Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.2.1.2
10.2.1.2 Getuigenverhoor in het kabinet van de rechter-commissaris
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Het verhoor vindt in beginsel plaats in het kabinet van de rechter-commissaris, maar de rechter-commissaris kan – in geval van verhindering van de getuige om te verschijnen – de getuige horen op de plaats waar hij zich ophoudt. De rechter-commissaris heeft daartoe ook een binnentredingsbevoegdheid (art. 212 Sv).
De getuige is strafbaar als hij niet aan zijn verplichtingen voldoet, zie artikel 192 en 444 Sv.
In geval van een minderjarige getuige wordt op grond van artikel 216a lid 2 Sv volstaan met een aanmaning.
De bepalingen met betrekking tot het proces-verbaal komen in de volgende paragraaf aan bod.
Minkenhof-Reijntjes 2009, § VI.2.10.
Op grond van artikel 187b Sv kan het de verdachte worden toegestaan om bepaalde vragen te stellen.
Het verhoor in het vooronderzoek door de rechter-commissaris is in vergelijking met het verhoor bij de politie vrij uitvoerig geregeld in het Wetboek van Strafvordering (art. 210-226s Sv). Zo zijn algemene regels neergelegd omtrent de dagvaarding en verschijning van getuigen, de beëdiging, de mogelijkheid tot verschoning, de wijze van verklaren en de te beletten vragen. Tevens zijn er specifieke regimes gecreëerd voor bijzondere getuigen. Zo is in de artikelen 226a-226f Sv een procedure neergelegd voor het horen van bedreigde getuigen. In de artikelen 226g-226k zijn regels geformuleerd met betrekking tot toezeggingen aan getuigen, die tevens verdachte zijn of reeds zijn veroordeeld. Tot slot zien de artikelen 226l-226s Sv op de procedure inzake de afgeschermde getuige. Deze bijzondere regelingen zijn in hoofdstuk 8 ook reeds aan bod gekomen en worden hier niet meer afzonderlijk besproken.
De getuige die wordt opgeroepen om te verschijnen voor de rechter-commissaris is verplicht te verschijnen en een verklaring af te leggen, tenzij hem een wettelijk verschoningsrecht toekomt.1 Indien een getuige weigert te verschijnen, staat de rechter-commissaris een aantal dwangmiddelen ter beschikking. Zo kan hij een getuige laten medebrengen (art. 213 Sv) en in verzekering stellen (art. 214 Sv). Tevens kan een getuige die weigert vragen te beantwoorden, worden gegijzeld op grond van artikel 221 Sv en op deze wijze tot antwoorden worden gedwongen.2 Anders dan de politie is de rechter-commissaris bevoegd om getuigen onder ede te horen. Zo dient de rechter-commissaris over te gaan tot beëdiging van een getuige, indien sprake is van een van de gronden genoemd in artikel 216 eerste lid Sv.3 Tevens heeft de rechter-commissaris op grond van het tweede lid de mogelijkheid om tot beëdiging over te gaan indien hij dat ‘noodzakelijk acht in verband met de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring’. De eedsformule thans neergelegd in artikel 216a Sv luidt dat de getuige ‘de geheele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen’.
Naast meer procedurele regels bevat het Wetboek van Strafvordering ook bepalingen die zien op de inhoud van het verhoor.4 Zo wordt in artikel 220 Sv bepaald dat de getuige in beginsel een verklaring aflegt zonder daarbij gebruik te maken van geschriften of schriftelijke aantekeningen. Dit voorschrift is in het leven geroepen om te voorkomen dat de getuige niet rechtstreeks antwoordt, maar de informatie voordraagt of voorleest die hij heeft meegenomen.5 De rechter-commissaris kan in bepaalde gevallen toch stukken, zoals een agenda, toelaten ter ondersteuning van het geheugen. Een aantal van de algemene bepalingen uit de tweede titel van het tweede boek heeft ook betrekking op de inhoud van het getuigenverhoor. Zo volgt uit artikel 173 dat getuigen geen vragen mogen worden gesteld die ‘de strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd’. Dit artikel behelst een verbod op het uitoefenen van pressie en het stellen van suggestieve vragen aan getuigen en andere informatieverstrekkers.
Bij het verhoor van getuigen door de rechter-commissaris kunnen de verdachte en diens raadsman in beginsel aanwezig zijn (art. 186 en 186a Sv), dit terwijl de raadsman in de regel niet tot het politiële getuigenverhoor wordt toegelaten. Als het gaat om getuigen waarbij een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige niet ter terechtzitting zal verschijnen, is de rechter-commissaris verplicht de officier van justitie en de verdachte uit te nodigen om het verhoor bij te wonen, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel gedoogt (art. 187 lid 1 Sv). Als het gaat om het verhoor van een bedreigde of afgeschermde getuige, dan kan de rechter bepalen dat de verdachte – en daarmee ook de officier van justitie – het verhoor niet mag bijwonen (art. 226d lid 1 en art. 226p lid 1 Sv). Het verhoor wordt geleid door de rechter-commissaris, maar het wordt in beginsel de officier van justitie en de verdachte wel toegestaan om vragen te stellen (art. 186 lid 3 en 186a lid 3 Sv).6
Hoewel de wet wel in de mogelijkheid voorziet, is het uitgangspunt dat getuigen bij de rechter-commissaris niet worden beëdigd. De gedachte daarachter is dat de getuige zich ter terechtzitting vrij moet voelen op terug te komen op een eerder afgelegde verklaring zonder te hoeven vrezen voor een vervolging voor meineed. De wetgever van 1926 heeft tevens willen voorkomen dat het onderzoek ter terechtzitting teveel aan belang zou inboeten doordat het proces in het vooronderzoek al in belangrijke mate is beslist. Uitzonderingen op het uitgangspunt dat beëdiging bij de rechter-commissaris in beginsel achterwege blijft, zijn neergelegd in artikel 216 Sv. Hierin staat dat de rechtercommissaris verplicht tot beëdiging moet overgaan onder meer wanneer naar zijn oordeel een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige niet ter zitting zal verschijnen of dat diens gezondheid door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht (art. 216 lid 1 Sv). Op het moment dat de rechter dat noodzakelijk acht in verband met de betrouwbaarheid van de getuige heeft hij eveneens de mogelijkheid om tot beëdiging over te gaan (art. 216 lid 2 Sv). Dit is echter optioneel.