Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.3.2
7.3.2 De huidige invulling van de redelijke toerekeningsleer
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284600:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2935, NJ 2011/191 (Bouwcombinatie/Liander). Zie ook bijv. HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL7053, NJ 2004/348 (Onrechtmatige vervolging); HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8686, NJ 2011/477, m.nt. J.W. Zwemmer (Intertrust/Ontvanger) en HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895, NJ 2014/429 (Swinkels/Saint-Gobain).
HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895, NJ 2014/429 (Swinkels/Saint-Gobain). Vgl. ook al HR 1 juli 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB7010, NJ 1978/84, m.nt. G.J. Scholten (Van Hees/Esbeek). Zie ook Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 63.
Zie hierover bijv. Di Bella 2014, p. 79; Boonekamp 2018, aant. 4.3 en Hartlief e.a. 2018, nr. 217.
Bijv. HR 2 november 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7349, NJ 1980/77, m.nt. G.J. Scholten (Vader Versluis); HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1611, NJ 1997/175, m.nt. C.J.H. Brunner (De Heel/De Korver); HR 5 oktober 1995, NJ 1998/190, m.nt. C.J.H. Brunner (Turnster) en HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4042, NJ 2007/141, m.nt. C.J.H Brunner (Skeelerongeval).
Van Schellen 1985a, nr. 39; Hartlief 2014, p. 2917. Vgl. ook A-G Spier in zijn conclusie voor HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2935, NJ 2011/191 (Bouwcombinatie/Liander) onder 3.42.1. Hij meent dat schade in zijn algemeenheid niet snel buiten de toerekeningsboot zal vallen. Het felst is Van der Kooij 2019, hfst. 4, met name nr. 193 e.v. Hij meent dat de regels in werkelijkheid geen enkele richting geven. De verschillende omstandigheden wijzen namelijk alle kanten op (vgl. ook minder fel Hartlief e.a. 2018, nr. 217).
Brunner 1981.
Brunner 1981, p. 213-216; Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 63 e.v.; Di Bella 2014, p. 79-82; Hijma & Olthof 2017, nr. 397; Klaassen 2017, nr. 33 e.v. Vgl. ook Hartlief e.a. 2018, nr. 218, die echter niet weergeeft dat doel en strekking binnen de deelregels als relevant gezichtspunt gelden. Brunner plaatste zijn deelregels in willekeurige volgorde. Ik plaats de aard van de aansprakelijkheid als eerste ten behoeve van de overzichtelijk van mijn hiernavolgende betoog. Brunner, Van der Kooij, Sieburgh en Di Bella plaatsen dit criterium onder (iii).
HR 18 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0802, NJ 1994/91, m.nt. E.A.A. Luijten (Franken/X); HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213, NJ 2006/606, m.nt. J.B.M. Vranken (Baby Kelly).
Zie Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 65; Boonekamp 2018, aant. 4.4.1.2. Bijv. HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213, NJ 2006/606, m.nt. J.B.M. Vranken (Baby Kelly) en HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182, m.nt. J.B.M. Vranken (De Treek/Dexia).
Bijv. HR 2 november 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7349, NJ 1980/77, m.nt. G.J. Scholten (Vader Versluis); HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1611, NJ 1997/175, m.nt. C.J.H. Brunner (De Heel/De Korver); HR 5 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1836, NJ 1998/190, m.nt. C.J.H. Brunner (Turnster) en HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4042, NJ 2007/141, m.nt. C.J.H Brunner (Skeelerongeval).
HR 8 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4306, NJ 1982/614, m.nt. C.J.H Brunner (Natronloog).
HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895, NJ 2014/429 (Swinkels/Saint-Gobain).
Vgl. HR 13 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC3080, NJ 1975/509, m.nt. G.J. Scholten (Amercentrale).
HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, AB 2019/519, m.nt. C.N.J. Kortmann (Groninger Gaswinning). De Hoge Raad overweegt hier met zoveel woorden dat aard en strekking doorslaggevend zijn: 2.4.2 “(…) De aard van de aansprakelijkheid is een van de gezichtspunten die worden betrokken bij het bepalen van de omvang van een wettelijke schadevergoedingsverplichting. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de omvang van een verplichting tot vergoeding van schade die berust op een risicoaansprakelijkheid, in het algemeen kleiner of juist groter is dan die van een verplichting tot vergoeding van schade die berust op art. 6:162 BW. Welke gevolgen het heeft voor de omvang van de schadevergoedingsverplichting dat zij berust op een risicoaansprakelijkheid, hangt af van de aard en strekking van de desbetreffende risicoaansprakelijkheid.” Brunner onderkende dit ook (Brunner 1981, p. 216).
Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 65.
Bijv. HR 1 juli 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB7010, NJ 1978/84, m.nt. G.J. Scholten (Van Hees/Esbeek), HR 18 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0802, NJ 1994/91, m.nt. E.A.A. Luijten (Franken/X) en HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:214, NJ 2018/115 (Avi/Adrighem). Zie ook Parl. Gesch. Boek 6, p. 345.
Bijv. HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2310, NJ 2011/139 (X/Hoogheemraadschap Rijnland). Hierin overwoog de Hoge Raad dat de omstandigheid dat X met grove schuld had gehandeld een ruimere toerekening rechtvaardigt dan waarvoor aanleiding is bij minder verwijtbaar handelen. De Hoge Raad lijkt dus ook waarde te hechten aan de mate van schuld. Zie verder bijv. Boonekamp 2018, aant. 4.4.4.2 en Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 65. Vgl. ook HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL7053, NJ 2004/348 (X/Staat) waarin de Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht bij de toerekeningsvraag had laten meewegen dat de Staat niet opzettelijk had gehandeld. De Hoge Raad heeft echter ook weleens geoordeeld dat de mate van schuld in het kader van de toerekeningsvraag van art. 6:98 BW niet relevant was, maar wel aan de orde kon komen binnen de context van de vraag naar de aansprakelijkheid zelf – naar ik begrijp in het kader van de toerekening ex art. 6:162 lid 1 BW: zie HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:BQ2935, NJ 2011/191 (Bouwcombinatie c.s./Liander).
HR 20 maart 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5007, NJ 1970/251, m.nt. G.J. Scholten (Waterwingebied).
Boonekamp 2018, aant. 4.5; Hartlief e.a. 2018, nr. 222; Asser/Sieburgh 2017, nr. 64.
HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4961, NJ 1986/137, m.nt. C.J.H. Brunner (Henderson/Gibbs); Boonekamp 2018, aant. 4.5.6.
Brunner 1981, p. 216 en 234.
Hartlief e.a. 2018, nr. 224a.
Van Schellen 1985a, nr. 39; Hartlief 2014, p. 2917. Vgl. ook A-G Spier in zijn conclusie voor HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2935, NJ 2011/191 (Bouwcombinatie/Liander) onder 3.42.1. Hij meent dat schade in zijn algemeen niet snel buiten de toerekeningsboot zal vallen. Het felst is Van der Kooij 2019, hfst. 4, met name nr. 193 e.v. Hij meent dat de regels in werkelijkheid geen enkele richting geven. De verschillende omstandigheden wijzen namelijk alle kanten op (vgl. ook minder fel Hartlief e.a. 2018, nr. 217). Het is volgens Van der Kooij een moeilijk lezende landkaart. Men bereikt de eindbestemming ondanks, in plaats van dankzij, de deelregels.
Zie bijvoorbeeld de casus die worden besproken in §8.3.1.2, 8.3.1.3 en 8.3.2.1.
458. De Hoge Raad stelt in zijn jurisprudentie met betrekking tot art. 6:98 BW veelal de volgende regel voorop:1
“In het kader van de toerekening als bedoeld in art. 6:98 BW gaat het om de vraag of de schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.”
459. Ter beantwoording van de vraag of de schade toegerekend moet worden zijn volgens de Hoge Raad steeds alle (relevante) omstandigheden van het geval van belang.2 De verschillende relevante factoren dienen daarom steeds in onderling verband te worden beschouwd en gewogen.3 Dat betekent overigens weer niet, zoals we straks nader zullen zien, dat aan bepaalde omstandigheden bij bepaalde gevalstypen geen zwaar, zo niet doorslaggevend, gewicht mag worden toegekend.4
460. Het is tot op heden niet volledig uitgekristalliseerd (a) welke omstandigheden of gezichtspunten bij de art. 6:98 BW-toets precies van belang zijn, (b) hoe deze omstandigheden en gezichtspunten zich tot elkaar verhouden en (c) welke gevalstypen zich laten onderscheiden. Desondanks bestaat er over de relevante omstandigheden en gezichtspunten in rechtspraak en literatuur op veel vlakken – ondanks kritiek –5 wel een redelijke mate van consensus. Ik bespreek hierna welke omstandigheden en gezichtspunten in het geldend recht zijn (of lijken te zijn) ingebed.
