Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.6.3
7.3.6.3 Activering van bewijsgaring door derden: betalen van vergoedingen aan tipgevers
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940423:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2009/10, 31 066, nr. 77, onder meer opgenomen in V-N 2009/56.3.
Vgl. ook de oordelen over de toelaatbaarheid in eerste aanleg en in hoger beroep in de zogeheten tipgeverszaak, waarover nader in paragraaf 7.3.6.4.3 (Rb Gelderland 6 juni 2013, V-N 2013/35.11, Hof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, V-N 2015/10.6).
Happé e.a. 2010, p. 39.
Resolutie van 24 oktober 1985, V-N 1985, p. 2168 en Kamerstukken II 2009/10, 31 066, nr. 85.
Kamerstukken II 2009/10, 31 066, nr. 85, onder meer opgenomen in V-N 2010/8.5. Daarbij is hij blijkens de betreffende Kamerbrief mede beïnvloed door Happé 2009.
Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 11 februari 2014, V-N 2014/10.3. Idem: Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 24 mei 2016, V-N 2016/40.4 (zie Antwoord 3 op vragen van de PvdA).
Hof ’s-Hertogenbosch 20 februari 2018, V-N 2018/12.3, zie met name r.o. 4.30 e.v.. Het Hof overwoog hierbij dat de belangenafweging op basis van het uit 1985 stammende beleid tekortschiet. De uitspraak van het Hof hield in cassatie echter – om andere redenen – geen stand, zie HR 8 november 2019, V-N 2019/54.26, BNB 2020/41. Saillant detail is overigens dat de overheid ook de kosten van rechtsbijstand van de tipgever heeft bekostigd, zie de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 23 maart 2018, V-N 2018/18.4 (vraag 25).
HR 8 november 2019, V-N 2019/54.26, BNB 2020/41, r.o. 3.5.11, 3.5.12 en 3.8. Dit overwoog de Hoge Raad in het kader van het (onjuist bevonden) oordeel van het Hof dat de inspecteur onvoldoende inzicht had gegeven in zijn belangenafweging bij het sluiten van de overeenkomst met de tipgever, en, in het verlengde daarvan, in het kader van de weging van alle omstandigheden van het geval die is vereist bij de toepassing van art. 8:31 Awb. De Redactie Vakstudie-Nieuws merkt in de Aantekening bij V-N 2019/54.26 nog op, dat het oordeel van de Hoge Raad opvallend algemeen geformuleerd is en alleen zou moeten gelden als de overheid zelf niet betrokken is geweest bij de onrechtmatige verkrijging. Het vervolg van deze procedure heeft geen duidelijkheid opgeleverd, omdat partijen na verwijzing een compromis hebben gesloten, zie Hof Amsterdam 2 december 2020, V-N 2021/10.21.25.
Binnen het vraagstuk van het fiscaalrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs diende zich in 2009 een nieuw hoofdstuk aan toen bleek dat de Staatssecretaris van Financiën belastende informatie had gekocht van een tipgever.1 De tipgever had zich uit eigen beweging gemeld en kwam overeen om, tegen een (aan de meeropbrengsten voor de schatkist gerelateerde) vergoeding, informatie over te dragen, bestaande uit de gegevens van enkele honderden Nederlandse ‘zwartspaarders’ bij verschillende banken in Europa. Ook in dit verband zou de vraag kunnen worden gesteld of een dergelijke handelwijze al dan niet onrechtmatig is. Op het eerste gezicht lijkt dat niet het geval: er zijn immers geen overheidsdienaren op enigerlei wijze direct of indirect betrokken geweest bij de (eventuele) diefstal of verduistering van de bankgegevens. Bovendien lijkt het onaannemelijk dat de Nederlandse overheid op enige wijze frauduleus gedrag van de tipgever heeft geïnitieerd of gefaciliteerd. Onder die omstandigheden kan het vergaarde bewijs vermoedelijk zowel strafrechtelijk als fiscaalrechtelijk worden gebruikt.2
Happé e.a. wijzen er wel op, dat er (in nieuwe gevallen) sprake zou kunnen zijn van uitlokking, wanneer (toekomstige) tipgevers erop kunnen rekenen dat zij voor dergelijke informatie betaald zullen worden door de overheid.3 Ik meen dat Happé e.a. hierin gelijk hebben. Een belangrijke vraag zal daarbij zijn welke rol het door de Staatssecretaris van Financiën gepubliceerde beleid4 met betrekking tot tipgevers in dit kader speelt: vormt dit beleid een indirecte betrokkenheid bij de (eventuele) wederrechtelijke verkrijging van informatie? De staatssecretaris is zich terdege bewust van de mogelijke risico’s op dit terrein, en heeft er om die reden van afgezien om het reeds bestaande, uit 1985 stammende beleid voor fiscale tipgevers nader te specificeren. Hij merkte op dat een verdere detaillering van de regeling voeding zou kunnen geven aan de stelling dat de Belastingdienst de onrechtmatigheid daarmee initieert of faciliteert.5 Enkele jaren later heeft de Staatssecretaris van Financiën dit beleid bevestigd.6 Aldus voert terughoudendheid de boventoon en tracht de Belastingdienst een premiejagerscultuur te voorkomen. Naar mijn inschatting is dat verstandig: in de lagere rechtspraak is reeds geoordeeld dat het betalen van een beloning aan een tipgever, waarvan bekend is dat deze het bewijsmateriaal strafrechtelijk onrechtmatig heeft verkregen, ook de verkrijging door de overheid fiscaal onrechtmatig kan maken.7 Wel heeft de Hoge Raad in het tweede tipgeversarrest overwogen – zij het in een ander kader – dat het betalen van een beloning aan een tipgever op zichzelf valt te rechtvaardigen, omdat met de daardoor verkregen gegevens een overheidstaak kan worden vervuld. Zelfs als de rechter die beloning bovenmatig zou vinden, zou dat nog geen aanleiding zijn om de van de tipgever ontvangen informatie van het bewijs uit te sluiten.8