Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/3.4.2.2
3.4.2.2 De overeenkomst van aanneming van werk (artikel 7:750 BW)
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583449:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover tevens: Kortmann 1990, p. 742-743.
Art. 7A:1637b BW is bij deze gelegenheid als volgt gewijzigd: ‘De aanneming van werk van stoffelijke aard is de overeenkomst, waarbij de eene partij, de aannemer, zich verbindt, voor de andere partij, den aanbesteder, tegen eenen bepaalden prijs een bepaald werk van stoffelijke aard tot stand te brengen.’Kamerstukken I 1988/89, 17896, nr. 231, p. 16 (Nader gewijzigd voorstel van wet).
Hier is aangesloten bij het voorstel uit het Voorontwerp, waarin de volgende definitiebepaling werd voorgesteld: ‘Aanneming van werk is de overeenkomst waarbij de ene partij, de aannemer, zich jegens de andere partij, de aanbesteder, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen tegen een door de aanbesteder te betalen prijs in geld.’ Meijers & De Jong 1972 (Voorontwerp NBW vierde gedeelte: tekst), p. 316 e.v. In 1995 werd de zinsnede ‘van stoffelijke aard’ in het eerste deel van art. 7A:1637b BW geschrapt, zodat deze zinsnede niet langer twee maal in dezelfde wetsbepaling voorkwam. Art. 7A:1637b BW luidde sindsdien: ‘De aanneming van werk is de overeenkomst, waarbij de eene partij, de aannemer, zich verbindt, voor de andere partij, den aanbesteder, tegen eenen bepaalden prijs een bepaald werk van stoffelijke aard tot stand te brengen.’; Stb. 1995, 227.
Zie verder: paragraaf 4.3.1.
Stb. 1996, 406, p 27, zie tevens Kamerstukken I 1995/96, 23438, nr. 193, p. 27 en Kamerstukken I 1995/96, 23438, nr. 193a.
Bovendien sloot de uiteindelijk gekozen terminologie aan bij de terminologie in het ontwerp-Benelux-overeenkomst inzake aanneming van werk (1981), zie Kamerstukken II 1992/93, 23095, nr. 3, p. 14 (Memorie van Toelichting). Het feit dat deze term ook wordt gebezigd in het kader van de overeenkomst van opdracht, woog volgens de wetgever niet op tegen het feit dat deze term in de praktijk nu eenmaal het meest gebruikelijk was voor het aanduiden van de wederpartij van de aannemer, zie Kamerstukken II 1995/96, 23095, nr. 5, p. 16 (Memorie van Antwoord).
Dit betekende meer concreet dat de aannemer het werk overeenkomstig de inhoud en strekking van de overeenkomst aan de opdrachtgever ter beschikking moest stellen na voltooiing van het werk. In de parlementaire geschiedenis is in dit verband opgemerkt dat de verplichting tot het opleveren van het werk aan de definitie van de aannemingsovereenkomst is toegevoegd met het oog op (huidig) art. 7:758 BW, waarin regels zijn opgenomen omtrent het risico en de aansprakelijkheid voor het tot stand gebrachte werk en waarin een en ander met name afhankelijk wordt gesteld van de oplevering. Zie nader: Kamerstukken II 1992/93, 23095, nr. 3, p. 17 en p. 27-28 (Memorie van Toelichting). De definitie van aanneming van werk luidde: ‘Aanneming van werk is de overeenkomst waarbij de ene partij, de aannemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld.’; Stb. 2003, 238 en Stb. 2003, 239.
Kamerstukken II 1992/93, 23095, nr. 3, p. 17 (Memorie van Toelichting). Evenals bij de totstandkoming van het BW 1909 is vermeld, is in de parlementaire geschiedenis benadrukt dat daartoe niet vereist is dat deze prijs bij aanvang van de overeenkomst reeds is bepaald. In gevallen waarin er niets over de prijs was afgesproken, zou aan de hand van de omstandigheden moeten worden bepaald of partijen de bedoeling hadden een vergoeding overeen te komen. Een wettelijke regeling ten aanzien van het vaststellen van de prijs leek dan ook niet noodzakelijk.
Kamerstukken II 1992/93, 23095, nr. 3, p. 18 (Memorie van Toelichting).
Meijers & De Jong 1972 (Voorontwerp NBW vierde gedeelte: toelichting), p. 1062-1063. De regeling inzake aanneming van werk bestaat grotendeels uit regelend recht: slechts art. 7:755 BW (prijs bij meerwerk) en art. 7:761 lid 2 BW (aansprakelijkheid voor bij de aannemer bekende verborgen gebreken) kennen een dwingendrechtelijk karakter. De wettelijke regeling zou voor het overige terzijde kunnen worden gesteld door regelingen als de Uniforme Administratieve Voorwaarden (UAV) (voluit: Besluit vaststelling Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken, waarvan de meest recente versie dateert uit 2012). Voor Kortmann was dit gegeven overigens reden om zich af te vragen in hoeverre een specifieke regeling inzake de aanneming van werk nodig zou zijn. Volgens hem kon de regeling omtrent aanneming van werk evengoed worden opgenomen binnen de regeling omtrent de overeenkomst van opdracht – hier zouden volgens Kortmann zelfs ‘onmiskenbaar voordelen’ aan verbonden. Voor de aanneming in de bouw kon volgens Kortmann voorts een standaardregeling in de zin van art. 6:214 BW worden vastgesteld, al zag hij hier zelfs niet de noodzaak van in, nu er ook binnen de bouw grote verschillen zijn voor wat betreft de grootte en de aard van bouwwerken. Zie voor een pleidooi voor de introductie van algemene voorwaarden in het arbeidsrecht: De Laat 2016.
