Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.2.2:2.3.2.2 Rechtspraak
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.2.2
2.3.2.2 Rechtspraak
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859288:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Den Haag 21 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:16699. De kern van deze paragraaf is eerder verschenen: De Vries, TE 2019/04, p. 83-86.
Zie ook par. 2.3.1.1.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1169.
Anders: Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, p. 27-28.
Hiermee is de kous niet af. X doet tevens een beroep op ondubbelzinnige vergeving. In par. 4.8.4 komt dit nader aan de orde.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een uitspraak waarin de vraag is opgeworpen of wel sprake is van een misdrijf tegen de erflater betreft Rechtbank Den Haag 21 december 2016.1 De casus is als volgt.
Erflater heeft in 1994 een woning gekocht en geleverd gekregen van de moeder van X. In 2011 verhuist erflater naar een verzorgingstehuis. In datzelfde jaar wordt hij door de Rechtbank Den Haag onder curatele gesteld vanwege een geestelijke stoornis. X is enige tijd in de woning van erflater woonachtig geweest. Hij heeft daar in ieder geval (ook) gewoond nadat erflater zijn intrek heeft genomen in het verzorgingstehuis.
In november 2012 is X op vordering van de curator door de Rechtbank Den Haag veroordeeld om de woning van erflater te verlaten. Vanwege dit gedwongen vertrek sticht X in december 2012 brand in de woning van erflater. Hierop is X door de strafrechter onherroepelijk veroordeeld voor opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is (art. 157 sub 1 en 2 Sr). In de strafrechtelijke procedure is X licht verminderd toerekeningsvatbaar verklaard.
In 2014 komt erflater te overlijden. Hij heeft in zijn testament uit 2004 X tot enig erfgenaam benoemd. X stapt in 2016 naar de rechter en vordert een verklaring voor recht dat hij niet onwaardig is om te erven van erflater. Hij gaat hierbij voor meerdere ankers liggen. Hij is onder meer van mening dat geen sprake is van een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf en daardoor niet van onwaardigheid. X stelt dat hij een goede verstandhouding had met erflater. Zijn boosheid was niet gericht tegen erflater, maar tegen de curator die ervoor gezorgd had dat hij de woning moest verlaten. Het zou nooit zijn bedoeling zijn geweest om schade toe te brengen aan het eigendom van erflater.
De rechtbank stelt voorop dat van belang is dat onderscheid wordt gemaakt tussen een met opzet gepleegd misdrijf en een met opzet tegen de erflater gepleegd misdrijf. Voor het van rechtswege doen intreden van onwaardigheid is volgens de rechtbank vereist dat het misdrijf (ook) opzettelijk tegen de erflater gepleegd is. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis oordeelt de rechtbank dat opzettelijke brandstichting door de wetgever uitdrukkelijk is genoemd als een (in beginsel) tegen de erflater gericht misdrijf als bedoeld in artikel 4:3 lid 1 sub b BW (Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1169).
De rechtbank overweegt voorts dat de woning waarin brand is gesticht eigendom was van erflater en dat dit X ook, zoals hij ter comparitie van partijen heeft erkend, bekend was. X heeft de brand opzettelijk gesticht en wist dat hij erflater daarmee schade zou berokkenen. De rechtbank overweegt in dit verband dat X veroordeeld is voor opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan onder meer gemeen gevaar voor goederen te duchten is (art. 157 aanhef sub 1 Sr). Dat een en ander, zoals X heeft betoogd, niet zijn bedoeling zou zijn geweest en dat sprake zou zijn van een ondoordachte actie, doet volgens de rechtbank aan het voorgaande niet af. Feit is dat erflater door het misdrijf in zijn eigendom is aangetast. Het misdrijf is naar het oordeel van de rechtbank alleen al in zoverre tegen erflater gericht.
