Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.4.1.3
3.4.1.3 Slotsom
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS494935:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Alle uit Lithgow, EHRM 8 juli 1986, Serie A, 102, § 202.
Zie Le Compte, van Leuven en de Meijere, EHRM 23 juni 1981, Serie A, 43 § 57.
Zie Piersack, EHRM 1 oktober 1982, Serie A, 53 § 27.
Zie Heringa, Schokkenbroek & Van der Velde, nr. 3.6.5, p. 3.
Zie bijv. Campbell en Fell, EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80 en Belilos, EHRM 29 april 1988, Serie A, 132.
De Universal Declaration on the Independence of Justice is op 10 juni 1983 tijdens de ‘World Conference on the Independence of Justice’, gehouden in Montreal (Canada) aangenomen door de aanwezige gedelegeerden, ter ondersteuning van speciaal rapporteur L.M. Singhvi bij zijn onderzoek voor de VN-subcommissie ‘Prevention of Discrimination and Protection of Minorities’, E.CN.4/Sub.2/1985/18/Add.6, p. 1-18; zie ook Centre for the Independence of Judges and Lawyers Bulletin, no. 12.
Zie in dezelfde zin M. Kuijer & P. Mendelts, ‘Een vorstelijk dispuut’, NJCM-Bulletin 2000, p. 1226-1227, annotatie bij Wille, EHRM 28 oktober 1999, appl. nr. 28396/95. Deze conclusie staven ze op Albert en Le Compte, EHRM 10 februari 1983, Serie A, 58, § 32; Campbell en Fell, EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80, § 79; Sramek, EHRM 22 oktober 1984, Serie A, 84, § 38; Belilos, EHRM 29 april 1988, Serie A, 132, § 66; Sutter, ECRM 1 maart 1979, D&R 16, p. 166; Mitap & Müftüoglu, ECRM 10 oktober 1991, D&R 72, p. 169; Hazar, Hazar & Acik, ECRM 11 oktober 1991, Yb.ECHR34, p. 122; Ciraklar, ECRM 19 januari 1995, D&R 80, p. 46; Kopp t. Zwitserland, ECRM 12 april 1996, niet gepubliceerde ontvankelijkheidsbeslissing.
Het Comité bestaat uit de ministers van buitenlandse zaken van alle lidstaten van de Raad van Europa. Het dagelijkse werk van het Comité wordt doorgaans uitgevoerd door de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten in Straatsburg (diplomaten). Zie <www.coe.int/t/cm/aboutCM_en.asp>
Zie ook Kuijer & Mendelts 2000, p. 1227.
Wel hebben zowel het Hof als individuele rechters in dissenting en concurring opinions, enkele malen verwezen naar andere aanbevelingen van het Comité van Ministers. Zie Kuijer 2004, p. 213, voetnoot 29.
Het Hof spreekt geen voorkeur uit voor een bepaald benoemings- of verkiezingssysteem. In veel van de besproken zaken zijn er extra omstandigheden aan te wijzen, waaruit blijkt dat de benoemingsprocedure van rechters met enige waarborgen is omkleed. Enkele gesignaleerde waarborgen zijn: het gezamenlijk opstellen van (objectieve) selectiecriteria; het inwinnen van de mening van derden (vertegenwoordigers van groeperingen); eensgezindheid over de benoeming bij verschillende groeperingen1; een paritaire samenstelling van een rechtscollege2; strenge regels inzake de benoeming van juryleden.3 Enkele van deze waarborgen zien overigens evenzeer op de onpartijdigheid als op de onafhankelijkheid. Hieruit zou men kunnen afleiden dat het Hof een benoeming door de executieve pas dan geoorloofd acht als dergelijke extra waarborgen aanwezig zijn,4 maar zeker is dat niet, aangezien er ook zaken zijn waarin benoeming van rechters door het bestuur nagenoeg ongemotiveerd wordt aanvaard.5
De minimale conclusie die uit de jurisprudentie valt af te leiden, is dat in principe elke benoemingswijze geoorloofd is, zolang er ten minste waarborgen bestaan tegen een benoeming op oneigenlijke gronden (improper motives); een algemeen criterium tegen willekeur, zoals de Commissie ook al overwoog in de zaak Zand. Het is dus van belang dat er objectieve benoemingscriteria zijn. Dit belang is ook terug te vinden als beginsel in de Universal Declaration on the Independence of Justice6 en in aanbeveling R 94 (12) van het Comité van Ministers:
Universal Declaration on the Independence of Justice, article 2.14:
There is no single proper method of judicial selection but the method chosen should provide safeguards against judicial appointments for improper motives;
Participation in judicial appointments by the Executive or Legislature is consis-tent with judicial independence so long as appointments of judges are made in consul-tation with members of the judiciary and the legal profession or by a body in which members of the judiciary and the legal profession participate.’
