Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/6.3.2
6.3.2 Bevoegdheden en plichten
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708397:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitgebreider paragraaf 4.4.
Molengraaff 1914, p. 360-361.
Gispen & Van Gangelen 2008, p. 511.
De mogelijkheid om een beslissing in te roepen op grond van artikel 79 Fw staat niet in de weg aan een artikel 69-verzoek, zie Gispen 2009, p. 64.
Zie hierover in verband met artikel 79 Fw ook Verstijlen, GS Faillissementswet, art. 79 Fw, aant. 4 (laatst bijgewerkt: 14 november 2021).
In artikel 73 lid 1 Fw ging het tot 1 oktober 2022 over ‘de commissie uit hun midden’, waarbij ‘hun’ verwijst naar de schuldeisers. Omdat dit in de WMF over het hoofd is gezien, is ‘de commissie uit hun midden’ op 1 oktober 2022 vervangen door ‘de schuldeiserscommissie’ (Stb. 2022, 345). Een dergelijke technische wijziging is ook in een aantal andere artikelen doorgevoerd.
HR 4 februari 2000, NJ 2000/257.
Rechtbank Utrecht 7 juli 1999, JOR 1999/187, r.o. 2.7.
Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet modernisering faillissementsprocedure (Stb. 2018, 299) stond dit met zoveel woorden in de wet. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2016/17, 34740, nr. 3) volgt dat geen inhoudelijke wijziging van artikel 140 Fw is beoogd, zodat aangenomen mag worden dat het nog steeds een verplichting betreft.
Van der Feltz II 1896, p. 156.
Vergelijk Van Galen, TvI 2000, afl. 7.
Bevoegdheden
Een belangrijke bevoegdheid van de commissie is de bevoegdheid om inlichtingen te vragen aan de curator en de administratie die de curator voert in te zien. De curator is in beginsel verplicht gehoor te geven aan informatieverzoeken van de schuldeiserscommissie (art. 74 Fw).1 Ook (bestuurders en commissarissen van) schuldenaren zijn verplicht alle gevraagde inlichtingen te verschaffen aan de schuldeiserscommissie (art. 105 en 106 Fw). Deze informatierechten zijn als het ware prealabele rechten die de schuldeiserscommissie in staat stellen haar plichten uit te oefenen en handen en voeten te geven aan haar overige bevoegdheden.
De leden van de voorlopige schuldeiserscommissie hebben de bevoegdheid aanwezig te zijn bij de boedelbeschrijving (art. 94 lid 3 Fw). Deze bevoegdheid komt specifiek toe aan leden van de voorlopige commissie, omdat de boedelbeschrijving naar de aard der zaak plaatsvindt voordat een verificatievergadering wordt gehouden.2 Waarom de leden van de schuldeiserscommissie de bevoegdheid hebben gekregen aanwezig te zijn bij de boedelbeschrijving volgt niet uit de wetsgeschiedenis. Een mogelijke reden is dat de commissie de curator beter kan adviseren als haar leden aanwezig zijn bij de boedelbeschrijving. Molengraaff ziet onder meer de bevoegdheid aanwezig te zijn bij de boedelbeschrijving echter niet als onderdeel van de advisering.3 Dat ligt ook niet voor de hand, omdat de commissie ook zonder aanwezigheid van haar leden bij de beschrijving kennis kan nemen van het resultaat. Het ligt daarom meer voor de hand dat het doel van de aanwezigheid bij de boedelbeschrijving is het uitoefenen van toezicht op de curator.
Een belangrijke bevoegdheid van de schuldeiserscommissie om invloed uit te oefenen op de afwikkeling van het faillissement is het geven van advies aan de curator. De curator is verplicht voor belangrijke beslissingen advies te vragen aan de schuldeiserscommissie. Dergelijke belangrijke beslissingen zijn bijvoorbeeld het optreden in rechte, het voortzetten van het bedrijf van de gefailleerde, de wijze waarop de boedel wordt vereffend (art. 78 lid 1 Fw) en het aangaan van schikkingen (art. 104 Fw). De commissie kan ook ongevraagd advies geven.4 De curator is niet gebonden aan het advies van de commissie, maar moet wel een wachttermijn van drie dagen in acht nemen voordat hij handelt in strijd met het advies van de commissie. Dit geeft de commissie tijd om op grond van artikel 79 Fw de beslissing van de rechter-commissaris in te roepen. De schuldeiserscommissie heeft ook de bevoegdheid het klachtrecht van artikel 69 Fw te gebruiken. Omdat hoger beroep is uitgesloten tegen beschikkingen op grond van artikel 79 Fw (art. 67 lid 1 Fw), ligt het voor de hand dat de commissie artikel 69 Fw gebruikt als grondslag om de beslissing van de rechter-commissaris in te roepen.5 Tegen een beslissing op grond van artikel 69 Fw is hoger beroep wel mogelijk.6
De Faillissementswet biedt nog een aantal andere mogelijkheden voor de schuldeiserscommissie om een verzoek te richten tot de rechter-commissaris of de rechtbank. Zo kan de commissie de rechter-commissaris verzoeken een schuldeisersvergadering te houden (art. 84 lid 1 Fw). Ook kan de commissie een verzoek indienen bij de rechtbank tot ontslag van de curator (art. 73 lid 1 Fw).7 Verder moet de rechtbank de commissie horen voordat een faillissement wordt opgeheven bij gebrek aan baten (art. 16 lid 1 Fw) en moet de commissie worden gehoord door de rechter-commissaris voordat wordt besloten tot staking van de onderneming (art. 174 lid 1 Fw). De bevoegdheid om beroep in te stellen tegen de opheffing van het faillissement komt op grond van artikel 18 Fw uitsluitend toe aan de schuldenaar en de schuldeisers en dus niet aan de schuldeiserscommissie.8 Aan de commissie is ook niet de algemene bevoegdheid toegekend rechtsvorderingen in te stellen.9 Mijns inziens kan een schuldeiserscommissie wel als belanghebbende optreden in procedures op grond van de Faillissementswet.10
Plichten
Tegenover de curator heeft de schuldeiserscommissie een adviesrecht, maar in twee gevallen heeft de commissie tegenover de schuldeisers een adviesplicht. In de eerste plaats is de commissie verplicht de (concurrente) schuldeisers te adviseren over een aangeboden akkoord (art. 140 Fw).11 In de tweede plaats moet de commissie de schuldeisersvergadering adviseren over de voortzetting van de onderneming (art. 173a lid 2 Fw). Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de sanctie van het niet nakomen van de plicht om te adviseren over het akkoord slechts ‘ligt in het plichtbesef van de genoemde personen’.12 Ook op het verzuim te adviseren over voortzetting van de onderneming rust geen sanctie.
Leden van de commissie zouden aansprakelijk gesteld kunnen worden op grond van onrechtmatige daad als verzuimd is advies te geven terwijl de commissie die verplichting wel heeft.13 Omdat onduidelijk is hoe de commissie zou hebben geadviseerd en omdat de reactie van de stemgerechtigde schuldeisers op een dergelijk advies moeilijk ingeschat kan worden, is het bijzonder lastig het causaal verband aan te tonen tussen de onrechtmatige gedraging en eventueel geleden schade.