Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/3.6.2
3.6.2 Het behoud van voorrang met betrekking tot de waarde
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401988:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.4.1.
Vgl. Flume 1959, p. 917.
Zie – ten aanzien van zaaksvorming – Spielbüchler 1968, p. 595, Frotz 1970, p. 190-191, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 627-628 en Rummel & Lukas/Karner 2016, § 415 ABGB, Rn. 9. Vgl. ook Rummel/ Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 92. Zo ook – in afwijking van eerdere rechtspraak – OGH 15 november 1976, JBl. 1977, 261, i.h.b. op p. 265: ‘Diese „Privilegierung“ des Vorbehaltsverkäufers [ist] – solange es nur um die Erhaltung seiner bisherigen dinglichen Sicherheit geht – mit jedem Eigentumsvorbehalt verbunden.’ Vgl. voor het Duitse recht Flume 1955, p. 564-565.
Vgl. Hees 1955, p. 526 en Neubeck 1959, p. 581.
OGH 15 november 1976, JBl. 1977, p. 261, op p. 266-267.
Gilmore 1965, p. 854-856 met verwijzing naar Bancroft Steel v. Kuniholm Mfg. Co., 117 ALR 678 (1938), waarin een vergelijkbaar resultaat werd bereikt voor de invoering van de UCC en T.H. Jackson & A.T. Kronman, ‘A Plea for the Financing Buyer’, The Yale Law Journal 1975, p. 29. Vgl. ook Coogan 1959, p. 861, noot 87 (‘uncertain’) en Lacy 1990, p. 316 (‘apparently continue[s]’). Anders: D. Frisch, ‘UCC Section 9-315: A Historical and Modern Perspective’, Minnesota Law Review 1985, p. 46-48. De enige mij bekende rechtspraak op dit punt is Boatmen’s Bank v. Smith, 29 B.R. 690 (1983), waarin wordt aangenomen dat de supervoorrang zich uitstrekt tot de nieuw gevormde zaak.
Von Bar & Clive 2009, p. 5469-5470 en p. 5561-5563.
HR 25 juni 1954, NJ 1955, 685 m.nt. D.J. Veegens (Doorverkochte rogge).
BGH 14 mei 1975, NJW 1975, 1226, bevestigd in BGH 6 april 2000, NJW-RR 2000, 1154 en BGH 17 maart 2011, NJW 2011, 1506. Zie uit de literatuur o.m. Serick 1982, p. 373-375 en p. 379-380, MünchKomm- InsO/Kayser 2013, § 129 InsO, Rn. 108d en Rn. 155, Uhlenbruck/Hirte & Ede 2015, § 129 InsO, Rn. 220- 222 en 361 en Gottwald/Huber 2015, § 46, Rn. 58. Indien de verkoper daarentegen aanspraak maakt op de meerwaarde die het gevolg is van de doorverkoop (de aufgeschlagene Marge bij de doorverkoop) ligt dat dus anders. In een dergelijk geval zal een verlenging evenwel in de regel slechts als ‘kongruente Deckung’ (§ 130 InsO) kunnen worden aangetast. Zie BGH 17 maart 2011, NJW 2011, 1506, Jaeger/Henckel 1991,§ 30 KO, Rn. 221 en MünchKomm-InsO/Kayser 2013, § 129 InsO, Rn. 155. Kritisch over de mogelijkheid tot aantasting van de verlenging met betrekking tot dit surplus Jaeger/Henckel 2008, § 129 InsO, Rn. 208. Vgl. ook Serick 1982, p. 375-381 en p. 421-425, die meent dat een Teilanfechtung van het surplus niet aangewezen is, omdat het surplus vanwege het zekerheidskarakter per definitie moet worden afgedragen aan de boedel.
Vergelijkbaars geldt indien het eigendomsvoorbehoud wordt verlengd tot nieuw gevormde zaken en zaaksvorming kort voor faillissement plaatsvindt. Zie daarover Serick 1982, p. 418-425, Jaeger/Henckel 1991, § 30 KO, Rn. 222, Elz 2000, p. 482, Jaeger/Henckel 2008, § 129 InsO, Rn. 218-221 en Rn. 246, MünchKomm-InsO/Kayser 2013, § 129 InsO, Rn. 22 en KPB/Schoppmeyer 2014, § 131 InsO, Rn. 102.
