zekere temporele samenhang met de levering.6 Alleen dan wordt zoveel mogelijk gewaarborgd dat het eigendomsvoorbehoud beperkt blijft tot vorderingen die samenhangen met de positie van de verkoper als leverancier en wordt voorkomen dat het eigendomsvoorbehoud ‘kan worden bedongen voor vorderingen van geheel andere aard’, hetgeen de wetgever heeft willen voorkomen.7