Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.8.6.7
1.8.6.7 Recht op verdediging
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM (GC) 1 maart 2006, appl.no. 56581/00 (Sejdovic/Italië), § 81: ‘Although this is not expressly mentioned in paragraph 1 of Article 6, the object and purpose of the Article taken as a whole show that a person “charged with a criminal offence” is entitled to take part in the hearing. Moreover, sub-paragraphs (c), (d) and (e) of paragraph 3 guarantee to “everyone charged with a criminal offence” the right “to defend himself in person”, “to examine or have examined witnesses” and “to have the free assistance of an interpreter if he cannot understand or speak the language used in court”, and it is difficult to see how he could exercise these rights without being present.’ Zie ook EHRM 12 februari 1985, appl.no. 9024/80 (Colozza/Italië), § 27,EHRM 23 februari 1994, appl.no. 16757/90 (Stanford/Verenigd Koninkrijk), § 26 en EHRM 28 februari 2008, appl.no. 68020/01 (Demebukov/Bulgarije), § 44. Er wordt wel gesproken van ‘the right to be heard’: EHRM 27 mei 2004, appl.no. 46549/99 (Yavuz/Oostenrijk), § 52. Zie uitgebreid Gaede 2007, p. 827-845.
EHRM 13 november 2008, appl.no. 7413/05 (Russu/Moldavië), § 26.
EHRM 24 juli 2008, appl.no. 35450/04 (Melich & Beck/Tsjechië), § 53.
EHRM 22 mei 2012, appl.no. 5826/03 (Idalov/Rusland), § 176-177.
EHRM 26 maart 1996, appl.no. 20524/92 (Doorson/Nederland), § 74: ‘the Court considers, on balance, that the Amsterdam Court of Appeal was entitled to consider that the interests of the applicant were in this respect outweighed by the need to ensure the safety of the witnesses.’ In deze zaak betrof het anonieme getuigen. In ECRM 19 oktober 1995, appl.no. 25206/94 (Hols/Nederland) rechtvaardigde het welzijn van slachtoffers van seksueel misbruik het ontzeggen van toegang tot de zittingszaal. In ECRM 16 december 1981, appl.no. 8395/78 (X/Denemarken) was de getuige, een medegedetineerde, bedreigd door de verdachte en had de appèlrechter om die reden bevolen dat de verdachte de zittingszaal moest verlaten.
EHRM 24 juli 2008, appl.no. 35450/04 (Melich & Beck/Tsjechië), § 53.
De tekst van artikel 6 lid 3 sub c EVRM spreekt duidelijk van het recht zichzelf te verdedigen, waarbij rechtsbijstand wordt genoemd als middel om dat te doen en niet als vervanging van het recht op verdediging in persoon.
ECRM 19 oktober 1995, appl.no. 25206/94 (Hols/Nederland). Zie ook de haast gelijk luidende beslissing ECRM 19 oktober 1995, appl.no. 25207/94 (Kremers/Nederland), met betrekking tot de zaak van een medeverdachte van Hols.
ECRM 16 december 1981, appl.no. 8395/78 (X/Denemarken), p. 54-55.
EHRM 12 juli 2007, appl.no. 503/05 (Kovač/Kroatië). In deze zaak was niet geklaagd over het recht op berechting in aanwezigheid.
EHRM 22 mei 2012, appl.no. 5826/03 (Idalov/Rusland), § 175-182.
EHRM 10 april 2012, appl.no. 19946/04 (Popa & Tănăsescu/Roemenië); EHRM 27 mei 2004, appl.no. 46549/99 (Yavuz/Oostenrijk); EHRM 30 juli 2009, appl.no. 20292/04 (Ananyev/Rusland).
EHRM 27 mei 2004, appl.no. 46549/99 (Yavuz/Oostenrijk), § 52.
EHRM 28 februari 2008, appl.no. 68020/01 (Demebukov/Bulgarije), in het bijzonder § 59- 60.
Het woord ‘witness’ komt in het overzicht van de feiten zelfs niet voor.
Zie daarover § 2.1.3 van hoofdstuk 3.