R 94 (12), principle I lid 2 onder c:
‘All decisions concerning the professional career of judges should be based on objective criteria, and the selection and career of judges should be based on merit, having regard to qualifications, integrity, ability and efficiency. (…)’
Leden van de rechterlijke macht en de juridische beroepsgroep, of een vertegenwoordigend lichaam daarvan, moeten volgens beginsel 2.14 een rol hebben bij rechtersbenoemingen door het bestuur of de wetgever. Het is aannemelijk dat een dergelijke rol voor de rechterlijke macht (2.14 b) al direct een uitwerking is van een waarborg in de zin van 2.14 (a). Een andere waarborg kan gelegen zijn in het bestaan van objectieve en transparante selectiecriteria.
Bovenal geldt dat in zaken waar het Hof bij benoeming door een orgaan van de executieve geen schending van artikel 6 EVRM aannam, niet alleen de benoemingsprocedure zelf met enige waarborgen was omkleed, maar er zijns inziens voldoende andere (wettelijke) waarborgen waren voor een onafhankelijke functie-uitoefening. Voorbeelden daarvan zijn de bovengenoemde zaken Campbell en Fell en Belilos. Omgekeerd geldt eveneens dat in zaken waar het Hof bij benoeming door een orgaan van de executieve wel schending van artikel 6 EVRM aannam, er altijd extra factoren aanwezig waren die mede twijfel konden doen rijzen aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie. Voorbeelden daarvan zijn de bovengenoemde zaken over de Turkse krijgsgerechten en Lauko. Het Hof lijkt derhalve de functionele onafhankelijkheid voorop te stellen. Zolang die is gewaarborgd, zal artikel 6 EVRM niet snel geschonden zijn.7
Aanbeveling R 94 (12) van het Comité van Ministers wijkt af van het door het Hof aangehangen standpunt ten aanzien van benoeming van rechters door de uitvoerende macht:
Principle I lid 2 onder c:
‘(…) The authority taking the decisions on the selection and career of judges should be independent of the government and the administration. In order to safeguard its independence, rules should ensure that, for instance, its members are selected by the judiciary and that the authority decides itself on its procedural rules.
However, where the constitutional or legal provisions and traditions allow judges to be appointed by the government, there should be guarantees to ensure that the procedures to appoint judges are transparent and independent in practice and that the decisions will not be influenced by any reasons other than those related to the objective criteria mentioned above. These guarantees could be, for example, one or more of the following:
a special independent and competent body to give the government advice which it follows in practice; or
the rights for an individual to appeal against a decision to an independent authority; or
the authority which makes the decision safeguards against undue or improper influences.’
Het is niet duidelijk of deze aanbeveling ten principale ziet op de selectie van kandidaat-rechters of op de benoeming van rechters. In ieder geval spreekt het Comité hier een voorkeur uit voor betrokkenheid bij de selectie en/of benoeming van rechters door een van de regering onafhankelijke instantie. Met het oog daarop is het enkele argument van het Hof dat rechterlijke benoemingen door het bestuur een veelvoorkomend verschijnsel in de lidstaten zijn en mede daarom niet in strijd met het vereiste van onafhankelijkheid, opvallend. Het mag dan een veel voorkomende traditie zijn, de lidstaten zelf hebben via deze aanbeveling inmiddels duidelijk gemaakt het bij voorkeur anders te zien.8 Het is de vraag in hoeverre dit politieke oordeel van de lidstaten vanaf 1994 de houding van het Hof ten opzichte van de benoemingswijze van rechters heeft beïnvloed, of zal beïnvloeden in toekomstige zaken.9 Feit is dat het Hof sinds 1994 geen uitspraak heeft gedaan waarin het expliciet verwijst naar deze aanbeveling.10 Evenmin lijkt het Hof naar aanleiding van de aanbeveling een strenger standpunt te hebben ingenomen ten aanzien van rechterlijke benoemingen door het bestuur. De aanbeveling geeft het Hof natuurlijk ook die ruimte door zelf te verwijzen naar de traditie van de lidstaten in de tweede alinea van principle I, lid 2 onder c: benoeming door de regering is eveneens aanvaardbaar, mits er extra waarborgen aanwezig zijn. Maar die extra waarborgen zoekt het Hof doorgaans niet binnen de benoemingsprocedure, maar in andere elementen van de onafhankelijkheid, zoals garanties tegen druk van buitenaf.