Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.5.4.4:10.5.4.4 Aansprakelijkheid van de schilder (2015)
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.5.4.4
10.5.4.4 Aansprakelijkheid van de schilder (2015)
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS352203:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van Bekkum gebruikte in 2015 het voorbeeld van een schilder die, in dienst van een rechtspersoon die een schildersonderneming drijft, bij een derde per ongeluk een verfpot omstoot en het parket ruïneert. Van Bekkum achtte het niet onredelijk dat dan alleen de rechtspersoon daarvoor aansprakelijk is.1 De wetgever denkt daar anders over. Op basis van het huidig recht is de onoplettendheid die leidt tot het omstoten van de verfpot naar verkeersopvattingen namelijk een normschending van de schilder zelf, waardoor deze hem persoonlijk te verwijten valt op grond van art. 6:162 BW. Hetzelfde zou gelden als de eerdergenoemde officier van justitie (zie par. 10.5.4.1) per ongeluk een verkeerde beslissing had genomen die duidelijk strijdig was met het recht. De schildersonderneming kan dáárom naast de schilder hoofdelijk worden aangesproken op grond van art. 6:170 BW. Dat het ongeluk in het maatschappelijk verkeer mede wordt gezien als een handeling van de schildersonderneming, waardoor deze ook uit eigen hoofde ex art. 6:162 BW of ex art. 6:74 BW aansprakelijk is, maakt dat niet anders.2 Dat de wetgever het wél redelijk acht dat de schilder zelf aansprakelijk blijft, is goed te begrijpen als we in het voorbeeld de normschending (‘onoplettendheid’) gelijk laten, maar de gevolgen iets anders maken. Stel dat de schilder per ongeluk een zware verfpot van een steiger boven op een geparkeerde splinternieuwe Porsche laat vallen die niet van de opdrachtgever is, maar van een derde die daar zijn laatste spaarcenten aan heeft uitgegeven. De Porsche is hierdoor total loss geraakt. De schildersonderneming is bovendien diezelfde dag in staat van faillissement verklaard waardoor de derde geen verhaal bij de schildersonderneming heeft. Zou de derde de schilder (die wellicht heel vermogend is) niet kunnen aanspreken omdat geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid, dan dient deze derde de gevolgen te dragen van de onvoorzichtigheid van de schilder. Dat was uitdrukkelijk niet de bedoeling van de wetgever, zo blijkt uit hetgeen in par. 10.2.2 is uiteengezet.