Er is nog een andere kwestie die het EHRM niet heeft geadresseerd. Het beslismodel van Al-Khawaja &Taheray heeft betrekking op de situatie waarin geen effectieve ondervragingsgelegenheid is geboden. Het EHRM heeft in de zaken Idalov en Yavuz kennelijk aangenomen dat die gelegenheid niet is geboden, maar dat is niet zonneklaar. In beide zaken was het twijfelachtig of de raadsman van de verdachte een voldoende ondervragingsgelegenheid had gekregen. In de zaak Idalov – waarin overigens niet expliciet uit het arrest blijkt dat de raadsman de getuigenverhoren had bijgewoond, maar dat wel aannemelijk is omdat hij ook ter zitting had gepleit – had de verdachte geprobeerd zijn raadsman te ontslaan, maar had de rechter dat ontslag geweigerd. Er kan dus worden betoogd dat de verdachte niet was bijgestaan door een raadsman, omdat het niet de raadsman van zijn eigen keuze was. Er kan echter ook goed worden verdedigd dat de verdachte geen afstand had gedaan van zijn recht op rechtsbijstand, omdat hij niet was geïnformeerd over de gevolgen van het ontslaan van zijn advocaat. In dat geval was hij – als de advocaat de getuigenverhoren inderdaad had bijgewoond – tijdens die verhoren bijgestaan door een advocaat, die de getuige vermoedelijk vragen kon stellen. In de zaak Yavuz zou kunnen worden aangenomen dat de verdediging een ondervragingsgelegenheid heeft gekregen waarvan zij geen gebruik heeft gemaakt. De raadsman was wel uitgenodigd voor de getuigenverhoren, maar kon daarbij niet aanwezig zijn. De situatie is hier anders dan in EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden), waarin de raadsman uit vrije keuze niet aanwezig was bij een georganiseerd verhoor. In de zaak Yavuz had de raadsman namelijk om uitstel van de verhoren verzocht. Mogelijk vond het EHRM dat de nationale rechter wat toegeeflijker had moeten zijn en de zitting inderdaad had moeten uitstellen. Vgl. EHRM 24 juli 2008, appl.no. 41461/02 (Romanov/Rusland), § 104, waarin het EHRM meende dat uitstel van vijf dagen wegens afwezigheid van de getuige geen onoverkomelijk obstakel zou zijn geweest en EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden), § 49, waarin het EHRM overwoog dat de advocaat had kunnen verzoeken om uitstel van een getuigenverhoor. Een verhoor waarbij de verdediging niet aanwezig kan zijn, levert mogelijk geen effectieve ondervragingsgelegenheid op. Er kunnen dus verklaringen worden gegeven waarom het EHRM kennelijk meende dat de raadsman van de verdachte geen ondervragingsgelegenheid had gehad. Het is echter onbevredigend dat het EHRM zich in beide zaken in het geheel niet heeft uitgelaten over deze kwestie.
Zie bijvoorbeeld EHRM (GC) 16 november 2010, appl.no. 926/05 (Taxquet/België), § 101- 102.
Zie daarover uitvoerig § 2.2 en 3.2 van hoofdstuk 3, § 2.4.5 en 3.5.3 van hoofdstuk 4 en § 2.6 van hoofdstuk 7.
