Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/4.4.2.2
4.4.2.2 Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte
Datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- JCDI
JCDI:ADS955511:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 21 februari 1975, nr. 4451/70, ECLI:CE:ECHR:1975:0221JUD000445170 (Golder/Verenigd Koninkrijk).
Smits 2008, p. 36; Van der Helm 2023, nr. 109.
EHRM 19 maart 1997, nr. 18357/91, ECLI:CE:ECHR:1997:0319JUD001835791 (Hornsby/Griekenland), rov. 40-41.
Uzman 2013, p. 243; Schabas 2015, p. 550. In zaken die draaien om een inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht zal een dergelijke koppeling zich vrijwel altijd voordoen. Wanneer er voor een (rechts)persoon geen doeltreffend rechtsmiddel voorhanden zijn om een dergelijke inbreuk te bestrijden, levert dat in de regel dan ook zowel een schending van het recht op eigendom als van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte op; vgl. EHRM 1 september 2022, nr. 885/12, ECLI:CE:ECHR:2022:0901JUD000088512 (Safarov/Azerbeidzjan), rov. 31.
HvJ EG 15 mei 1986, C-222/84, ECLI:EU:C:1986:206 (Johnston).
Namelijk civil rights and obligations; zie Barkhuysen & Van Emmerik 2013, p. 217.
HvJ EU 27 september 2017, C-73/16, ECLI:EU:C:2017:725 (Puškár/Slowakije), rov. 62; HvJ EU 18 maart 2010, C-317/08, C-318/08, C-319/08 en C-320, ECLI:EU:C:2010:146 (Alassini), rov. 63.
Aronstein 2019, p. 236.
HvJ EU 18 oktober 2018, C-149/17, ECLI:EU:C:2018:841 (Bastei Lübbe), rov. 51-52.
Van der Helm 2023, nr. 130.
EHRM 20 maart 2008, nr. 15339/02, 11573/02, 15343/02, 20058/02 en 21166/02, ECLI:CE:ECHR:2008:0320JUD001533902 (Budayeva e.a./Rusland), rov. 191. Het Unierecht stelt een soortgelijke eis; zie HvJ EG 10 april 1984, C-14/83, ECLI:EU:C:1984:153 (Von Colson), rov. 23.
Zie Barkhuysen & Van Emmerik 2013, p. 216; Uzman 2013, p. 242.
Van der Helm 2023, nr. 136.
EHRM 1 september 2022, nr. 885/12, ECLI:CE:ECHR:2022:0901JUD000088512 (Safarov/Azerbeidzjan), rov. 31.
Par. 4.3.3.
Zie ook HvJ EU 18 december 2019, C-666/18, ECLI:EU:C:2019:1099 (IT Development), waarin het Hof overwoog dat de bepalingen van die richtlijn “aspecten betreffende de intellectuele-eigendomsrechten beogen te regelen die inherent zijn aan enerzijds de handhaving van deze rechten en anderzijds de inbreuken daarop, door te eisen dat doeltreffende rechtsgangen bestaan om elke inbreuk op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen, te doen staken of te verhelpen” (rov. 40).
HvJ EU 28 april 2022, C-44/21, ECLI:EU:C:2022:309 (Phoenix Contact/Harting), rov. 28-41. Zie ook par. 3.4.2.2.
HvJ EU 17 juni 2021, C-597/19, ECLI:EU:2021:492 (Mircom/Telenet), rov. 83; HvJ EU 18 oktober 2018, C-149/17, ECLI:EU:C:2018:841 (Bastei Lübbe), rov. 51.