De definitie van de overeenkomst van aanneming van werk is bij de inwerkingtreding van het NBW op diverse punten aangepast.1 Een groot deel van deze wijzigingen is reeds ingevoerd voordat de nieuwe regeling omtrent aanneming van werk in 2003 (volledig) in werking trad. Zo is in 1992 aan artikel 7A:1637b BW toegevoegd dat deze overeenkomst op een werk van stoffelijke aard moest zien.2 Deze zinsnede werd in 1993 toegevoegd in verband met de inwerkingtreding van de regeling omtrent de overeenkomst van opdracht, waarin (al) was opgenomen dat de opdrachtovereenkomst niet zag op werkzaamheden strekkende tot het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard.3 Het begrip ‘van stoffelijke aard’ moet ruim worden uitgelegd. Dit begrip strekt zich niet enkel uit tot bouwwerken, maar ook tot andere werken van stoffelijke aard. Zo heeft de wetgever bijvoorbeeld bedoeld ook het wassen of stomen van kleding en de reparatie van gebruiksvoorwerpen onder de regeling inzake aanneming van werk te scharen. Hierin ligt voorts besloten dat de regeling inzake de overeenkomst van aanneming van werk niet alleen ziet op de totstandkoming van een werk van stoffelijke aard, maar ook op de wijziging daarvan.4
In 1997 werd – gelijktijdig met de inwerkingtreding van de wettelijke regeling inzake de arbeidsovereenkomst – de definitie van de overeenkomst van aanneming van werk ondergebracht in artikel 7A:1639 BW. Bij die gelegenheid is de tekst van dit artikel ook taalkundig gemoderniseerd, waarna dit artikel als volgt kwam te luiden:
‘De aanneming van werk is de overeenkomst waarbij de ene partij, de aannemer, zich verbindt voor de andere partij, de aanbesteder, tegen een bepaalde prijs een bepaald werk van stoffelijke aard tot stand te brengen.’5
Toen de regeling rondom aanneming van werk in 2003 volledig in werking trad, is de definitiebepaling wederom gewijzigd. Het nieuwe (en huidige) artikel 7:750 BW luidt:
‘Aanneming van werk is de overeenkomst waarbij de ene partij, de aannemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld.’
In de uiteindelijke wettekst wordt niet langer gesproken van de ‘aanbesteder’ maar van de ‘opdrachtgever’. De term ‘aanbesteder’ werd in de praktijk veelal gebruikt om een partij aan te duiden die enkel nog het voornemen had een werk aan een aannemer op te dragen, zodat deze term in het kader van de aannemingsovereenkomst niet passend werd geacht. De term ‘opdrachtgever’ sloot beter aan bij het reguliere dagelijkse spraakgebruik.6 Daarnaast is in de uiteindelijke definitie van de overeenkomst van aanneming van werk opgenomen dat de aannemer het werk van stoffelijke aard tot stand dient te brengen en dient op te leveren.7 Tevens is aan artikel 7:750 BW toegevoegd dat de opdrachtgever aan de aannemer een ‘prijs in geld’ dient te betalen.8 De regeling in het NBW schrijft – net als de regeling in het BW 1909 – niet voor dat de aannemer het werk persoonlijk tot stand dient te brengen. Sterker nog: in artikel 7:751 BW is expliciet opgenomen dat de aannemer bevoegd is het werk door anderen te doen uitvoeren. In het Voorontwerp is over deze bepaling opgemerkt dat een dergelijke bepaling ook past binnen de ‘moderne maatschappij’.9
Hoewel de term ‘aanneming van werk’ in het NBW is behouden, heeft hierover aanvankelijk nog wel enige discussie bestaan. In het gewone spraakgebruik werd deze term vrijwel uitsluitend gebezigd om de totstandbrenging van bouwwerken aan te duiden, terwijl de regeling omtrent aanneming van werk een ruimer bereik had. Hierdoor rees de vraag of een nieuwe term voor deze regeling moest worden geïntroduceerd, die (in het gewone spraakgebruik) de lading beter dekte. De term ‘aanneming van werk’ is uiteindelijk toch behouden, nu men niet wilde breken met de bestaande juridische traditie, alsmede vanwege een gebrek aan een andere overkoepelende term. Wel is nog overwogen om in de nieuwe titel een speciale regeling op te nemen voor overeenkomsten strekkende tot de totstandkoming van bouwwerken, waarbij vervolgens nog een onderscheid kon worden gemaakt tussen bouwwerken die ‘onder directie’ van een deskundige (zoals een architect of ingenieur) tot stand werden gebracht, en bouwwerken waarbij dat niet het geval was. Vanwege de beperkte praktische relevantie van een dergelijke specifieke regeling, kon dit voorstel echter op weinig steun rekenen. Naast het feit dat een specifieke regeling slechts een beperkt aantal onderwerpen zou raken, gold bovendien dat een dergelijke regeling in de praktijk terzijde zou kunnen worden gesteld door de toepassing van (gestandaardiseerde) algemene voorwaarden.10