461. Brunner heeft in 1981 een poging ondernomen op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad meer inzicht in de materie te scheppen.6 De door hem geformuleerde regels worden ook nu in de praktijk nog breed toegepast en zijn door de Hoge Raad en literatuur grotendeels als relevante gezichtspunten aanvaard. Ik geef hieronder de deelregels weer, aangevuld met jurisprudentie en literatuur:7
De aard van de aansprakelijkheid is relevant bij de bepaling of de schade ruim of beperkt moet worden toegerekend. Deze regel valt uiteen in drie deelregels:
Voor iedere norm bepalen doel en strekking daarvan mede – of volgens de Hoge Raad soms zelfs in doorslaggevende mate –8 in hoeverre toerekening van de concreet geleden schade gerechtvaardigd is;9
Bij schending van verkeers- en veiligheidsnormen die met het oog op de voorkoming van ongevallen zijn opgesteld, is een ruime toerekening van overlijdens- en letselschade gerechtvaardigd.10 De precieze wijze waarop de schade intreedt is in die gevallen in de regel nauwelijks relevant,11 hoewel ook dan het feit dat die intredingswijze van de schade redelijkerwijs niet voorzienbaar was relevant kan zijn;12
Risicoaansprakelijkheid kan soms aanleiding geven tot een beperktere toerekening van schade.13 Ook in geval van risicoaansprakelijkheid hangt de omvang van de schadevergoedingsplicht echter af van doel en strekking van de geschonden norm.14 Een risicoaansprakelijkheid kan er bijvoorbeeld toe strekken een ruime aansprakelijkheid in het leven te roepen of bescherming te bieden tegen letsel- en zaakschade;15
Naarmate het gevolg naar ervaringsregels waarschijnlijker is, is toerekening eerder gerechtvaardigd. Het gaat erom wat naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was;16
Hoe groter de schuld aan de schadeveroorzakende gebeurtenis, hoe meer reden bestaat ruim toe te rekenen;17
Naarmate het gevolg minder ver verwijderd is van de onrechtmatige daad, is toerekening eerder gerechtvaardigd. Hoe verder verwijderd het gevolg van de onrechtmatige daad staat, hoe minder snel toegerekend kan worden;18
Schade door dood of verwonding wordt eerder toegerekend dan zaakschade, zaakschade eerder dan schade die bestaat in extra kosten en uitgaven en schade door vermogensverlies eerder dan derving van winst.19 In geval van letselschade wordt in het algemeen ook schade die samenhangt met een persoonlijke predispositie van de gelaedeerde aan de onrechtmatige daad toegerekend;20
Bij schade toegebracht tijdens bedrijfsuitoefening is toerekening wellicht eerder gerechtvaardigd dan wanneer de aansprakelijke persoon een beroepsbeoefenaar of een particulier is;
De draagkracht van de laedens en de gelaedeerde, mede in verband met de aan- of afwezigheid van een aansprakelijkheidsverzekering, kan een grond vormen voor ruimere of juist minder ruime toerekening.21
462. Hartlief heeft erop gewezen dat sinds Brunners formulering van diens deelregels zich verschillende ontwikkelingen in de rechtspraak hebben voorgedaan – met name op het gebied van de verkeers- en veiligheidsregels, de risicoaansprakelijkheid en de personenschade – die volgens hem een vereenvoudiging van het beslisschema rechtvaardigen. Hartlief stelt daarom voor in het kader van art. 6:98 BW het volgende beslisschema aan te houden:22
Is het gevolg normaal, typisch, in de lijn der verwachting liggend? Zo ja, dan vindt toerekening plaats;
Is het gevolg echter abnormaal of buiten de lijn der verwachtingen liggend (denk aan de gevolgen van een geestelijke of lichamelijke kwetsbaarheid, een medische fout bij behandeling van het primaire letsel, een tweede ongeval) dan vraagt toerekening om een nadere rechtvaardiging;
Deze nadere rechtvaardiging kan gevonden worden in de aard van de aansprakelijkheid (schending van verkeers- of veiligheidsnorm, risicoaansprakelijkheid met een ruime beschermende strekking), de aard van de schade (het gaat om letselschade bijvoorbeeld), een hoge mate van schuld of een combinatie van dergelijke factoren.