Algemeen
Artikel 6evrm, als geheel bezien, garandeert het recht om als verdachte adequaat te participeren in het strafproces.1Artikel 6 lid 3 sub c evrm is een duidelijke uitwerking daarvan. Het geeft de verdachte het recht om zich te verdedigen. Dit betekent praktisch dat de verdachte in beginsel in de gelegenheid moet worden gesteld om bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn. In het arrest Russu overwoog het ehrm zelfs dat het recht op aanwezigheid bij de berechting besloten ligt in het ondervragingsrecht.2 Alleen in uitzonderlijke omstandigheden mag de verdachte worden uitgesloten van aanwezigheid bij een zitting.3 Zo’n uitzonderlijke omstandigheid kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een verdachte zich ernstig misdraagt4 of wanneer de belangen van getuigen moeten worden beschermd.5 De rechter zal goed moeten kunnen onderbouwen waarom de verdachte niet wordt toegelaten tot een zitting.6
Kan, mag of wil de verdachte niet zelf aanwezig zijn bij de zitting, dan moet het een advocaat worden toegestaan om zijn belangen te behartigen.7 Artikel 6 lid 3 sub c evrm geeft namelijk niet alleen het recht op verdediging, maar ook het recht om bij de verdediging te worden bijgestaan door een raadsman. Wanneer de advocaat van de verdachte de zitting mocht bijwonen, doet dat overigens vermoedelijk niet af aan het recht van de verdachte om zichzelf te verdedigen.8 De ecrm waardeerde het in twee zaken waarin goede redenen bestonden om de verdachte uit te sluiten van een getuigenverhoor, wel dat het nadeel dat de verdachte hierdoor leed was gecompenseerd, in één zaak doordat de verdachte in de gelegenheid was gesteld om het verhoor vanuit een andere ruimte te volgen via een videoverbinding9 en in een andere zaak doordat de verklaring van de getuige na afloop van het verhoor aan de verdachte werd voorgehouden.10
Relatie tussen recht op verdediging en ondervragingsrecht
Wanneer de verdachte niet aanwezig mocht zijn bij zijn berechting, kan dit tot gevolg hebben dat het ondervragingsrecht niet is gerespecteerd. De verdachte heeft dan immers geen gelegenheid gekregen om zelf getuigen te ondervragen en op die manier aan de zitting deel te nemen. In de zaak Kovaç was de verdachte verwijderd uit de zittingszaal. De rechter had een verzoek van het openbaar ministerie om de getuige – het verstandelijk gehandicapte beweerdelijke slachtoffer van een zedendelict – buiten aanwezigheid van de verdachte te horen, gehonoreerd. Omdat de verdachte geen advocaat had, kon hij zijn ondervragingsrecht niet uitoefenen. Het ehrm stelde een schending van het ondervragingsrecht vast.11
In verschillende zaken heeft het ehrm de vaststelling van een schending van het ondervragingsrecht gebaseerd op de schending van het recht op verdediging. Een voorbeeld is de zaak Idalov. Hierin had de rechter bevolen dat de verdachte uit de zittingszaal zou worden verwijderd wegens ongepast gedrag. Hij probeerde direct daarop zijn raadsman te ontslaan, maar de rechter accepteerde dat ontslag niet. Vervolgens is al het bewijsmateriaal in zijn afwezigheid aan de orde gesteld, tijdens verschillende zittingsdagen. Ook legden getuigen verklaringen af. Pas daarna kreeg de verdachte toestemming om terug te keren voor zijn laatste woord. Het ehrm oordeelde dat niet kon worden aangenomen dat de verdachte afstand had gedaan van zijn recht aanwezig te zijn. Hetwas mogelijk geweest dit gebrek in appèl te helen. In deze procedure had de verdachte echter geen mogelijkheid gehad om het bewijsmateriaal opnieuw aan de orde te laten stellen of om getuigen te ondervragen die tijdens de zitting in eerste aanleg tegen hem hadden getuigd. Artikel 6 lid 3 sub c én d evrm werden geschonden geacht.12 Dat gebeurde ook in diverse andere, vergelijkbare zaken.13
Dat in deze zaken artikel 6 lid 3 sub c evrm geschonden zou worden geacht, lag in de lijn der verwachting. Daarnaast werd echter ook het ondervragingsrecht geschonden bevonden. Dat wasminder evident. Het is opmerkelijk dat het ehrm uiterst terughoudend is geweest in het motiveren waarom het ondervragingsrecht was geschonden. Als dat recht geschonden wordt geacht, ligt het voor de hand dat daaraan ook enige woorden worden gewijd. Het enkele feit dat een verdachte niet aanwezig kon zijn bij een getuigenverhoor, rechtvaardigt in het algemeen immers niet de vaststelling van een schending van het ondervragingsrecht. Sinds het arrest Al-Khawaja & Tahery is duidelijk welke beoordelingsfactoren worden gehanteerd om tot die vaststelling te kunnen komen. Alleen in de zaak Yavuz heeft het ehrm enig inzicht gegeven in zijn beweegredenen om het ondervragingsrecht geschonden te achten. Het overwoog daarin: ‘Thus, the failure to hear the applicant before the IAP was in violation of Article 6 §§ 1 and 3 (c) of the Convention. Consequently, also Article 6 § 3 (d) has been breached as the applicant was excluded from examining witnesses.’14 De redenering is kennelijk geweest dat het ondervragingsrecht geschonden was omdat de verdachte niet zelf was gehoord. Op het eerste gezicht past deze redenering niet in het beslismodel van het ehrm. Een mogelijke uitleg is echter dat het ehrm meende dat geen goede reden had bestaan om de verdachte niet aanwezig te laten zijn bij een verhoor waarbij getuigen zouden worden gehoord. De eerste vraag die volgens het arrest Al-Khawaja & Tahery moet worden gesteld, is immers of een goede reden bestond om het ondervragingsrecht te beperken. Die reden bestond in deze zaken niet en daarom kon reeds op deze enkele grond de vaststelling van een schending van het ondervragingsrecht worden gebaseerd, ongeacht het belang van de getuigenverklaringen in kwestie.
