Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.3.2.2.6.1
5.3.2.2.6.1 Maatregelen ter verzekering van de aanwezigheid van de getuige
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
In HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7139 was niet gebleken dat de getuige daadwerkelijk was opgeroepen. In het dossier zat geen akte van uitreiking van de oproeping. De Hoge Raad vond dat bij die stand van zaken niet mocht worden geconcludeerd dat verschijning van de getuige binnen een aanvaardbare termijn onaannemelijk was.
In HR 26 januari 1993, NJ 1993, 535 was een getuige aanvankelijk onvindbaar. Uiteindelijk was hij getraceerd en gedagvaard. De Hoge Raad meende dat eenmaal dagvaarden niet voldoende was.
In HR 17 maart 1998, NJ 1998, 532 was dat niet gebeurd, hoewel van de getuige een verblijfplaats (‘coffeeshop aan de Krugerlaan’) bekend was. De Hoge Raad casseerde. De zittingsrechter kan de medebrenging bevelen op grond van de artikelen 258 lid 2, 287 lid 3 sub b en 315 Sv.
HR 26 januari 1993, NJ 1993, 535. In HR 25 februari 1992, NJ 1992, 555 was dat niet gebeurd. De getuige was bij de eerste keer dat werd geprobeerd zijn medebrenging te realiseren niet aangetroffen op de twee van hem bekende adressen. Hij had bovendien bij de rechter-commissaris verklaard te weigeren ter zitting te verschijnen omdat hij een verhoor psychisch niet aan zou kunnen. Een brief van een psychiater bevestigde dit. Onder die omstandigheden mocht worden aangenomen dat een nieuw bevel tot medebrenging nutteloos zou zijn, omdat de getuige zich naar verwachting bij een volgende zitting opnieuw aan de medebrenging zou onttrekken.
Zie daarover § 3.2.2.2.
Over het algemeen zal niet zomaar mogen worden aangenomen dat een getuige niet zal verschijnen voor een verhoor. De getuige zal volgens de wettelijke procedure moeten worden opgeroepen.1 Verschijnt hij vervolgens niet bij het verhoor, dan zal hij nogmaals moeten worden opgeroepen.2 Wanneer een getuige traceerbaar is, maar geen gevolg heeft gegeven aan op de wettige wijze betekende oproepingen, zal de rechter een bevel tot medebrenging tegen hem moeten uitvaardigen.3 De politie zal hem dan op de zittingsdag moeten opsporen en naar de zittingszaal moeten overbrengen. Bij gedetineerde getuigen zal het bevel tot medebrenging eenvoudig ten uitvoer kunnen worden gelegd. Bij getuigen die niet van hun vrijheid zijn beroofd, ligt dat lastiger. Verschijnt de getuige niet na een bevel tot medebrenging, dan zal de rechter niet zonder meer mogen aannemen dat een nieuw bevel tot medebrenging nutteloos zal zijn. Het is immers mogelijk dat de getuige op de desbetreffende dag niet thuis was omdat hij probeerde zich aan een getuigenverhoor te onttrekken. In beginsel zal dan ook een nieuw bevel tot medebrenging moeten worden gegeven.4 Pas wanneer herhaalde bevelen tot medebrenging niet tot de verschijning van de getuige hebben geleid, zal de rechter mogen beslissen dat verschijning van de getuige binnen een aanvaardbare termijn onaannemelijk is. Hierbij teken ik aan dat de omvang van de inspanningsverplichting van de autoriteiten mede afhangt van het gewicht van de getuigenverklaring.5