Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/3.2.3.1
3.2.3.1 Visie op communicatie: Belastingdienst erkent een informatieplicht
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661239:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit kader de totstandkomingsgeschiedenis van de WOB, zie paragraaf 2.3.2.4 en uitgebreid in Wopereis 1996.
Pfeil 2009, p. 403; Brunger en Veldman 2011, p. 11.
Vgl. Brouwers 1980, die wijst ‘op het bestaan van de door het Ministerie van Financiën ingestelde Permanente Voorlichtingscommissie Belastingen, die o.g.v. haar taakomschrijving intensief aandacht besteedt aan de voorlichtingsproblematiek.’
Zo schrijft de Belastingdienst terugblikkend op de totstandkoming van de dienstverleningsstrategie in Beleidsdoorlichting Dienstverlening Belastingdienst 2015, p. 47.
Pfeil 2009, p. 403. Brouwers 1980, par. 4.7 verwijst naar voorlichting op televisie.
Pfeil 2009, p. 403. Overigens was het die medewerkers niet toegestaan het aangiftebiljet voor de vragende burger in te vullen. Brouwers 1980 spreekt van een ‘stormloop naar het loket inlichtingen’. In 1977 werd in de aangiftemaanden door ruim 2000 ambtenaren voorlichting gegeven en 521 ambtenaren gaven hulp aan 47 317 personen bij het invullen van hun aangifteformulier.
Schut 1974, par. A.
Later veranderde dit, zie Van Rooij en Aarts 2014.
Belastingdienst Beleidsdoorlichting Compliance 2010, p. 26: ‘De Belastingdienst was tot de jaren zeventig van de vorige eeuw aan te merken als een klassieke overheidsorganisatie […] die zich kenmerkte door gerichtheid op het eigen werkproces, hiërarchie en bureaucratie. Die klassieke organisatievorm werd aan het einde van de zeventiger jaren ter discussie gesteld, onder druk van een aantal gebeurtenissen.’
Peters en Den Hollander 2012.
Naast dergelijke ontwikkelingen die de Belastingdienst organisatorisch ‘rijp’ maakten voor het belang van communicatie in relatie tot belastingplichtigen, veranderden ook de maatschappelijke en politieke ideeën over de op de overheid rustende taak om voorlichting te geven.1 Achtergrond daarbij waren veranderende opvattingen over openbaarheid, democratie en het recht voor de burger op informatie. Er ontstond aandacht voor het belang van overheidsvoorlichting en de informatiepositie van de burger.
Met deze ontwikkelingen ontstond bij de Belastingdienst het besef dat informatieverstrekking, voorlichting, onderdeel vormt van zijn takenpakket (‘voorlichtende taak’). Het idee dat de overheid een ‘informatieplicht’ heeft – een taak om burgers te voorzien van informatie over geldende wet en regelgeving – pakte de Belastingdienst dus serieus op.2 Zo heeft staatssecretaris van Financiën Van Rooijen in 1977 een permanente voorlichtingscommissie in het leven geroepen die tot taak had intensief aandacht te besteden aan voorlichting en de benadering van het publiek.3
Bij de Belastingdienst ontstond dus zo langzamerhand meer aandacht voor het feit dat in de samenleving behoefte bestaat aan informatie, ondersteuning en hulp. De Belastingdienst ziet daarin voor zichzelf een opdracht.4 In de loop van de jaren 70, zo beschrijft Pfeil, komt de brede publieksvoorlichting van de grond: de brochures, folders en tv-spotjes gericht op het grote publiek doen hun intrede.5 Daarnaast gaven inspecteurs inlichtingen en werd hulp verstrekt bij het invullen van aangiftes.6 De verschuivende opvattingen komen mooi naar voren in het vervolg van het hierboven aangehaalde citaat van Schut (paragraaf 3.2.2):
‘Bracht de vroegere opvatting mee, dat een ambtenaar kon volstaan met de toepassing van de wetten, in de nieuwe opvatting van de verhouding van overheid en burgers dient de ambtenaar tevens de burger, ten aanzien van wie hij de wet toepast, behulpzaam te zijn bij de nakoming van diens wettelijke verplichtingen. (…) In de nieuwe zienswijze is de grondslag voor de verhouding van administratie en burger de vertrouwensband, welke tussen hen behoort te bestaan (...). Deze band brengt voor de administratie de taak mede om in het belang van een juiste belastingheffing aan de belastingplichtige alle gewenste inlichtingen te verstrekken en hem te dien einde eventueel noodzakelijke bijstand te verlenen.’7
Toch stond communicatie met burgers in deze tijd nog niet ‘in dienst van het beleid’: van communicatie als beleidsinstrument was nog geen sprake en belastingplichtigen hadden simpelweg hun verplichtingen na te komen.8 De verhoudingen tussen belastingplichtige en Belastingdienst blijven traditioneel hiërarchisch en is er een grote afstand tussen Belastingdienst en publiek.9 De Belastingdienststelt zich (nog altijd) op als een autoriteit met gezag en definieerde het publiek tot begin jaren tachtig als ‘belastingplichtigen’. Deze benadering impliceert volgens Peters en Den Hollander een autoritaire gezagsrelatie, waarbij de Belastingdienst erop toezag dat de burgers aan hun plichten voldeden.10