In de zaak Demebukov nam het ehrm juist geen schending van het ondervragingsrecht aan, omdat het aan de verdachte zelf toe te rekenen was dat hij niet bij de zitting aanwezig was geweest. De verdachte had zich niet aan een restriction order gehouden, waardoor de dagvaarding niet aan hem had kunnen worden betekend.15 Het argument van de goede reden kan hier niet worden gebruikt. Wanneer een goede reden heeft bestaan voor beperking van het ondervragingsrecht, moet volgens het beslismodel immers worden onderzocht of de getuigenverklaring van beslissende betekenis was. Voor die vaststelling bevat het arrest geen enkel aanknopingspunt.16 Een andere verklaring voor de beslissing van het ehrm zou kunnen zijn dat de verdachte weliswaar een ondervragingsgelegenheid was geboden – hij mocht bij het getuigenverhoor aanwezig zijn – maar daarvan geen gebruik had gemaakt. Daarmee kan hij afstand van het ondervragingsrecht hebben gedaan. Dat is echter niet erg aannemelijk, aangezien de verdachte zich dan wel goed moet hebben gerealiseerd wat de gevolgen zouden zijn van zijn gedrag.17 Uit het arrest blijkt niet dat hij daarover is geïnformeerd. Kortom: waarom artikel 6 lid 3 sub d evrm in deze zaak expliciet niet geschonden is geacht, is onduidelijk.18
Omdat het ehrm zijn hier besproken beslissingen met betrekking tot het ondervragingsrecht niet heeft gemotiveerd, tasten wij in het duister omtrent de beweegredenen van het ehrm. Het zou de rechtszekerheid ten goede komen wanneer het ehrm schendingen van bepaalde rechten in alle gevallen zou motiveren. Het ontbreken van motivering heeft als gevolg dat de reikwijdte van het ondervragingsrecht minder helder wordt. Wanneer het ehrm een schending van artikel 6 lid 3 sub c evrm heeft vastgesteld, is het overigens ook niet meer noodzakelijk om te onderzoeken of het ondervragingsrecht is geschonden. Het ehrm kiest er dikwijls voor om een klacht over het ondervragingsrecht niet meer te bespreken wanneer een andere klacht in het kader van artikel 6 evrm al gegrond verklaard is.19 Daarvoor had het in de hier besproken zaken ook kunnen kiezen.
Het recht op rechtsbijstand
Wanneer de verdachte uit vrije wil niet aanwezig is bij de berechting, omdat hij zijn belangen door zijn raadsman wil laten behartigen, is het denkbaar dat schending van het recht op rechtsbijstand leidt tot schending van het ondervragingsrecht. Hierbij kan worden gedacht aan de uitsluiting van de advocaat van bijwoning van een getuigenverhoor zonder goede reden. Het al dan niet zijn voorzien van rechtsbijstand heeft invloed op de beoordeling of de verdachte voldoende actief is geweest in het uiten van een ondervragingswens, of een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid heeft bestaan en of voldoende compensatie is geboden.20