Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/5.5.2
5.5.2 De rol van de paritas creditorum
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686166:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In beginsel, want hem moet ook een persoonlijk verwijt kunnen worden gemaakt. Vgl. Hoge Raad in HR 9 november 2018, NJ 2018/464 onder 3.5.4. Zie voorts (over een situatie waarbij de curator aan de verkeerde schuldeiser heeft betaald) Rb. Rotterdam 6 augustus 1998, JOR 1999/16: “Wanneer de uitdeling heeft plaatsgevonden aan een ander dan de op de uitdelingslijst voorkomende schuldeiser, wil dit niet zonder meer zeggen dat de curatoren hiervoor persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden. In het algemeen heeft te dezen te gelden dat curatoren ervan mogen uitgaan dat concurrente schuldeisers vanaf het moment van erkenning van hun vordering eigener beweging de voor een eventuele uitdeling relevante wijzigingen aan de curator melden. Dit ligt slechts anders indien de curator voor hij tot uitdeling overgaat over zodanige gegevens beschikt, dat hij op grond daarvan ernstig behoort te twijfelen of de voorgenomen uitdeling wel bij de juiste schuldeiser terecht zal komen en de curator alsdan nalaat om een en ander op juistheid te controleren.”
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden, 30 januari 2018, RI 2018/37 onder 5.14: “De curator was gebonden aan art. 3:277 BW en (het systeem van) Faillissement dat alle baten onder alle schuldeisers worden verdeeld. De rangorde van de schuldeisers en de wijze van verdeling is nauwkeurig in de wet vastgelegd. De Faillissementswet geeft regels die gevolgd moeten worden om tot verdeling te komen. In die zin kwam de curator geen beoordelingsvrijheid toe. De curator heeft niet in overeenstemming hiermee gehandeld. De curator was op de hoogte van de aanzienlijke vordering van Atropa, nu deze hem reeds uit de surseance van betaling bekend was. De curator had er zorg voor moeten dragen dat Atropa op gelijke voet als de andere concurrente schuldeisers zou meedelen in de boedel. (...) Gelet op het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat de curator een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt van het feit dat ten opzichte van Atropa de paritas creditorum ernstig is geschonden. Dit leidt tot het oordeel dat de curator zowel in hoedanigheid als in persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die Atropa als gevolg daarvan heeft geleden.”. Zie voorts: Rb. Rotterdam 24 maart 1924, W. 11210 en Rb. Utrecht 6 april 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BR0713. Zie Rb. Midden-Nederland 23 maart 2016, JOR 2016/311 voor een situatie waarbij de curator q.q. aansprakelijk is voor het niet betalen van een preferente schuldeiser.
Zie de standaardarresten HR 19 april 1996, NJ 1996/727 (Maclou/Curatoren Van Schuppen) en HR 16 december 2011, NJ 2011/515 (Prakke/Gips).
Zie Hoge Raad in HR 9 november 2018, NJ 2018/464 onder 3.5.2.: “Voor zover de faillissementscurator bij de uitoefening van zijn taak niet is gebonden aan regels, komt hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toe (zie het hiervoor in 3.5.1 genoemde arrest Prakke/Gips). Bij het gebruikmaken van die vrijheid geldt de norm van HR 19 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2047 (Maclou), te weten dat een curator, kort gezegd, behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. De curator dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend. Voor zover de curator wel is gebonden aan regels, heeft hij de hiervoor genoemde beleidsvrijheid niet. Komt hij die regels niet na, dan zal hij in beginsel op die grond persoonlijk aansprakelijk zijn jegens degenen met de belangen van wie hij bij de naleving van die regels rekening diende te houden.”
Zie paragraaf 2.6.2.
Zie nader hierover paragraaf 5.1.3.
In het kader van de hiervoor beschreven reguliere uitdelingsprocedure, vindt een verdeling van de gerealiseerde baten plaats waarbij op voorhand duidelijk is dat ook de concurrente schuldeisers betaling zullen ontvangen. De rangorde tussen de schuldeisers vloeit in het kader van deze procedure bij het doen van de uitkeringen voort uit Titel 10 Boek 3 BW. De paritas creditorum ex artikel 3:277 BW geldt hierbij als verdelingsregel die – nadat de boedelcrediteuren en de preferente crediteuren zijn voldaan –bepaalt dat het resterende actief pro rata wordt verdeeld over de concurrente schuldeisers. Dit komt onder meer tot uitdrukking in artikel 180 lid 2 Fw waarin wordt bepaald: “Voor de concurrente schuldeisers worden de door de rechter-commissaris te bepalen percenten uitgetrokken”.
De gelijkgerechtigdheid tussen de concurrente schuldeisers moet hierbij strikt in acht worden genomen. De paritas creditorum is – met betrekking tot de verdeling van het actief dat resteert nadat de boedel- en preferente schuldeisers zijn voldaan – een harde regel waarvan niet mag worden afgeweken. De curator is in beginsel1 dan ook persoonlijk aansprakelijk indien hij zich bij het doen van uitkeringen niet houdt aan deze regel.2 In een dergelijke situatie heeft de curator in beginsel niet gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht.3 Bij de persoonlijke aansprakelijkheid van een curator moet onderscheid worden gemaakt tussen de situatie dat de curator gebonden is aan regels en de situatie dat dit niet het geval is. Indien de curator gebonden is aan regels geldt een stringente toetsing.4 De in artikel 3:277 BW neergelegde paritas creditorum is in deze context een regel die hij – op straffe van in beginsel persoonlijke aansprakelijkheid – moet naleven.