De rechtbank verwerpt vervolgens de stelling van X dat het misdrijf, althans zijn boosheid, niet gericht was tegen erflater maar tegen de curator. De curator van erflater heeft, onder meer bij aangifte van 27 december 2012, verklaard dat het de wens van erflater zelf was dat X zijn woning zou verlaten. De curator trad op als wettelijk vertegenwoordiger van erflater en behartigde zowel zijn financiële als overige belangen, toen zij er voor zorgde dat X de woning moest verlaten. X brengt hier tevergeefs tegenin dat erflater zijn mening niet meer kon verkondigen, omdat hij aan een geestelijke stoornis leed. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de uitlating van de curator dat zij handelde overeenkomstig de wensen en belangen van erflater. Aangezien de curator erflater vertegenwoordigde in zijn wensen en belangen brengt dat volgens de rechtbank mee dat het misdrijf en de boosheid van X zich ook feitelijk richtte tegen (de belangen van) erflater.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4:3 lid 1 sub b BW. X is dus onwaardig om voordeel te trekken uit de nalatenschap van erflater.
Uit de overwegingen van de rechtbank volgt dat zij onderscheid maakt tussen een met opzet gepleegd misdrijf en een met opzet tegen de erflater gepleegd misdrijf. Dat sprake moet zijn van een opzettelijk gepleegd misdrijf behoeft geen betoog. Deze eis is uitdrukkelijk in artikel 4:3 lid 1 sub b BW opgenomen.2 Het delict opzettelijke brandstichting voldoet hieraan. Interessanter is de vraag of de wet tevens vordert dat het misdrijf opzettelijk tegen de erflater is gepleegd. Volgens de Rechtbank Den Haag is dit het geval, nu zij stelt dat voor het van rechtswege doen intreden van onwaardigheid vereist is dat het misdrijf (ook) opzettelijk tegen de erflater is gepleegd. De rechtbank hanteert dus een dubbele opzeteis. Naar mijn mening legt de rechtbank hiermee een te strenge maatstaf aan.
Uit de parlementaire geschiedenis leid ik af dat de wetgever geen dubbele opzeteis heeft beoogd. Minister Sorgdrager stelde dat deze onwaardigheidscategorie is geformuleerd als een van rechtswege werkende onwaardigheid indien een strafrechtelijke veroordeling wegens een van de bedoelde misdrijven heeft plaatsgehad.3 Om tot een veroordeling te komen, moeten de delictsbestanddelen van het strafbare feit bewezen worden. Bij de delicten die de toelichting als voorbeeld noemt – opzettelijke brandstichting (art. 157 Sr), mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende (art. 300 lid 2 Sr), diefstal (art. 310 Sr) en afpersing (art. 317 Sr) – vormt opzet op de persoon van de erflater geen bestanddeel. De strafwet spreekt hierbij – net als bij vele andere delicten – in zijn algemeenheid over een ander. Deze opzeteis is derhalve geen voorwaarde om tot onwaardigheid te komen.
Dat het opzet enkel betrekking heeft op het misdrijf en niet op de persoon van de erflater strookt bovendien met artikel 4:3 lid 1 sub a en c BW. Bij deze gronden is evenmin sprake van een dubbele opzeteis. Nu artikel 4:3 lid 1 sub b BW een leemte opvult tussen deze categorieën, ligt het niet voor de hand deze eis hier wel te stellen.
Kortom, dat het misdrijf tegen de erflater moet zijn gepleegd, is aan het opzet onttrokken. De enkele vaststelling dat hiervan sprake is, volstaat. Dat brengt mee dat wetenschap bij de dader dat het misdrijf tegen de erflater is gepleegd, evenmin wordt vereist. De overweging van de rechtbank dat X ermee bekend was dat de woning van erflater was en dat hij wist dat hij erflater schade zou berokkenen met de brandstichting, doet derhalve voor onwaardigheid niet ter zake. De rechtbank had zich dus kunnen beperken tot de overweging dat erflater door het misdrijf in zijn eigendom is aangetast.
Uit het voorgaande volgt dat in de situatie dat X brand sticht in de woning en pas later blijkt dat het om de woning van erflater gaat, onwaardigheid niet wordt voorkomen.4 Een verweer dat het niet de bedoeling was erflater te raken, slaagt evenmin. Er moet objectief worden gekeken of sprake is van een misdrijf tegen de erflater.5