De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.6.2:II.5.6.2 Tijdstip indiening of aanhangigmaking
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.6.2
II.5.6.2 Tijdstip indiening of aanhangigmaking
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285024:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 3, par. 8.
Zie hoofdstuk 6, par. 4.
Handelingen II 2017/18, 40, item 12, p. 5.
Handelingen II 2017/18, 40, item 12, p. 17.
Zie hoofdstuk 6, par. 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 137 lid 4 Gw schrijft voor dat beide kamers het voorstel overwegen. De gebruikelijke interpretatie van deze bepaling houdt in dat de indiening of aanhangigmaking in tweede lezing verplicht is.1 De Grondwet schrijft echter niet voor wanneer de indiening of aanhangigmaking moet plaatsvinden. Dit punt leidde in januari 2017 tot discussie. Kortgezegd kwam deze discussie er op neer dat de aanvankelijke initiatiefnemers het voorstel ter invoering van een correctief referendum niet aanhangig maakten of wilden maken in de tweede lezing.
Artikel 137 lid 1 Gw stelt dat de wet verklaart dat een verandering van de Grondwet in overweging zal worden genomen. Deze verplichting wringt met de situatie dat er niet veel animo meer was (bij de initiatiefnemende partijen) in de Tweede Kamer voor het voorstel. Van Raak (SP) maakte in mei 2017 het voorstel aanhangig, waardoor aan deze verplichting werd voldaan.2 Wat was er gebeurd als Van Raak dit niet had gedaan? Het antwoord op die vraag is onduidelijk. Een tweede lezing had dus even goed kunnen uitblijven. Oplossingen ter voorkoming van deze onduidelijkheid komen aan bod in hoofdstuk 6.3
Minder dubieus was de late aanhangigmaking van het voorstel over de deconstitutionalisering van de kroonbenoeming van de burgemeester. Het Kamerlid Jetten (D66) maakte dit voorstel op 4 mei 2017 aanhangig. De nieuwe Tweede Kamer was reeds op 23 maart 2017 geïnstalleerd. Hiertussen zat een tijdsbestek van anderhalve maand. De Raad van State uitte kritiek met betrekking tot het moment dat het wetsvoorstel aanhangig is gemaakt. De Raad van State gaf het volgende aan:
‘Bij initiatiefwetsvoorstellen tot wijziging van de Grondwet worden ten behoeve van een tijdige indiening van de tweede lezing afspraken gemaakt tussen regering en het initierende lid van de Tweede Kamer over de procedure betreffende de tweede lezing. […;TvG] Ook bij het voorliggend voorstel zijn dergelijke afspraken gemaakt. Daarbij is onder meer met de initiatiefnemer afgesproken:
dat het initiatiefwetsvoorstel zo spoedig mogelijk na het besluit tot ontbinding van de Tweede Kamer aanhangig wordt gemaakt en
dat de initiatiefnemer ernaar streeft de reactie op het advies van de Afdeling «zo mogelijk op de dag van eerste samenkomst van de nieuwgekozen Tweede Kamer te versturen.» […]
De Afdeling merkt op dat door het moment van indiening van het voorstel beide afspraken niet zijn gehaald. Zij benadrukt nogmaals het belang van het zodanig tijdig indienen van het voorstel tot tweede lezing dat gewaarborgd wordt dat de Tweede Kamer voldoende tijd heeft «voor het overwegen van de voorstellen» en het met het oog daarop onverwijld ter hand nemen van de behandeling van het voorliggend voorstel.
De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan.’4
De fractie van de ChristenUnie drong bij de initiatiefnemer aan om op dit punt in te gaan.5 Het antwoord van initiatiefnemer Jetten was dat hij dacht dat hij binnen de afspraken met de regering was gebleven.6
Ook hier moge het duidelijk zijn dat het nog altijd schimmig is, wanneer de indiening of aanhangigmaking moet plaatsvinden in tweede lezing. Ook hier bleek dat meer duidelijkheid moet komen, vooral omdat een overwegingsplicht geldt in tweede lezing. Op 17 januari 2018 vroegen het lid Bisschop aan de minister om de grondwetsherzieningsprocedure op dit punt grondig tegen het licht te houden. 7 Op dezelfde dag deed minister Ollongren de toezegging aan Bisschop om dat te doen.8 Op het resultaat van Ollongrens reactie kom ik in hoofdstuk 6 terug.9