Zie het preadvies van U. Drobnig, ‘Empfehlen sich gesetzliche Maûnahmen zur Reform der Mobiliarsicherheiten?’, Gutachten für den 51. Deutschen Juristentag, München: C.H. Beck 1976, p. F 69-70.
Verhandlungen des 51. Deutschen Juristentages. Band II: Sitzungsberichte, München: C.H. Beck 1976,p. O 181.
Aangezien deze wanverhouding tussen vordering en zekerheidsobject in een dergelijk geval niet pas naderhand intreedt door gedeeltelijke afbetaling, maar reeds besloten ligt in de verlenging en dus ten tijde van het overeenkomen van het verlengd eigendomsvoorbehoud voorzienbaar is, gaat het hierbij om de zogenoemde anfängliche Übersicherung, waarvan sprake is ‘wenn bereits bei Vertragsschluû gewiû ist,daû im noch ungewissen Verwertungsfall ein auffälliges Miûverhältnis zwischen dem realisierbaren Wert der Sicherheit und der gesicherten Forderung bestehen wird.’ Deze vorm van Übersicherung verschilt van de nachträgliche Übersicherung omdat de Sicherungsabrede in geval van een anfängliche Übersicherung nietig is, terwijl bij nachträgliche Übersicherung enkel een aanspraak op vrijgave bestaat (zie BGH (GrS)27 november 1997, NJW 1998, 671, Staudinger/Wiegand 2017, Anh. zu §§ 929-931 BGB, Rn. 155-155b en MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, Anh. §§ 929-936 BGB, Rn. 30-32). Zie uit de rechtspraak o.m. BGH 16 december 1957, NJW 1958, 417, BGH 20 maart 1985, NJW 1985, 1836, BGH 8 oktober 1986, NJW 1987, 487, BGH 13 juni 1990, NJW-RR 1990, 1525 en BGH 2 december 1992, NJW 1993, 533. Zie voor een voorbeeld van een verlenging van het eigendomsvoorbehoud tot doorverkoopvorderingen die strijdig was met de goede zeden vanwege anfängliche Übersicherung OLG Hamm 9 oktober 2001, 21 U 6/01 en voor een voorbeeld van een verlenging tot nieuw gevormde zaken door Übersicherung ongeldig was LG Bonn 21 april 1993, ZIP 1993, 692 (en ZIP 1994, 1975). Zie over de problematiek van Übersicherung specifiek in relatie tot het verlengd eigendomsvoorbehoud Serick 1976, p. 190-191, Soergel/Henssler 2002, Anh. Zu § 929 BGB, Rn. 124 en Rn. 130, Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 379, Bülow 2012, p. 535-536 en p. 550, Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 142, MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 86, MünchKomm-BGB/Füller 2017, § 950 BGB, Rn. 28-30 en Staudinger/Wiegand 2017, § 950 BGB, Rn. 50. Minder juist: MünchKomm-InsO/Ganter 2013, § 47 InsO, Rn. 140 waar te lezen valt dat een anfängliche Übersicherung zich bij een verlengd eigendomsvoorbehoud niet kan voordoen.
