Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/6.3.3
6.3.3 Het einde van een kredieteigendomsvoorbehoud
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS402009:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Braun 1980, p. 89.
Braun 1980, p. 88.
Zie ook de bedenkingen van Reehuis 2013, nr. 114-115.
Zie – in navolging van RG 15 maart 1935, RGZ 147, 321 en BGH 23 november 1977, NJW 1978, 632 – Braun 1980, p. 85-92 (met verdere verwijzingen op p. 90 in voetnoot 88), MünchKomm-InsO/Ganter 2013, § 47 InsO, Rn. 90, Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 150, Uhlenbruck/Brinkmann 2015, § 47 InsO, Rn. 35 en Mitlehner 2016, p. 28.
Zie met verdere verwijzingen Braun 1980, p. 85-92.
Lambsdorff 1974, p. 118-127, Braun 1980, p. 88, Serick 1982, p. 144-148, Tiedtke 2000, p. 829-830 en Bülow 2012, p. 553-554.
Vgl. J. Beuving & R.P.J.L. Tjittes, ‘Het tegengaan van een overmaat aan zekerheden’, NJB 1998, p. 1552 en Asser/Van Mierlo 3-IV 2016, nr. 293. Zie ook N.W.M. van den Heuvel, ‘Zekerheid in een redelijke verhouding’, WPNR 2001 (6463), p. 918-926. Zie ook Reehuis 2013, nr. 115, nr. 115 die in voorkomende gevallen lijkt te willen aannemen dat de voorwaarde voor vervuld moet worden gehouden.
Zie het meest expliciet BGH 9 februari 1994, NJW 1994, 1154. Niet geheel duidelijk is hoe deze uitspraak zich verhoudt tot BGH (GrS) 27 november 1997, NJW 1998, 671, welk besluit is toegesneden op de zekerheidseigendom in het algemeen. Door sommigen wordt verdedigd dat voor het verbreed eigendomsvoorbehoud nog steeds moet worden teruggegrepen uit de uitspraak uit 1994 of dat eventueel een ‘eigenständigen Ansatz’ moet worden aangelegd. Zie hierover K.P. Berger, ‘Erweiterter Eigentumsvorbehalt und Freigabe von Sicherheiten’, ZIP 2004, p. 1073-1081, waarop als reactie P. Bülow, ‘Treuhänderischer erweiterter Eigentumsvorbehalt’, ZIP 2004, p. 2420-2422. In ieder geval is duidelijk dát er een verplichting tot vrijgave kan bestaan bij het verbreed eigendomsvoorbehoud. Zie bijv. Bülow 2012, p. 559-560, MünchKomm-Inso/Ganter 2013, § 47 InsO, Rn. 91, Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 153 en MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 75. Vgl. ook BGH 30 mei 1960, NJW 1960, 1712 en BGH 20 maart 1985, NJW 1985, 1836.
Ook met betrekking tot het einde van het eigendomsvoorbehoud, dat de eigendomsverkrijging door de koper tot gevolg heeft, kunnen ondanks de toelaatbaarheid van een kredieteigendomsvoorbehoud kanttekeningen worden geplaatst. Omdat het eigendomsvoorbehoud ook bedongen kan worden voor toekomstige vorderingen, blijft de verkoper vooralsnog ook eigenaar, indien op een bepaald moment geen vorderingen bestaan, maar in de toekomst wel nieuwe vorderingen kunnen ontstaan die voldoen aan de omschrijving van lid 2 van artikel 3:92 BW en bovendien door partijen onder de reikwijdte van het eigendomsvoorbehoud zijn gebracht. Dat staat enigszins op gespannen voet met de functie van het eigendomsvoorbehoud als opschortingsrecht en pressiemiddel om de koper te bewegen tot betaling. Gedurende de periode dat er geen vordering bestaat, kan het eigendomsvoorbehoud niet fungeren als pressiemiddel.1 Bovendien heeft de koper het daarmee niet zelf in de hand om door betaling van alle opeisbare vorderingen eigenaar te worden van de verkochte zaak. De koper is daartoe slechts in staat door de rechtsverhouding tussen hem en de verkoper te beëindigen, als gevolg waarvan geen nieuwe vorderingen meer kunnen ontstaan. Daarmee kan het kredieteigendomsvoorbehoud een averechts effect hebben, omdat het de koper ertoe kan bewegen om de rechtsverhouding tussen hem en de verkoper te beëindigen met als enkele reden om eigenaar te kunnen worden van de verkochte zaak.2 Het is dan ook de vraag of ook denkbaar is dat de koper bij een kredieteigendomsvoorbehoud ondanks het voortduren van de rechtsverhouding reeds eigenaar kan worden van de verkochte zaak.3