463. De leer van de redelijke toerekening, althans de deelregelbenadering van Brunner, is in de literatuur bekritiseerd. In de kern is die kritiek steeds hetzelfde. De deelregels zouden volgens critici bij het oplossen van concrete casus te veel uiteenlopende richtingen op wijzen en daardoor niet zelden tot onduidelijkheid leiden in plaats van de casus op te lossen.23
464. Deze kritiek heeft een kern van waarheid, maar is volgens mij geen reden de deelregels over boord te zetten. Ten eerste wijzen de deelregels volgens mij namelijk wel omstandigheden aan die men in normatief opzicht van belang acht bij het beantwoorden van de vraag welke soort schade voor vergoeding in aanmerking komt. Natuurlijk wijzen de omstandigheden soms, met name in complexere of uitzonderlijkere situatie, verschillende richtingen. Dat maakt de regels volgens mij niet onbruikbaar. In eenvoudige zaken kunnen zij volgens mij in ieder geval goed dienstdoen. Bovendien bieden zij ook in complexere zaken al wel een algemene denkrichting ter oplossing van schadegeschillen en ter motivering van die oordelen. Ten tweede is het feit dat een omstandighedencatalogus verschillende kanten op kan wijzen volgens mij geen reden om deze niet als juridisch criterium te hanteren. Het recht is immers vergeven van open normen die een nadere invulling krijgen door middel van een omstandighedencatalogus: Kelderluik, redelijkheid en billijkheid, opzegging kredietovereenkomsten etc. etc. De kracht van deze toetsen zit er volgens mij in dat zij de verschillende omstandigheden onderscheiden die het recht ter beslissing van een voorliggend probleem relevant acht.
465. Uiteraard is een eenvoudig hanteerbaar model altijd te prefereren boven een ingewikkelder model. Hartliefs model streeft die eenvoud na. Het schema zal regelmatig een aanvaardbare uitkomst bieden. Het ligt immers voor de hand dat normaaltypische schade moet worden toegerekend. In de praktijk valt het criterium volgens mij samen met het doel en de strekking van de geschonden norm en de waarschijnlijkheid van de schade: schade die past bij hetgeen waartegen de norm wil beschermen en/of het waarschijnlijk gevolg is van de schadeveroorzakende gebeurtenis is in de regel daarvoor ook normaaltypisch. Dat vormt een belangrijke toerekeningsindicatie.
466. Toch werkt Hartliefs model volgens mij niet steeds. We zullen in hoofdstuk 8 op basis van verschillende voorbeelden zien dat de (besluitenaansprakelijkheids)rechtspraak volgens mij ‘normaaltypische’ schade soms toch niet aan de schadeveroorzakende gebeurtenis toerekent.24 Bestuursrechters wijzen bijvoorbeeld geen schadevergoeding wegens gederfd loon toe als een werknemer door een uitkeringsinstantie ten onrechte arbeidsongeschikt is verklaard. Toch is dat verlies van loon volgens mij wel normaaltypisch voor die onterechte arbeidsongeschiktheidsverklaring. Die schade is daarvan in ieder geval het waarschijnlijke gevolg. Het begrip ‘normaaltypisch’ kan die beslissing volgens mij dus niet goed verklaren. Het doel en de strekking van de geschonden norm spelen bij die beslissing volgens mij juist een belangrijke rol ter afwijzing van die vordering. Doel en strekking van de norm spelen dus een zelfstandige rol. Er blijft daarom ondanks de elegantie van de eenvoud behoefte bestaan aan de wat complexere omstandighedencatalogus, waarbij vooral duidelijk moet zijn wat de rol is van het doel en de strekking van de geschonden norm in verhouding tot de andere art. 6:98 BW-omstandigheden. In het verlengde daarvan is van belang te weten hoe art. 6:98 BW zich weer verhoudt tot de relativiteitsleer. Daarin zijn doel en strekking van de norm immers doorslaggevend. Het is tijd daarop dieper in te gaan.