Serick 1976, p. 191, Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 487, Bülow 2012, p. 535 en p. 550-551, Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 147, Gottwald/Adolphsen 2015, § 43, Rn. 40-41 en Rn. 45, MünchKomm-BGB/Roth & Kieninger 2016, § 398 BGB, Rn. 135-137, MünchKomm-BGB/ Füller 2017, § 950 BGB, Rn. 29. Een dergelijke deelcessie is mogelijk en voldoende bepaalbaar. Zie uit de rechtspraak o.m. BGH 23 oktober 1963, NJW 1964, 149, BGH 24 april 1968, NJW 1968, 1516 en BGH 20 november 1980, NJW 1981, 816. Indien partijen zich bij de verlenging beperken tot de waarde van de onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaak, zal uitleg in de regel met zich brengen dat de doorverkoopvordering voor de verkoper tot zekerheid dient ter hoogte van de koopprijsvordering, aldus het BGH in de hiervoor genoemde rechtspraak. Zie ook Serick 1976, p. 301-302, daarentegen afwijzend in geval van zaaksvorming op p. 201-206. Indien de verlenging tot de volledige eigendom van een nieuw gevormde zaak wegens Übersicherung nietig is, kan de verlenging worden geconverteerd (§ 140 BGB) naar een aanspraak op een aandeel in de mede-eigendom. Zie Soergel/Henssler 2002, § 950 BGB, Rn. 22, Bülow 2012, p. 617 en MünchKomm-BGB/Füller 2017, § 950 BGB, Rn. 29. Vgl ook Serick 1976, p. 230-250.
Uit het voorgaande blijkt dat de verkoper met een verlengd eigendomsvoorbehoud een zekerheidsrecht wil verkrijgen voor de voldoening van de koopprijs op datgene wat in economisch opzicht in de plaats treedt van de onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaak. De waarde van de verkochte zaak, die de tegenwaarde vormt voor de koopprijs, ligt na zaaksvorming of doorverkoop besloten in de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering. Zolang de voorrangspositie van de verkoper met betrekking tot die nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering zich beperkt tot de waarde van de oorspronkelijke zaak, gelden voor het verlengd eigendomsvoorbehoud daarmee in belangrijke mate dezelfde rechtvaardigende argumenten als voor het eenvoudig eigendomsvoorbehoud.
Zoals hiervoor aan de orde kwam, wordt het eenvoudig eigendomsvoorbehoud gerechtvaardigd door het feit dat de werking van het beding neutraal is ten opzichte van de overige schuldeisers van de koper.1 Tegenover de betaling van de koopprijs staat de eigendomsverkrijging van de zaak, zodat de omvang van het vermogen van de koper niet verandert. Bovendien zou het niet goed te rechtvaardigen zijn dat de overige schuldeisers van de koper, in het bijzonder de kredietverschaffende bank, zich ten koste van de verkoper op de zaak zouden kunnen verhalen, voordat de koper daarvoor de koopprijs zou hebben betaald. Voor het verlengd eigendomsvoorbehoud gelden deze argumenten evenzeer. Indien de voorrangspositie van de verkoper met betrekking tot de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering beperkt blijft tot datgene wat hij heeft bijgedragen aan het ontstaan van de zaak en de vordering, namelijk de koopprijs van de zaak, is de voorrangspositie van de verkoper evenzeer neutraal ten opzichte van de overige schuldeisers van de koper,2 terwijl niet goed zou zijn te rechtvaardigen dat de overige schuldeisers zich (volledig) zouden kunnen verhalen op de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering, terwijl het ontstaan daarvan in belangrijke mate door de verkoper mogelijk is gemaakt.
