Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/1.2.3:1.2.3 Het slachtoffer in het strafrecht
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/1.2.3
1.2.3 Het slachtoffer in het strafrecht
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200728:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een belangrijke ontwikkeling die deels los gezien moet worden van de trend naar aanscherping van het strafrecht, is de sinds de jaren 1990 toegenomen aandacht voor de positie van slachtoffers in het strafproces. Aangezien slachtoffers van criminaliteit zich in het verleden vaak aan hun lot overgelaten voelden, is hier verandering in gekomen (Terpstra, 2010: 36). Zo is de mogelijkheid gecreëerd voor slachtoffers om te kunnen aangeven te willen worden geïnformeerd over de voortgang van een strafzaak. Ook hebben slachtoffers tegenwoordig ruimere gelegenheid via het strafproces of (in overeenstemming met de gedachte van herstelrecht) na bemiddeling schade te verhalen op de dader. Sinds 2005 heeft het slachtoffer of diens nabestaande in bepaalde gevallen het recht om op de zitting een mondelinge verklaring af te leggen over de gevolgen die het betreffende misdrijf bij hem heeft teweeggebracht (Terpstra, 2010: 36; Kelk, 2013: 38-42).
Eerder bleef de rol van het slachtoffer in het strafproces beperkt tot het doen van aangifte, het afleggen van getuigenissen, het indienen van een bescheiden eis tot schadevergoeding en dergelijke. Het slachtoffer nam daarmee een bescheiden rol in, passend bij het uitgangspunt dat de overheid in de plaats van de particulier treedt om proportioneel en gebonden aan de wet te doen wat – anders dan in nood- en noodweersituaties – verboden is. Een belangrijke overweging daarbij was dat eigenrichting gemakkelijk kan leiden tot escalatie, waarmee het welzijn van de samenleving niet gediend zou zijn (Kelk, 2013: 38).