Net als in het individuele executierecht5 heeft de paritas creditorum in het kader van de reguliere uitdelingsprocedure (en in geval van de opheffing bij gebrek van baten) twee functies: het bewaken van de gelijke behandeling bij de verdeling (de formele functie) en het verdelen van de netto-opbrengst, na voldoening van de kosten van de executie, naar evenredigheid van de vorderingen van de concurrente schuldeisers van de schuldenaar (de materiële functie). Iedere concurrente schuldeiser met een geverifieerde vordering wordt geplaatst op de uitdelingslijst ex artikel 180 Fw en heeft een gelijke kans bij het maken van aanspraak op de verdeling. Deze formele kansengelijkheid staat los van de verdelingsmaatstaf die wordt gehanteerd. Ex artikel 180 lid 2 Fw worden voor de concurrente schuldeisers door de rechter-commissaris te bepalen percenten uitgetrokken. Op welk percentage een concurrente schuldeisers hierbij recht heeft, wordt bepaald door de materiële functie van de paritas creditorum. Op grond van deze functie ontvangt de concurrente schuldeiser een betaling naar evenredigheid van zijn vordering.
Het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers komt tot uitdrukking in de formele functie. Aan iedere concurrente schuldeiser wordt een gelijke rang toegekend (zoals aan iedere preferente schuldeiser een rang wordt toegekend op grond van artikel 3:281 lid 1 BW). In zoverre is de paritas creditorum een formele regel die het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers uitwerkt. Het beginsel van de gelijkheid komt naar mijn mening echter niet tot uitdrukking in de materiële functie. Een betaling naar evenredigheid kan niet worden aangemerkt als een verdeling waarbij schuldeisers gelijk worden behandeld. In het laatste geval zou immers aan een iedere schuldeiser een gelijk bedrag worden uitbetaald. De evenredige verdeling zou eerder kunnen worden beschouwd als een uitwerking van het evenredigheidsbeginsel. Daarnaast geldt dat uit het formele beginsel van de gelijkheid van schuldeisers naar de aard van dit beginsel geen materiële verdelingsaanspraken kunnen voortvloeien. Procedurele rechtvaardigheid moet strikt worden onderscheiden van distributieve rechtvaardigheid. In een civiele procedure tussen twee procespartijen die strijden om de toedeling van een bepaald goed, geldt dat deze procespartijen gelijk moeten worden behandeld op grond van het artikel 19 Rv neergelegde gelijkheidsbeginsel.6 Intussen staat deze gelijke behandeling geheel los van de uitkomst van de procedure waarbij het goed aan slechts één van de twee partijen kan worden toebedeeld. Zo geldt ook dat in de faillissementsprocedure de schuldeisers gelijk moeten worden behandeld op grond van de regels die voortvloeien uit het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers (waaronder de formele functie van de paritas creditorum). Deze gelijke behandeling heeft in de faillissementsprocedure intussen niets te maken met de uitkomst van de procedure. De uitkomst wordt bepaald door de verdelingsmaatstaf, hetgeen in het geval van de paritas creditorum de betaling naar evenredigheid is.
In hoofdstuk 1 is ingegaan op de herkomst van de paritas creditorum. Hierbij is vastgesteld dat in de literatuur het standpunt wordt ingenomen dat de paritas creditorum oorspronkelijk zowel inhield dat er (1) vanaf de missio in bona (de inbeslagneming van het vermogen) geen verschil in behandeling meer mocht zijn tussen de schuldeisers alsmede dat (2) vanaf de missio in bona de schuldeisers in beginsel pondspondsgewijs betaald moeten worden. Het eerste element komt in het huidige faillissementsrecht terug in de regels waarin het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers tot uitdrukking komen. De formele functie van de paritas creditorum komt hierbij tot uitdrukking in een formele regel waarin het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers tot uitdrukking komt. Het tweede element komt in ons positieve recht terug in de in artikel 3:277 BW neergelegde verdelingsregel. De materiële functie van de paritas creditorum komt tot uitdrukking in deze verdelingsregel. Het onderlinge verband – de eenheid (de paritas creditorum waarin beide elementen samen komen), maar ook het verschil (de gelijke behandeling van schuldeisers in de procedure versus de wijze waarop de opbrengst wordt verdeeld) – tussen de regels komt aldus fraai tot uitdrukking.
Ter relativering moet ik er nog wel op wijzen dat aan de formele functie (alhoewel de naam: paritas creditorum in letterlijke zin aan deze functie refereert) in praktische zin maar beperkt betekenis toekomt. De functie heeft uitsluitend betrekking op de gelijke behandeling van schuldeisers bij de verdeling. Het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers komt in de beheerfase en in de schemerperiode tot uitdrukking in andere regels. Ook zonder de formele functie (derhalve: artikel 3:277 BW zonder de bepaling dat schuldeisers onderling een gelijk recht hebben) zouden schuldeisers bij de verdeling gelijk worden behandeld. Immers, op grond van met name artikel 26 Fw en op grond van de clausule in artikel 3:277 BW: “behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang” worden uitsluitend geverifieerde schuldeisers toegelaten tot de verdeling en worden deze schuldeisers ingedeeld in concurrente schuldeisers en overige schuldeisers, waarbij iedere concurrente schuldeiser in aanmerking komt voor een betaling naar evenredigheid. De formele functie heeft dan ook meer een symbolische dan een praktische functie. De essentie van de paritas creditorum is gelegen in de materiële functie: de evenredige verdelingsregel.