Het lijkt erop dat met name om deze redenen naar Duits recht algemeen wordt aangenomen dat de tussentijdse voldoening van alle op dat moment bestaande vorderingen (Konto- of Saldoausgleich) tot gevolg heeft dat het eigendomsvoorbehoud eindigt en de koper eigenaar wordt van de verkochte zaak.4 Hoewel dit standpunt in de literatuur veelal niet gemotiveerd wordt, lijkt dit ingegeven door de wens de koper de mogelijkheid te geven de eigendom te verwerven zonder dat daarvoor beëindiging van de rechtsverhouding vereist is.5 Het gaat derhalve om een rechtspolitieke begrenzing van het verbreed eigendomsvoorbehoud. In de literatuur wordt dan ook opgemerkt dat de Kontoausgleich geen uit de wet volgende of anderszins logisch dwingende beperking vormt van het eigendomsvoorbehoud. 6 Zoals hiervoor in paragraaf 6.3.1 is betoogd, kan een dergelijke beperking niet voor het Nederlandse recht worden gesteld, onder meer omdat daarmee de aan lid 2 van artikel 3:92 BW ten grondslag liggende ratio zou kunnen worden ondergraven, terwijl bovendien niet goed valt in te zien waarom de veelal tamelijk willekeurige volgorde tussen het ontstaan van nieuwe vorderingen en het voldoen van andere vorderingen beslissend zou moeten zijn voor de eigendomsovergang. Bij de meer terughoudender benadering van het Duitse recht dient bovendien bedacht te worden dat het Duitse recht geen beperkingen stelt aan het type vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud kan worden bedongen. Uit de rechtspraak van het BGH lijkt bovendien te kunnen worden afgeleid dat de Kontoausgleich niet noodzakelijkerwijs het einde van het eigendomsvoorbehoud tot gevolg heeft, indien er een functionele samenhang bestaat tussen het type vordering en de verkochte zaak (zoals vorderingen wegens reparatie- of installatiewerkzaamheden).7
De hiervoor genoemde bezwaren geven wel aanleiding tot de vraag of het kredieteigendomsvoorbehoud ook op een andere wijze tot een eind kan komen dan door beëindiging van de rechtsverhouding tussen verkoper en koper. Naar mijn mening kan onder omstandigheden een verplichting bestaan voor de verkoper tot ‘vrijgave’ van de verkochte zaak of een deel van de verkochte zaken door afstand te doen van het eigendomsvoorbehoud.8 Uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) kan voortvloeien dat de verkoper gehouden is tot een dergelijke vrijgave, indien hij geen redelijk belang meer heeft bij behoud van de eigendom van een of meer verkochte zaken. Daarvan kan sprake zijn indien niet voorzienbaar is dat in de toekomst vorderingen ontstaan waarvoor het noodzakelijk is dat de verkoper nog langer eigenaar blijft, bijvoorbeeld omdat zijn belang ook afdoende is beschermd door eigenaar te blijven van een gedeelte van de (niet voor oneigenlijke vermenging vatbare) verkochte zaken of omdat de nieuwe vorderingen zullen ontstaan omdat de verkoper opnieuw (niet voor oneigenlijke vermenging vatbare) zaken zal leveren aan de koper en aan de belangen van de verkoper afdoende wordt tegemoetgekomen indien hij met betrekking tot de nog te leveren zaken een eigendomsvoorbehoud bedingt. Ook het Duitse recht kent een verplichting tot vrijgave van onder verbreed eigendomsvoorbehoud overgedragen zaken, indien sprake is van een oververzekering (Übersicherung) van de verkoper die niet slechts een tijdelijk karakter heeft.9 Deze vrijgaveverplichting wordt gebaseerd op de ergänzende Vertragsauslegung aan de hand van de Treu und Glauben (§ 157 BGB),10 waardoor de vrijgaveverplichting beschouwd wordt als een onderdeel van de tussen verkoper en koper gesloten koopovereenkomst.
Redengevend voor het aannemen van een dergelijke vrijgaveverplichting acht ik dat het kredieteigendomsvoorbehoud een blokkerende werking kan hebben, doordat de verkochte zaak lange tijd buiten het vermogen van de koper wordt gehouden. Indien de koper een zaak met substantiële waarde reeds volledig heeft afbetaald, maar denkbaar is dat in de toekomst nog nieuwe vorderingen ontstaan, kan hij de door hem in de zaak geïnvesteerde waarde niet verder benutten. Ondanks de substantiële vermogensinvestering behoort de zaak nog niet tot zijn vermogen. Weliswaar bestaat de mogelijkheid om zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde te vervreemden of te verpanden, maar immanent aan dat recht is de zwakte vanwege het voorwaardelijke karakter, hetgeen een waardedrukkend effect zal hebben bij de verdere mobilisering van dat recht.