Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.7.1.4.2
9.7.1.4.2 Boeke: democratische burgerschapshouding bijbrengen
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977025:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
P. van Tongeren, ‘De mensen in het land: over de rol van morele waarden in de politiek’, in: P.J. Dijkman e.a. 2013, p. 76.
R. Fraanje & E. Hirsch Ballin, ‘Burgerschap geeft rechten en plichten’, CDA.nl, jrg. 10, 1, p. 52, W. Veugelers 2019, p. 15-21.
Van Luyn sdb 2006, p. 71 e.v.; vgl. Commissie Beraad Perspectief 2030 van het WI-CDA, Zij aan zij. Toekomstperspectief voor Nederland in 2030, CDA-WI 2019, p. 54.
Brugmans 2005, p. 116; vgl. W. Koops, Wereldwijd opvoeden, o.r.v. W. Koops e.a., 2011.
Voor bekostiging: Zoontjens 1999, p. 16, 69-70, 82, 147-150 en De Winter 1995, p. 72, 135.
Dewey 1966, p. 96 e.v.; vgl. G. Biesta & S. Miedema, ’Pragmatisme’, in: Smeyers & Levering (red.) 2001, p. 141 en G.J.J. Biesta, ’Een vakdidactisch perspectief op democratische vorming. Voorwoord bij de speciale uitgave ‘Hoe geef je les in kritisch burgerschap?’, Didactief 2017, 4, p. 3.
Ibid., 1966, p. 96.
Curs.W; Dewey (1859-1952) en Key (1849-1926) zijn reformpedagogen, zie: Dewey, The school and Society, The University of Chicago 1899 en Democracy and Education: An introduction to the Philosophy of Education, New York: Macmillan 1916 (learning by doing).
Boeke 1974, p. 33.
Ibid., p. 84, 214.
Ibid., p. 81, 214.
C. Wilkeshuis 1968, p. 191-196 (Sociocratie: Beleidssysteem gebaseerd op gelijkwaardigheid in de besluitvorming en verantwoordelijkheid van deelnemers voor de organisatie).
Dewey 1923; Logister 2004, p. 54-57, 211-213.
Crittenden 1988.
Crittenden 1982, p. 27 e.v.; Braster 1996, p. 32-36.
Ibid., p. 52-53.
Het eerste doel van burgerschapsvorming is het mogelijk maken van deelname aan de samenleving door het ontwikkelen van een democratische burgerschapshouding die recht doet aan de opdracht de samenleving bewoonbaar en leefbaar te houden. Burgerschapsvorming richt zich daarbij op het toerusten met die democratische kwalificaties die cognitief, sociaal en ethisch van aard zijn. Goed burgerschap is hét kernbegrip in een democratische samenleving1, waarin het verwerven van democratische attitudes en leefwijzen prioriteit geniet.2
Om dit eerste doel van burgerschapsvorming te bereiken, het ontwikkelen van een democratische burgerschapshouding, moet het accent in de opvoeding verschuiven naar het toerusten met burgerschapskwalificaties. Dat vraagt een aanpak met onder meer introductie van de deugd opvoeding.3 De kardinale en theologale deugden zijn de grondslag van rechtvaardig burgergedrag.4
Het debatteren over functie en werking van staatsinstellingen kern
Op eigen wijze, met hetzelfde handelingsperspectief, wil Boeke de opvoeding tot gemeenschap(szin) uitvoeren door leerlingen interesses te laten ontwikkelen en door de betrokkenheid bij ieders werk te vergroten. Zijn school, De Werkplaats, heeft zich, weliswaar met rijksbekostiging, weten te handhaven.5 In Boekes didactiek moet staatsinrichting niet langer ‘institutiekunde’ zijn, maar het thematiseren van staatkundige functies en werking in de praktijk.6 Het debat over de functies en werking van staatsinstellingen en het plaatsen daarvan in de werkelijkheid van alledag vormt voor Boeke de kern van de staatsburgerlijke opvoeding.7 Hij drukt dat uit met de stelling dat ‘the educational process has no end beyond itself, it is its own end’.8 Het resultaat van opvoeding dient de zelfredzaamheid van burgers te zijn. Met het oog op de opvoedingsdoelen typeert Boeke de mens ‘als een zichzelf geworden persoonlijkheid, als zich naar aard en aanleg ontwikkelend individu, door innerlijke tucht gebonden en deel van het geheel, dus ook een gemeenschapswezen’.9 Boeke benadrukt in zijn vormingsideaal dat de maatschappelijke vakken zoals sociologie, staathuishoudkunde en staatsinrichting pas gegeven kunnen worden als ‘enig geschiedkundig inzicht is verkregen’.10 In het leergebied mens & maatschappij zijn voor de uitvoering van het door (mede)werkers ontwikkelde schoolwerkplan de vakken geschiedenis, staathuishoudkunde, staatsinrichting en sociologie in lijn hiermee gegroepeerd. Deze vakken hebben tot doel een evenwichtige ingroei in de samenleving mogelijk te maken en gemotiveerd te bevorderen.11 Kortom, Boeke heeft voor het ingroeimodel als vormingsideaal voor een ‘sociocratisch vleugje’ gekozen.12 De opvoeding die ervoor moet zorgen dat gemeenschaps- en burgerzin wordt aangewakkerd moet optimale ruimte krijgen bij de persoonsvorming. Burgerschapsvorming vormt één van de grondslagen van Boekes denken en handelen.
Crittenden over Deweys participatiedemocratie
In de tweede helft van de twintigste eeuw geeft Crittenden een moderne invulling aan Deweys opvattingen over participatiedemocratie (learning by doing).13 De voorwaarde voor maatschappelijk pluralisme is volgens hem een minimum aan gedeelde cultuur.14 Hij ziet de noodzaak in om leerlingen kennis en begrip van het pluralisme bij te brengen als een basisverschijnsel van de samenleving en als een onderdeel van de kernwaarden van een culturele traditie: ‘De open pluralistische samenleving gaat uit van een door eenieder gedeelde cultuur. Om deze te kunnen onderhouden is kennis van het politieke, economische en juridische systeem vereist. Instrumentele vaardigheden zoals het beheersen van de moedertaal en kennis van de vaderlandse geschiedenis zijn verplichte kernonderdelen van een basis curriculum’, aldus Crittenden.15 Maar de basiskennis van architectuur, taal- en letterkunde, kunst en gespreksvaardigheden zijn ook vereist voor burgers om competent te kunnen handelen.16 Met gedegen kennis van de democratische rechtsstaat wordt een basis gelegd voor hun politieke betrokkenheid.
Verwerving van cognities
In tegenstelling tot het vormingsideaal van verbindend democratisch burgerschap, met een accent op de sociale vaardigheden, legt Crittenden de nadruk op de verwerving van cognities en minder op het leren van algemeen gedeelde democratische vaardigheden. Crittenden acht leerlingen goed in staat om deze kwalificaties - onafhankelijk van democratische basiskennis - te kunnen leren. Het onderhouden van een empathische, participatieve gezindheid vraagt niet alleen om cognitieve én sociale vaardigheden, maar ook om kennis van de rechtsstaat en de samenleving. Het één kan per slot niet zonder het ander.