Het verlengd eigendomsvoorbehoud leidt aldus niet tot een uitbreiding van de voorrangspositie van de verkoper, maar handhaaft de positie die de verkoper innam met betrekking tot de verkochte zaak.3 Die voorrangspositie handhaaft hij weliswaar ten aanzien van een ander voorwerp, maar dat voorwerp vertoont een nauwe band met de verkochte zaak omdat de waarde van de verkochte zaak daarin besloten ligt. Niet alleen is het verschaffen van leverancierskrediet door de verkoper daarmee een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van de verkochte zaak of de doorverkoopvordering, maar ook bestaat een nauwe inhoudelijke band met de verkochte zaak.4 Op grond van deze redenen verkrijgt de verkoper naar Oostenrijks recht bij zaaksvorming een aandeel in de nieuw gevormde zaak, waarvan de omvang correspondeert met de waarde van de verkochte zaak. Anders dan het verbreed eigendomsvoorbehoud, wordt het verlengd eigendomsvoorbehoud derhalve niet beschouwd als inbreuk op de publiciteitseisen die het Oostenrijkse recht stelt aan het verkrijgen van een voorrangspositie, omdat de verkoper slechts zijn bij het eenvoudig eigendomsvoorbehoud bestaande voorrangspositie handhaaft. Daarmee wordt volgens het OGH voorkomen dat de overige schuldeisers van de koper een voordeel in de schoot wordt geworpen ten koste van de verkoper die de nieuwe zaak mede heeft gefinancierd:
‘Die Erstreckung des vorbehaltenen Eigentums auf den Wert, den die gelieferte Sache in dem aus ihr hergestellten Produkt verkörpert, entspricht (…) der engen Beziehung gerade dieses Gläubigers zu der betreffenden Sache und ist daher auch aus dem Gesichtspunkt der Wertverfolgung gerechtfertigt; sie verhindert gleichzeitig die sich aus der gegenteiligen Auffassung notwendig ergebende, sicherlich unbefriedigende Konsequenz, daû völlig sachfremde Gläubiger ungehindert auf ein Produkt greifen können, das durch Verarbeitung des von einem Dritten gelieferten Rohstoffes entstanden ist.’5
De UCC komt van rechtswege tot een vergelijkbaar resultaat. Als de zaak waarop de purchase money security interest betrekking heeft wordt verwerkt tot een nieuwe zaak, strekt dit zekerheidsrecht zich automatisch uit tot de nieuw gevormde zaak (§ 9-336(c) en (d) UCC). Indien de nieuwe zaak wordt gevormd uit meerdere zaken, dan hebben de zekerheidsrechten die betrekking hadden op de oorspronkelijke zaken een gelijke rang, waarbij de onderlinge verhouding bepaald wordt aan de hand van de waarde van de oorspronkelijke zaken ten tijde van de zaaksvorming (§ 9-336(f)(2) UCC). De regel is ingegeven door de gedachte dat degene wiens onderpand heeft bijgedragen aan het ontstaan van de nieuw gevormde zaak, voorrang verdient boven anderen die ook aanspraak zouden willen op de zaak.6 In lijn met die gedachte lijkt te moeten worden aangenomen dat, hoewel de UCC dat niet uitdrukkelijk bepaalt, de supervoorrang van de aanschaffinancier zich ook uitstrekt tot de nieuw gevormde zaak.7 Vergelijkbaars geldt voor de DCFR. Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam, krijgt de verkoper volgens de DCFR met betrekking tot de nieuw gevormde zaak slechts een zekerheidsrecht (art. IX.-2:308(2) DCFR), maar dit zekerheidsrecht heeft wel dezelfde supervoorrang als het oorspronkelijke eigendomsvoorbehoud (art. IX.-4:103(1)(b) DCFR).8
Een vergelijkbare rechtvaardiging lag onder het oude recht ten grondslag aan het verlengd reclamerecht dat was neergelegd in artikel 1192a lid 2 BW (oud). Indien de koper de nog niet betaalde zaken had doorverkocht aan een ander, kon de verkoper de koopprijs die de afnemer verschuldigd was aan de eerste koper ‘tot aan het beloop zijner rekening voor zich vorderen.’ Aan dit verlengd reclamerecht lag volgens de Hoge Raad ten grondslag ‘dat voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, moet worden voorkomen, dat de opbrengst van roerende goederen, (…), aan derden ten goede komt, zolang de oorspronkelijke verkoper niet is gekweten.’9
