Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/4.4
4.4 Derde lijn
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362931:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Barkhuysen en Bos 2014, p. 100; Eijsden, van, 2014, onder 5.1 en Mol, de, 2012.
HvJ 18 december 1997, zaken C-286/94 (Garage Molenweide).
Barkhuysen en Bos 2014, p. 100.
Eijsden, van, 2014, onder 5.1 (nog wel aanname mogelijk derde categorie); annotatie van J.A.R. Eijsden bij HR 9 november 2018, nr. 16/02230, BNB 2019/19 (geeft aan dat twijfel bestaat over het bestaan van een derde categorie).
Mol, de, 2012, p. 13 en 33.
Conclusie A-G Bobek van 7 september 2017 in de zaak C-298/16, (Ispas), punt 32.
Het houdt de gemoederen nog flink bezig of er naast de Wachauf-lijn en de ERT-lijn nog een derde categorie zaken bestaat waarbij sprake is van het ten uitvoer brengen van het Unierecht.1 Aanleiding voor deze discussie betreft onder andere de zaak Garage Molenheide.2 Het betreft een zaak waarin het Hof van Justitie het redelijk heeft geacht dat deze onder het Unierecht zou vallen, maar niet duidelijk motiveert waarom dat zo is. Molenheide exploiteerde een garagebedrijf. Bij controle van de administratie ontstond een vermoeden dat Molenheide’s aangifte omzetbelasting onjuist en onvolledig was. Als gevolg van het vermoeden van belastingfraude werd het voor teruggaaf vatbare bedrag niet uitbetaald. De zaak betreft nationale invorderingsmaatregelen ter voorkoming van omzetbelastingfraude. Vervolgens werd de vraag opgeworpen of het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel op deze invorderingsmaatregelen van invloed kan zijn. Het Unierecht bevat geen specifieke verplichtingen met betrekking tot omzetbelastingfraude en de invordering van omzetbelasting. De nationale regeling van inhouding betreft geen uitvoering van Unierechtelijke verplichtingen. Deze zaak vertoont veel gelijkenis met de later gewezen zaak Åkerberg Fransson. In Åkerberg Fransson beslist het Hof van Justitie dat lidstaten verplicht zijn maatregelen te treffen ter waarborging van de volledige inning van de omzetbelasting en bestrijding van fraude met omzetbelasting. De zaak Garage Molenheide lijkt daarmee gewoon te vallen onder de Wachauf-lijn. Aanwijzingen voor een derde categorie zijn er, gelet op bijvoorbeeld het arrest Åkerberg Fransson, mijns inziens dan ook niet. Barkhuysen en Bos lijken wel aan te nemen dat een derde categorie bestaat, maar voegen daaraan toe dat toepassing van deze categorie niet snel wordt aanvaard.3 Van Eijsden ging eerst uit van een derde categorie, maar geeft in een latere publicatie aan dat over het bestaan van een derde categorie moet worden getwijfeld, omdat die zaken ook onder de andere categorieën kunnen worden geschaard.4 De Mol neemt geen extra categorie aan.5 A-G Bobek gaat in de conclusie bij de zaak Ispas evenmin uit van een derde categorie.6 Weliswaar benoemt de advocaat-generaal drie scenario’s maar deze drie scenario’s, passen alle drie binnen de Wachauf-en ERT-lijn.