EVRM en Handvest. Hoewel het recht op toegang tot de rechter niet met zoveel woorden is opgenomen in het EVRM, blijkt uit de rechtspraak dat het recht onderdeel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces van art. 6 EVRM.1 Het recht op toegang tot de rechter heeft een instrumenteel karakter en dient ertoe de werking van de overige rechten uit art. 6 EVRM te verzekeren.2 Dit recht omvat onder meer het recht op tenuitvoerlegging of naleving door de autoriteiten van rechterlijke uitspraken.3 Van bijzonder belang voor dit onderzoek is echter vooral het recht op een doeltreffende voorziening in rechte (effective remedy), zoals geregeld in art. 13 EVRM. Dit recht is uitsluitend van toepassing in geval van schending van rechten of vrijheden uit het EVRM.4 Het recht op toegang tot de rechter en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte zijn gezamenlijk geregeld in art. 47 Handvest. Voordat dit recht in het Handvest werd opgenomen, was het door het Hof van Justitie al erkend als algemeen beginsel van Unierecht.5 Hoewel de bepaling is gebaseerd op art. 13 EVRM, is het toepassingsbereik ervan niet beperkt tot specifieke geschillen.6
Beperkingen. Beperkingen op het recht op een doeltreffende voorziening in rechte zijn mogelijk voor zover ze beantwoorden aan een legitieme doelstelling van algemeen belang en mits er geen sprake is van een onevenredige ingreep of een aantasting van de wezenlijke inhoud van het recht.7 Over het algemeen is sprake van een ontoelaatbare beperking als een maatregel tot gevolg heeft dat de uitoefening van door het Unierecht verleende rechten uiterst moeilijk of praktisch onmogelijk wordt gemaakt.8 Een voorbeeld vormt het arrest Bastei Lübbe, waarin het Hof van Justitie overwoog dat een familiaal verschoningsrecht dat de vaststelling van een inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht door een familielid onmogelijk maakt een aantasting oplevert van de wezenlijke inhoud van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op intellectuele eigendom.9
Aanspraak op een doeltreffende voorziening. Het EHRM beoordeelt in elk individueel geval of een remedie voldoet aan de vereisten van art. 13 EVRM.10 Daarbij houdt het onder meer rekening met de aard van het geschonden recht.11 Zo geeft art. 1 EP recht op het ongestoord genot van eigendom, wat impliceert dat de gerechtigde deze aanspraak in rechte kan afdwingen. De nationale instantie moet hem daarom instrumenten bieden om rechtsherstel te bewerkstelligen of een vervangende schadevergoeding te ontvangen.12 Het bieden van rechtsherstel impliceert dat het ook kan gaan om preventieve maatregelen. Doorgaans laat het EHRM aan verdragsstaten enige vrijheid ten aanzien van de keuze en vormgeving van specifieke remedies.13 De eerder besproken zaak Safarov/Azerbeidzjan laat echter ook zien dat deze maatregelen daadwerkelijk geschikt moeten zijn om het betrokken recht te beschermen.14
Het Unierecht laat met betrekking tot de keuze en vormgeving van specifieke maatregelen minder ruimte aan de nationale lidstaten, zo blijkt onder meer uit voorwaarden van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid, evenredigheid en afschrikkende werking.15 Dit geldt in versterkte mate als het Unierecht zelf voorziet in regels over een bepaald onderwerp, zoals is gedaan in Handhavingsrichtlijn.16 In zulke gevallen kan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte aanzienlijk ingrijpen in de vrijheid van rechterlijke instanties om te beslissen over de gerechtvaardigdheid van specifieke maatregelen. Een illustratie hiervan is te vinden in het arrest Phoenix Contact, waarin het Hof overwoog dat het Unierecht in de weg staat aan een regeling op grond waarvan de octrooihouder enkel een voorlopig verbod kan vorderen als de geldigheid van dat octrooi is bevestigd door een beslissing in eerste aanleg die is gegeven na een procedure tot betwisting ervan.17 Daarnaast maken ook het verzoek tot overlegging en verkrijging van bewijsmateriaal en het recht op informatie (art. 6 en 8 Handhavingsrichtlijn) blijkens de rechtspraak onderdeel uit van het recht op een doeltreffende voorziening.18