Dat de verlenging van het eigendomsvoorbehoud niet tot een benadeling van de overige schuldeisers leidt, blijkt ook uit het feit dat de verlenging van het eigendomsvoorbehoud naar Duits recht niet door middel van de actio Pauliana kan worden aangetast, indien de doorverkoop kort voor faillissement van de koper plaatsvindt. Indien en voor zover de verlenging van het eigendomsvoorbehoud namelijk slechts betrekking heeft op de waarde van de verkochte zaak, is geen sprake van benadeling van de overige schuldeisers, omdat de verlenging niet leidt tot een afname van het voor verhaal vatbare vermogen:
‘[D]ie unter Eigentumsvorbehalt gelieferte Ware [hatte] nicht zu dem Vermögen des Gemeinschuldners gehört. Durch die Vereinbarung eines verlängerten Eigentumsvorbehalts wurde daher lediglich die unter Eigentumsvorbehalt gelieferte Ware gegen die Forderung ausgewechselt, die mit dieser Ware erlangt wurde. Da der Vorbehaltskäufer ohne die unter Eigentumsvorbehalt gelieferte Ware die Forderung für diese Ware nicht hätte erwerben können, wird durch das Entstehen dieser Forderung das Vermögen des späteren Gemeinschuldners nicht gemindert und werden daher dessen übrige Gläubiger nicht benachteiligt, wenn und soweit die Vorausabtretung sich auf das mit der unter Eigentumsvorbehalt gelieferten Ware Erlangte beschränkt.’10
Voor zover de verlenging van het eigendomsvoorbehoud beperkt blijf tot de oorspronkelijke koopprijsvordering, handhaaft de verkoper slechts zijn voorrangspositie en wordt deze niet uitgebreid ten koste van de overige schuldeisers.11 In lijn met deze gedachte is op de Duitse Juristendag van 1976, waarop de herziening van het Duitse zekerhedenrecht centraal stond, voorgesteld om de verlenging van zekerheidsrechten slechts toe te staan tot zekerheid van de waarde van het oorspronkelijke goed,12 welk voorstel met een ruime meerderheid werd aangenomen,13 maar vooralsnog niet tot wettelijk ingrijpen heeft geleid.
Ook zonder wettelijk ingrijpen heeft het Duitse recht zich echter in deze richting ontwikkeld. Het Duitse recht waakt door toepassing van algemene leerstukken namelijk tegen het ontstaan van een oververzekering (Übersicherung) van de verkoper bij een verlengd eigendomsvoorbehoud. Daarvan is sprake indien de waarde van de tot zekerheid overgedragen zaken of vorderingen de waarde van de gesecureerde vorderingen (substantieel) overstijgt. Deze oververzekering wordt problematisch geacht, omdat de koper de desbetreffende zekerheidsobjecten niet nogmaals kan benutten als onderpand en omdat de overige schuldeisers zich daarop niet kunnen verhalen. Indien de waarde van de doorverkoopvordering of nieuw gevormde zaak de oorspronkelijke koopprijsvordering aanzienlijk overstijgt, kan een verlenging van het eigendomsvoorbehoud vanwege deze Über-sicherung in strijd met de goede zeden zijn (§ 138 BGB) of een unangemessene Benachteiligung (§ 307 BGB) opleveren, indien het verlengd eigendomsvoorbehoud is opgenomen in de algemene voorwaarden.14 Teneinde dat te voorkomen, pleegt het verlengd eigendomsvoorbehoud aldus te worden vormgegeven dat de aanspraak van de verkoper beperkt blijft tot de waarde van de oorspronkelijke koopprijsvordering.15 Bij een Verarbeitungsklausel betekent dit dat de verkoper slechts bedingt dat hij bij zaaksvorming mede-eigenaar wordt van de nieuw gevormde zaak, waarbij het aandeel van de verkoper correspondeert met de waarde van de onder eigendomsvoorbehoud overgedragen in verhouding tot de waarde van de nieuw gevormde zaak. Bij een Vorausabtretungsklausel wordt de vordering slechts partieel gecedeerd, namelijk slechts voor dat deel van de vordering dat correspondeert met de oorspronkelijke koopprijs.
Aldus wordt bewerkstelligd dat de verkoper geen aanspraak kan maken op de gehele (waarde van) de zaak of doorverkoopvordering, maar slechts op het gedeelte dat nodig is om zijn koopprijsvordering te voldoen. Het surplus, dat in de regel ontstaat omdat de doorverkoop of zaaksvorming gewoonlijk een waardestijging tot gevolg heeft, komt daarmee toe aan de koper, hetgeen wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat hij de waardestijging door zijn bedrijfsactiviteiten heeft bewerkstelligd.16