Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/1.3
1.3 Doelstelling van het onderzoek en de onderzoeksvraag
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362947:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Fortuin 2016B: de verschillende formuleringen van de HR ten aanzien van het ‘andere afloop’-criterium, Fortuin 2016A die uitgaat van de toepassing van artikel 41 van het Handvest op de lidstaten en Nijnatten, van, 2018: waarin Nijnatten verwoordt dat Fierstra artikel 41 van het Handvest niet van toepassing acht op de lidstaten, en bijvoorbeeld Wolkers en Mennes 2016 die zich afvragen waarom BTI- en BOI-beschikkingen zijn uitgezonderd van het horen in de voorfase.
Zie grafiek in de voetnoot in paragraaf 1.1.
Bongaarts 2013.
Zie onder andere: Dam, van en Eijsden, van, 2008, onder 1; Prechal en Widdershoven 2017, p. 473.
Dam, van en Eijsden, van, 2008, onder 1.
De doelstelling van onderhavig onderzoek is allereerst gelegen in een inventarisatie van de omvang van het kenbaarmakingsbeginsel en de rechtsbescherming die dit beginsel aan een belanghebbende biedt. Op dit moment is nog geen uitvoerig onderzoek op dit punt verricht. De in de literatuur opgeworpen vragen ten aanzien van het kenbaarmakingsbeginsel en de verschillende visies van verschillende auteurs maken het nut van een dergelijke inventarisatie duidelijk.1 In de rechtspraktijk bestaat onduidelijkheid over de vraag hoe het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht zich verhoudt tot het kenbaarmakingsbeginsel. Er bestaat onduidelijkheid over de inhoud van het kenbaarmakingsbeginsel vooral ten aanzien van het moment van ‘horen’ en het recht op (inzage in) de stukken en het is onduidelijk wanneer en op welke wijze beperkingen van het kenbaarmakingsbeginsel mogelijk zijn. Het is van belang te onderzoeken of schending van het kenbaarmakingsbeginsel kan worden voorkomen. Bij schending van het kenbaarmakingsbeginsel bestaat onduidelijkheid over de vraag of een kleine schending altijd in vernietiging van het gehele besluit moet resulteren en daarmee grote gevolgen kan hebben. Onderzoek naar het kenbaarmakingsbeginsel kan bijdrage aan het denken over grondrechten en over de tenuitvoerlegging van het Unierecht. De centrale onderzoeksvraag die in het kader van dit onderzoek wordt behandeld, luidt daarom als volgt:
In hoeverre voldoet het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht aan de uitgangspunten en criteria die het kenbaarmakingsbeginsel stelt en op welke wijze kan het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht worden ingericht, zodat het in lijn is met deze uitgangspunten en criteria?
Het kenbaarmakingsbeginsel is in Nederland een ‘trending topic’. Het aantal nationale procedures waarin een belanghebbende een beroep doet op het kenbaarmakingsbeginsel, is in de laatste jaren gestegen. Ook is het aantal artikelen en annotaties over het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel toegenomen.2 Over de inhoud, de inroepbaarheid, het toepassingsbereik van het kenbaarmakingsbeginsel en de rechtsgevolgen van een (succesvol) beroep op schending van het kenbaarmakingsbeginsel bestaat in het belastingrecht nog onduidelijkheid.3 Het bieden van meer handvatten is van belang, omdat de invloed van het Unierecht groot is en naar verwachting nog zal toenemen.4 Het is daarom van belang het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht ‘verdedigingsproof’ te maken, zodat conformiteit bestaat met het kenbaarmakingsbeginsel.5 Aangezien de inhoud, de inroepbaarheid, het toepassingsbereik van het kenbaarmakingsbeginsel en de rechtsgevolgen van een succesvol beroep op schending van het kenbaarmakingsbeginsel nog niet altijd duidelijk zijn, is het vaak lastig de uitkomst van een (gerechtelijke) procedure, waar een gestelde schending van dit beginsel speelt, te voorspellen. Het is wenselijk een evenwicht te vinden tussen enerzijds de belangen van de Nederlandse staat ten aanzien van het heffen en innen van belastingen en anderzijds de individuele belangen van de belanghebbenden. Naar mijn inschatting is de rechtspraktijk gediend met een dergelijk onderzoek. Alhoewel op sommige vlakken toekomstige Europese en Nederlandse jurisprudentie duidelijkheid zal moeten verschaffen ten aanzien van het kenbaarmakingsbeginsel, kan onderzoek daarnaar meer duidelijkheid creëren, de bekendheid van het kenbaarmakingsbeginsel vergroten, de discussie op gang houden en oplossingen aanreiken. De verwachting bestaat dat dit onderzoek enkele essentiële verschillen tussen het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht en het kenbaarmakingsbeginsel aan het licht zal brengen.