Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/2.4
2.4 Burgerschap in de Renaissance: de teloorgang en de wedergeboorte
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181133:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Romeinen 13:1-7 “1 Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd. 2 Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen. 3 Want de oversten zijn niet tot een vreze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben; 4 Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet. 5 Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wil. 6 Want daarom betaalt gij ook schattingen; want zij zijn dienaars van God, in ditzelve geduriglijk bezig zijnde. 7 Zo geeft dan een iegelijk, wat gij schuldig zijt; schatting, dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreze, dien gij de vreze, eer, dien gij de eer schuldig zijt.”
K. Jupp, ‘European Feudalism from its Emergence through its Decline’, American Journal of Economics and Sociology, vol. 59, issue 5, 2000; Peter Heather, The Fall of the Roman Empire. A New History of Rome and the Barbarians, Oxford: Oxford University Press 2005.
Zie ook: J.H.A. Lokin & W.J. Zwalve, Hoofdstukken uit de Europese codificatiegeschiedenis (tweede druk), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 1992, p. 345.
Ibid. In het Latijn worden de verplichtingen van de vazal jegens de leenheer samengevat met auxilium et consiliuum, hetgeen staat voor ‘raad en daad’.
Ibid.
Ibid.
Zoals uit de vorige paragraaf blijkt, werd in de christelijk-theologische literatuur een antwoord gegeven op de vraag hoe het duale burgerschap – het aardse burgerschap enerzijds en het christelijke burgerschap anderzijds – kon worden verklaard. De heilige Johannes Chrysostomos en later uitgebreider Augustinus koppelden beide typen burgerschap aan elkaar door vast te stellen dat alle macht, ook de macht op aarde, afkomstig is van God. Op grond daarvan stelden zij, en andere christelijk-theologische auteurs met hen, dat óók christelijke burgers zich dienden te houden aan de verplichtingen die voortvloeien uit het aardse burgerschap.1 De loyaliteit jegens de aardse rechtsorde en jegens God werd derhalve enigszins gemitigeerd door de genoemde pogingen om deze typen burgerschap te verzoenen met elkaar. Het vraagstuk naar de loyaliteit van de burger jegens de aardse rechtsorde, aards burgerschap dus, raakte daarbij enigszins op de achtergrond. Het toonbeeld van de goede burger volgens het christendom was immers, zoals uiteengezet in de vorige paragraaf, de geïsoleerde monnik die in alle rust zich volledig wijdde aan God. Hoewel Augustinus de burger van de Stad van God trachtte te verenigen met de aardse rechtsorde door te stellen dat ook de macht op aarde afgedaald is van God, was actieve participatie in de samenleving voor hem geen voorvereiste om een christen te zijn.
Een andere reden waarom het verschijnsel burgerschap uit het oog raakte, is de opkomst van het feodale stelsel na de val van het West-Romeinse Rijk in 476. Het West-Europese vasteland verkeerde na de ineenstorting van het West-Romeinse Rijk in onzekerheid, omdat de opkomende staatsstructuren na de val niet effectief waren.2 Het kwam regelmatig voor dat een potentaat zich een bepaald grondgebied toe-eigende, met als gevolg dat de toenmalige eigenaar, een burger, zonder rechtsmiddelen werd onteigend.3 Er heerste aldus maatschappelijke onzekerheid in de samenleving. Een mogelijkheid voor de burger om dergelijke abrupte onteigeningen te voorkomen was het aangaan van een constructie met een machtige leenheer ter bescherming van onder andere zijn eigendom. Deze constructie, bekend onder de noemer ‘vazalliteit’, hield in dat de gewone burger, de vazal, een eed van trouw aflegde jegens zijn leenheer die verschillende rechten en verplichtingen met zich bracht. Verplichtingen in de verhouding vazal/leenheer waren met name trouw en gehoorzaamheid.4 De leenheer had ook verplichtingen jegens de vazal. Zo was hij verplicht alle mogelijke bescherming te verlenen aan zijn vazal. Daarnaast stelde hij een stuk grond aan hem beschikbaar. Deze verlening van het leen – het zogenoemde beneficium – zorgde er niet voor dat de eigendom van de grond werd overgedragen aan de vazal.5 De vazal verkreeg louter een gebruiksrecht. De verspreiding van vazalliteit in West-Europa na de val van het West-Romeinse Rijk wordt in de literatuur toegeschreven aan het falen van de overheid om de eigen burgers op een voldoende niveau te beschermen.6 Het ontbreken van deze overheidsbescherming had tot gevolg dat van onderop zich een systeem ontwikkelde dat zich kenmerkte door een rechtsverhouding tussen twee burgers. Tussen burgers onderling ontstond een verhouding die vergelijkbaar was met die zoals beschreven in de paragraaf 2.2 (‘De geboorte van burgerschap in de Griekse poleis’) tussen de polis en de burger van de desbetreffende polis. In die rechtsverhouding tussen de polis en de burger komen immers elementen voor van bijvoorbeeld loyaliteit, gehoorzaamheid, militaire bijdrage en bescherming van de zijde van de polis. Ook de verhouding tussen de leenheer en de vazal vertoont dergelijke elementen. Een gevolg hiervan was dat de rechtsrelatie die burgerschap met zich brengt tussen de rechtsorde en zijn burger zich verplaatste naar burgers onderling die een vergelijkbaar partnerschap met elkaar aangingen. Het was het falen van de vroegmiddeleeuwse overheid, zo kan worden gesteld, dat ervoor zorgde dat de rechtsrelatie tussen de rechtsorde en de burger gedurende deze tijd in beginsel als zo goed als verdwenen kon worden beschouwd.
Tot aan de veertiende eeuw bleef de rechtsverhouding tussen een rechtsorde en zijn burger om de hiervoor genoemde redenen nagenoeg onzichtbaar. Hierin kwam verandering als gevolg van het ontstaan van een beweging in Italië die gericht was op een herwaardering van de gedachtevorming van de oude meesters uit de klassieke oudheid. In de volgende paragraaf wordt stilgestaan bij het belang van het humanisme in Italië voor de wedergeboorte van burgerschap.
2.4.1 De renaissance van burgerschap: het humanisme2.4.2 Middeleeuwse visies op burgerschap: Marsilius, Bartolus en Baldus2.4.3 De burger in een wankelend Europa: Guicciardini en Machiavelli