Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.5:2.5 Constitutionele verankering
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.5
2.5 Constitutionele verankering
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Janse de Jonge 1993, p. 423.
Janse de Jonge 1993, p. 348-349.
Artikel 61 Grondwet 1815.
Artikel 121 Grondwet 1815.
Artikel 105 Grondwet 1815.
Artikel 123 Grondwet 1815.
Artikel 126 Grondwet 1815.
Artikel 124 Grondwet 1815.
Vanaf 1816 gaat de begroting van uitgaven altijd gepaard met een begroting van inkomsten. Fristschy/Van der Voort 1994, p. 11.
Oud 1970, p. 485-486.
Artikel 128 grondwet 1815.
Artikel 202 Grondwet 1815.
Wet van 9 juli 1814, Stb. 1814, 76.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1806 werd het Koninkrijk Holland uitgeroepen door keizer Napoleon. Zijn broer Lodewijk Napoleon werd benoemd als koning van het Koninkrijk. Dit was echter van korte duur. In 1810 werd het Koninkrijk Holland bij het Franse Keizerrijk ingelijfd. In 1813 kreeg Nederland zijn onafhankelijkheid terug.
Nadat Nederland zijn onafhankelijk terug had gekregen, bleef veel behouden zoals dat tot stand was gekomen onder de Franse overheersing.1 In de Grondwet van 1814 werd de zelfstandige eenheidsstaat gevestigd met één centrale staatsschuld en één belastingstelsel en met behoud van het budgetrecht. De Grondwet van 1814 was gebaseerd op de schets van de grondwet van Van Hogendorp. In 1815 kwam een nieuwe grondwet tot stand na de vereniging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden – op basis van de Grondwet van 1814. Het Koninkrijk der Nederlanden stond onder leiding van Koning Willem I. Wat betreft het budgetrecht vonden er in de Grondwet van 1815 enkele wijzigingen plaats ten opzichte van de Grondwet van 1814.2
De financiën van het Rijk werden centraal beheerd, met één staatsschuld en één belastingstelsel. Volgens de Grondwet van 1815 kwam het opperbestuur van de financiën toe aan de Koning.3 Het parlement – de Eerste en Tweede Kamer – was toegerust met het budgetrecht. Het parlement diende in te stemmen met de uitgaven.4 Hoewel er nog werd gesproken van ‘inwilligen’ werd de begroting van uitgaven in de praktijk jaarlijks bij wet vastgesteld. De wetgevende macht werd uitgeoefend door de Koning en de Staten-Generaal gezamenlijk.5 In de Grondwet van 1814 was bepaald dat de begroting bestond uit een constant deel dat voor ‘eeuwig’ gelding had en een variabel deel dat jaarlijks mede moest worden vastgesteld door de Staten-Generaal. In de Grondwet van 1815 werd deze bepaling aangepast. Er was niet langer sprake van een constant deel dat ‘eeuwig’ gelding had. De begroting werd nu gesplitst in een gewoon, tienjaarlijks goed te keuren, deel6 en een buitengewoon, jaarlijks goed te keuren, deel.7 Het parlement diende ook de middelen goed te keuren waarmee de uitgaven werden gedekt.8 Deze middelen werden voor hetzelfde tijdvak vastgesteld als de uitgaven.9 Dit betrof zowel de gewone middelen, de belastingen, als de buitengewone middelen, de leningen.
Aanvankelijk dacht men overigens in de middelenwet – de wet waarin de inkomsten tot dekking van de uitgaven werden aangewezen – een machtiging te vinden voor het heffen van belastingen. Later echter werd algemeen de gedachte aangenomen dat belastingen geheven werden op basis van algemene belastingwetten.10
De Koning deed jaarlijks verslag van het gebruik van de middelen.11 Tevens werd de Algemene Rekenkamer – die in 1814 was opgericht – belast met het jaarlijks opmaken en afwikkelen van de rekeningen.12 Ook was de Algemene Rekenkamer belast met het goedkeuren van de betalingen voordat er uitgaven konden worden gedaan. De taak van de Algemene Rekenkamer was vastgelegd in de Instructiewet van 1814.13
2.5.1 Beperking van het budgetrecht2.5.2 Amortisatie-Syndicaat2.5.3 Koloniale financiën2.5.4 Financiële crisis 18392.5.5 Grondwet 1840: versterking van het budgetrecht2.5.6 Grondwet 1848: verdere uitbreiding van de bevoegdheden van het parlement2.5.7 (Politieke) ministeriële verantwoordelijkheid