Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/6.6.3.1
6.6.3.1 Het recht van bezwaar tegen het instemmingsbesluit van DNB
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949807:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 7:2 lid 1 Awb: “Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.” Op grond van lid 2 moet het bestuursorgaan daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte stellen alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
In hoofdstuk 10.4 zal één van mijn aanbevelingen overigens zijn, dat DNB degene die op grond van art. 3:119 lid 1 Wft verzet aantekent tegen het instemmingsbesluit altijd in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Indien DNB degene die op grond van de Awb bezwaar heeft gemaakt tegen het instemmingsbesluit van DNB in de gelegenheid moet stellen zijn bezwaarschrift mondeling toe te lichten, dan zie ik niet in waarom “een fase eerder” (dus: voorafgaand aan het nemen van het instemmingsbesluit) niet hetzelfde zou kunnen gelden ten aanzien van degene die zich op grond van art. 3:119 lid 1 Wft schriftelijk heeft verzet tegen de voorgenomen portefeuilleoverdracht. Indien polishouders altijd mondeling mogen toelichten waarom zij zich schriftelijk hebben verzet, hebben zij meer reden erop te vertrouwen dat hun argumenten zijn meegewogen bij het nemen van het instemmingsbesluit.
Schreuder-Vlasblom 2017, p. 495 en 498-499.
Roth, Ondernemingsrecht 2016/48, p. 224-231; Roth, Ondernemingsrecht 2017/21, p. 139-140; Roth, Ondernemingsrecht 2018/23, p. 142-150.
Roth, Ondernemingsrecht 2016/48, p. 229; Roth, Ondernemingsrecht 2018/23, p. 148. Nuijten 2018, p. 17-22 concludeert naar aanleiding van uit publicaties, rechterlijke uitspraken en referenties bekende handhavingsbesluiten van DNB en AFM dat er een lage kans van slagen is in bezwaarprocedures. Volgens de ZBO-verantwoording 2020 van DNB, p. 82 (https://www.dnb.nl/media/35piheql/zbo-verantwoording-2020_v6.pdf) zijn in 2020 31 bezwaarprocedures afgerond, waarvan twee “(deels) gegrond/toegewezen”. Volgens die van 2021 zijn in dat jaar 44 bezwaarprocedures afgerond, waarvan zes “(deels) gegrond/toegewezen” (https://www.dnb.nl/media/1e4avatc/74441-dnb-ia_zbo-verantwoording-2021_web.pdf, p. 71). Volgens de ZBO-verantwoording 2022 van DNB (https://www.dnb.nl/media/yowdh40i/def-zbo-verantwoording-2022_web.pdf, bijlage 1, tabel 28) zijn in 2022 97 procedures afgerond, waarvan 18 “(deels) gegrond/toegewezen”. In voetnoten bij het overzicht over 2022 merkt DNB op dat van die 18 procedures er 11 “deels gegrond, deels ongegrond” zijn bevonden, en dat er in 2022 veel bezwaren zijn ingetrokken.
Of navraag hebben gedaan naar de beweegredenen voor het verzet.
Strikt genomen: het besluit op bezwaar van DNB om het instemmingsbesluit niet te herroepen.
Uit deze jurisprudentie blijkt dus dat polishouders belanghebbende zijn bij het door DNB op grond van art. 3:119 lid 4 Wft genomen instemmingsbesluit.
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter (art. 8:1 Awb). Maar degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken tegen het besluit (art. 7:1 Awb). Het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, in dit geval dus bij DNB (art. 6:4 lid 1 Awb).
Voordat DNB op het bezwaar beslist, moet zij belanghebbenden in de gelegenheid stellen te worden gehoord.1 Polishouders die bezwaar hebben gemaakt tegen het instemmingsbesluit van DNB, worden dus in de gelegenheid gesteld hun bezwaarschrift mondeling toe te lichten. Dit is de eerste keer dat zij DNB een mondelinge toelichting kunnen geven over hun bezwaren. Als zij op grond van art. 3:119 lid 1 Wft destijds verzet hebben aangetekend tegen de portefeuilleoverdracht, dan hoefden zij dat verzet niet te motiveren. DNB hoefde hen niet in de gelegenheid te stellen hun argumenten mondeling toe te lichten. Art. 3:119 Wft voorziet in de verzetprocedure niet in een hoorplicht door DNB.2
DNB moet bij het beoordelen van het bezwaar een volledige bestuurlijke heroverweging doen naar de situatie op dat moment.3
Naar aanleiding van een dergelijke heroverweging zal DNB waarschijnlijk de motivering van het primaire besluit verbeteren of aanvullen.4
Ik meen dat er letterlijk niemand te vinden zal zijn, die serieus denkt dat DNB, ook na het horen van belanghebbenden die bezwaar hebben gemaakt, en het heroverwegen van het besluit, het instemmingsbesluit voor een portefeuilleoverdracht daadwerkelijk zal herroepen.5
Hiervoor verwijs ik in de eerste plaats naar de kritiek die er in algemene zin is op dergelijke uit hoofde van het bestuursprocesrecht tegen DNB en de AFM gevoerde bezwaarprocedures.6 DNB en de AFM blijken in de praktijk maar zelden terug te komen op een eenmaal genomen besluit.7
Daarbij komt voor de toepassing van dit specifieke wettelijke regime uit de Wft dat DNB bij portefeuilleoverdrachten in beginsel door de verzetprocedure op grond van de Wft op het moment van het nemen van het instemmingsbesluit al op de hoogte kan zijn van eventuele bezwaren van polishouders. Het is goed mogelijk dat degenen die uit hoofde van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar maken tegen het op grond van art. 3:119 lid 4 Wft door DNB genomen instemmingsbesluit, ook al gebruik hebben gemaakt van hun verzetrecht op grond van art. 3:119 Wft, en een al dan niet gemotiveerd verzet hebben ingediend bij DNB. De verzetprocedure gaat immers aan het nemen van het instemmingsbesluit vooraf. Dat is een verschil met “andere” bezwaarprocedures bij DNB op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Ervan uitgaande dat de medewerkers van DNB die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van de beschikking van DNB de argumenten voor het verzet ten minste hebben gelezen,8 ligt het niet echt in de rede dat het bezwaarschrift van de desbetreffende polishouders, en de mondelinge toelichting die zij daarop geven in het kader van de bezwaarprocedure, bij DNB ineens tot zodanige bedenkingen leiden met betrekking tot de portefeuilleoverdracht, dat de beschikking wordt herroepen.
In de juridische procedures die hebben geleid tot de hiervoor genoemde uitspraken van de Rechtbank Rotterdam en het CBb heeft DNB het standpunt ingenomen dat er naast de Wft-verzetprocedure geen plaats is voor een bestuursrechtelijke procedure, omdat polishouders al gebruik hebben kunnen maken van het verzetrecht. Naar mijn mening kan dit hoogstens een argument zijn om deze bestuursrechtelijke procesgang zo te regelen dat de polishouder de bezwaarprocedure bij DNB kan overslaan. De stellingname van DNB is naar mijn mening alléén een argument om de bezwaarprocedure bij DNB niet te hoeven doorlopen, maar kan géén argument zijn om de polishouders een toetsing door de bestuursrechter te ontzeggen. Uit een oogpunt van rechtsbescherming behoort het naar mijn mening zo te zijn dat een polishouder het instemmingsbesluit van DNB9 door de bestuursrechter kan laten toetsen.