Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/2.10.2
2.10.2 Vertegenwoordiging
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706216:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de statuten kan ook aan andere personen dan bestuurders de bevoegdheid tot vertegenwoordiging worden toegekend (art. 2:139/240 lid 4 BW).
Zie daarover Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/431 e.v.
Zie Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/51; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/162. Anders: Asser/Kroeze 2-I 2021/336. In een uitzonderlijk geval kan de bekendheid van de pandhouder met de statutaire beperking in kwestie meebrengen dat de pandhouder zich in strijd met de redelijkheid en billijkheid gedraagt als deze de rechtspersoon aan de rechtshandeling houdt, zie HR 17 december 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4503 (Bibolini).
Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/42; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/164; Dortmond 2013/233.1, p. 278.
Toen de kwestie nog werd beheerst door art. 2:146/2:256 BW (oud) was dat anders, zie HR 11 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2698 (Mediasafe II).
Vgl. HR 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1849, r.o. 3.5.4 (Pinakel). In gelijke zin Asser/Kroeze 2-I 2021/338.
In de literatuur wordt ter onderbouwing van de ongeldigheid van de erkenning verwezen naar HR 17 september 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4440 (Sterk Baksteenmuur). Zie bijv. Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/369; Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/33; Dortmond 2013/179.
Zie Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/59; Asser/Kroeze 2-I 2021/339; Asser/Kortmann 3-III 2017/83 e.v.
Beide artikelen zijn mijns inziens niet rechtstreeks van toepassing, nu in geval van het ontbreken van erkenning mijns inziens nog geen sprake is van een relatie zoals bedoeld in art. 2:8 BW (§3.7.1). Ook bestaat tussen de pandhouder en de vennootschap niet steeds een relatie als bedoeld in art. 6:2 BW. Als de vennootschap schuldenaar is en de aandelen in haar kapitaal zijn verpand ter zekerheid van die schuld, dan bestaat er wel een relatie in de zin van art. 6:2 BW.
Vgl. (ten aanzien van een beroep op de ongeldigheid van de erkenning van een levering) Van Schilfgaarde AA 1983, p. 320.
HR 17 december 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4503 (Bibolini).
Van Schilfgaarde AA 1983, p. 320.
59. Bij de verpanding van aandelen speelt vertegenwoordiging een rol. Zo is het relevant als de pandgever of de pandhouder een rechtspersoon is, en vergt het altijd aandacht bij de erkenning van de verpanding door de vennootschap waarvan de aandelen worden verpand. Op de notaris rust steeds de plicht om na te gaan of de partijen bij de verpanding bevoegd worden vertegenwoordigd (§2.4). Tot vertegenwoordiging van een nv of bv is in beginsel zowel een individuele bestuurder als het bestuur als geheel bevoegd (art. 2:130/240 BW).1 Beperkingen daarop hebben slechts externe werking als dat gebeurt op een door de wet toegestane manier. De wet staat dat toe wat betreft individuele bestuurders, en bepaalt dat de statuten mogen bepalen dat slechts een of meer bepaalde bestuurders bevoegd zijn om de vennootschap te vertegenwoordigen, of dat een individuele bestuurder slechts met medewerking van een of meer anderen mag vertegenwoordigen (art. 2:130/240 lid 2 BW). Zoiets ligt bijvoorbeeld voor de hand bij niet-uitvoerende bestuurders van een vennootschap met een monistisch bestuursmodel, ook wel een one-tier board genoemd.2 Wanneer zo’n beperking is gepubliceerd in het handelsregister, kan deze aan een ander worden tegengeworpen, zelfs al was deze van de beperking niet op de hoogte.3 Of andere statutaire beperkingen ook een dergelijke werking jegens derden hebben, daarover bestaat discussie in de literatuur. Volgens sommigen hebben zij slechts interne werking. Zouden de statuten van de pandgever bijvoorbeeld bepalen dat aan de vestiging van het pandrecht een voorafgaand bestuursbesluit ten grondslag moet liggen, of zouden de statuten van de vennootschap waarvan de aandelen worden verpand voorschrijven dat voor de erkenning van de verpanding de goedkeuring van een vennootschapsorgaan is vereist, dan kan volgens deze auteurs desondanks zowel een individuele bestuurder als het bestuur als geheel de vennootschap geldig vertegenwoordigen.4 In het geval dat er sprake is van vertegenwoordiging door een bestuurder met een tegenstrijdig belang, geldt hetzelfde. Zijn tegenstrijdige belang staat niet in de weg aan de geldige externe vertegenwoordigingsbevoegdheid.5 Over die kwestie bestaat in de literatuur geen discussie. Uit artikel 2:129/2:239 BW volgt dat er sprake is van een besluitvormingskwestie.6
Wanneer de vennootschap onbevoegd wordt vertegenwoordigd, kan slechts de rechtspersoon deze beperking of voorwaarde inroepen (art. 2:130/240 lid 3 BW). Doet zij dat, dan blijft het beoogde rechtsgevolg in beginsel uit. De rechtshandeling is dan nietig ten opzichte van de rechtspersoon.7 Voor zover het gaat om de vertegenwoordiging bij een voor de verpanding essentiële handeling komt het pandrecht daardoor niet tot stand. In het geval van onbevoegde vertegenwoordiging bij de erkenning van de verpanding kan de pandhouder bepaalde rechten nog niet uitoefenen (§2.9).8 Bekrachtiging van de vertegenwoordiging kan dat onder omstandigheden verhelpen (art. 3:58 en 3:69 jo. 3:78 BW).9 Wat de erkenning betreft, kan in uitzonderlijke gevallen de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid in de weg staan aan een beroep van de vennootschap of pandgever op de ongeldigheid van de vestiging of erkenning. In dat geval zou bijvoorbeeld de uitoefening door de pandhouder van het aan hem toegekende stemrecht toch geldig zijn. Voor een geslaagd beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid is nodig dat het beroep op de ongeldigheid van de erkenning in het gegeven geval onaanvaardbaar is (art. 2:8 lid 2 en 6:2 lid 2 BW).10 Een dergelijke onaanvaardbaarheid kan mijns inziens volgen uit de nauwe betrokkenheid van de vennootschap bij verpanding.11 Dit lijkt op de situatie uit het Bibolini-arrest,12 maar verschilt daarvan doordat in zo’n geval niet een derde nauw betrokken is bij de totstandkoming van de vertegenwoordigingsbeperkende bepaling, maar de vennootschap nauw betrokken is bij de openbare verpanding.
HR 17 september 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4440 (Sterk Baksteenmuur), waarnaar in de literatuur over erkenning vaak wordt verwezen, staat aan het voorgaande mijns inziens niet in de weg. De derogerende redelijkheid en billijkheid stond in die cassatieprocedure namelijk niet ter discussie. Het beroep daarop wees de Hoge Raad van de hand omdat het Gerechtshof dat niet in de stellingen had gelezen. Het beroep kon daarom in cassatie vanwege de nauwe verwevenheid met de omstandigheden van het geval niet voor het eerst naar voren worden gebracht. Van Schilfgaarde schrijft in zijn annotatie dat de Hoge Raad door de wijze waarop hij het beroep op artikel 2:8 BW verwerpt impliciet te kennen geeft dat het had kunnen slagen.13