Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.1.2
1.1.2 Twee trends
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268555:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Alan Greenspan,”Capitalizing reputation,” opmerkingen uitgesproken tijdens de Financial Markets Conference van de Federal Reserve Bank of Atlanta, Sea Island, Georgia, 16 april, 2004, https://www.federalreserve.gov/boarddocs/speeches/2004/20040416/default.htm.
A. de Moor-van Vugt, Buiten twijfel. De bestuurderstoets in de financiële regelgeving (oratie Amsterdam UvA), Amsterdam: Vossiuspers UvA 2010, p. 10.
Overweging 29 van Richtlijn Solvabliteit II van 25 november 2009. De richtlijn is van toepassing op (her-)verzekeraars en entiteiten voor risico-acceptatie.
Overweging 52 van de IORP II-Richtlijn van 14 december 2016.
Zie DNB, “FOCUS! de vernieuwde toezichtaanpak van DNB. Expliciete keuzes voor effectiever toezicht,” 2012, p. 5 en 9.
Zie voor een overzicht Hoofdstuk 2, par. 2.4.1.
Zie Hoofdstuk 2, par. 2.3.3 voor een uitgebreide toelichting op de rol van de ECB bij het uitvoeren van personentoetsingen. Hoofdstuk 7 bevat een vergelijking tussen “ECB-toetsingen” en “nationale” toetsingen, bezien in het licht van de bestaande rechtswaarborgen en rechtsbeschermingsmogelijkheden.
De totstandkoming (en verdere vormgeving) van dit raamwerk wordt mijns inziens gedreven door twee parallelle ontwikkelingen in de financiële sector: aan de ene kant een toenemend besef van het belang van “goed bestuur” van financiële instellingen en aan de andere kant een toenemende invloed van Europa op het financieel toezichtrecht.
Goed bestuur
Met “goed bestuur” doel ik op de kwaliteit van bestuurders, commissarissen en andere sleutelfiguren in een financiële instelling. De mondiale financiële crisis van 2007/2008 heeft de aandacht voor kwalitatieve (“zachte”) aspecten zoals governance, cultuur en gedrag in de financiële sector een forse impuls gegeven. Goed bestuur, als onderdeel van een adequate governance, wordt daarbij beschouwd als een waarborg voor adequaat risicobeheer en een integere bedrijfscultuur en als mede bepalend voor het vertrouwen van het publiek in de financiële sector en de stabiliteit van het systeem.
Het stellen van regels is daarbij op zichzelf niet voldoende. Alan Greenspan, voormalig voorzitter van de Amerikaanse Federal Reserve System, deed al in 2004 zijn befaamde uitspraak: “Rules cannot subsitute for character.” Want, aldus Greenspan:
“rules guide only a few of the day-to-day decisions required of business and financial managers. The rest are governed by whatever personal code of values that managers bring to the table.”1
In Nederland wees de Moor-van Vugt er in haar inaugurele rede in 2010 op dat
“het steeds duidelijker [wordt] dat de ‘state of mind’, de houding van de spelers op de financiële markten, belangrijker is dan de regelgeving. Zij moeten zich niet laten verleiden door verkeerde prikkels in de markt en evenmin riskante verdienmodellen introduceren vanwege het rendements- en bonusdenken. Zij moeten zowel het belang van hun onderneming als dat van hun klanten in het oog houden en beschermen. […] Daarvoor is het nodig dat financiële instellingen, zoals banken, onder leiding staan van competente en integere leiders.”2
De overwegingen bij de Richtlijn Solvabiliteit II (voor verzekeraars)3 en IORP II-Richtlijn (voor pensioenfondsen)4 kunnen in ditzelfde licht worden begrepen:
“Bepaalde risico’s kunnen alleen op passende wijze worden aangepakt door middel van governancevereisten in plaats van op basis van of door middel van de kwantitatieve vereisten die in het solvabiliteitskapitaalvereiste tot uitdrukking komen. Een doeltreffend governancesysteem is derhalve van essentieel belang voor een adequaat bestuur van de verzekeringsonderneming en voor het toezichtstelsel.”
Ook bij de toezichthouders, met DNB als vooroploper, heeft de financiële crisis geleid tot een verhoogde aandacht voor governance, cultuur en gedrag en het belang van goed bestuur. Inzicht in deze “diepere” bronnen van latere problemen kan ervoor zorgen dat risico’s kunnen worden opgespoord en aangepakt voordat ze uitmonden in solvabiliteits- en liquiditeitsproblemen.5
Deze eerste trend wordt nader toegelicht in paragraaf 1.2.
De invloed van Europa
In de tweede plaats is sprake van een steeds verdergaande “europeanisering” van het financieel toezichtrecht. Deze ontwikkeling strekt zich ook uit tot de personentoetsingen. Dit is onder meer zichtbaar in de toename van Europese richtlijnen en verordeningen en de daarin opgenomen bepalingen ten aanzien van personentoetsingen, en in de steeds actievere opstelling van de ESA’s, onder meer bij het initiëren van gedelegeerde verordeningen en het opstellen van richtsnoeren. Inmiddels zijn richtsnoeren opgesteld voor het uitvoeren van personentoetsingen bij banken, (gemengde) financiële holdings, beleggingsondernemingen, (her)verzekeraars, marktexploitanten, datarapporteringsdienstverleners, betaalinstellingen, rekeninginformatiedienstverleners en elektronischgeldinstellingen, en voor het uitvoeren van de reputatietoets bij banken, beleggingsondernemingen, (her-)verzekeraars en centrale tegenpartijen. Gedelegeerde verordeningen zien onder meer op personentoetsingen bij (her-)verzekeraars, entiteiten voor risicoacceptatie, ratingbureaus en centrale effectenbewaarinstellingen.6
In bepaalde sectoren zijn bevoegdheden niet (langer) neergelegd op nationaal, maar op Europees niveau. Zo vindt het toezicht op onder meer ratingbureaus, transactieregisters en securitisatieregisters gecentraliseerd plaats, met ESMA als exclusief bevoegde Europese toezichthouder. De nationale autoriteiten spelen geen rol bij de uitoefening van dit toezicht, en dus evenmin bij de uitvoering van de personentoetsingen. Van grote invloed is voorts de oprichting van het Single Supervisory Mechanism (SSM, ook wel: het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme) en het in dat kader sinds 4 november 2014 door de ECB uitgeoefende Europese bankentoezicht. Het uitvoeren van personentoetsingen bij banken in de eurozone vindt sindsdien plaats onder de eindverantwoordelijkheid van de ECB.7
Deze tweede trend wordt nader toegelicht in paragraaf 1.3.