Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.14.1
4.14.1 Verplichte afwaardering van een activum op lagere bedrijfswaarde
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS346763:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 maart 1955, nr. 12 236, BNB 1955/183 met noot van M.J.H. Smeets.
In gelijke zin Hof Arnhem 9 januari 1964, nr. 403/62, BNB 1964/185: afwaardering is verplicht in het jaar waarin zich een aanmerkelijke waardedaling voordoet. Eveneens Hof Arnhem 10 oktober 1972, rolnr. 74/ 71, BNB 1973/196. Zie ook Hof Leeuwarden, 4 december 1992, nr. 533/91 MK II, FED 1993/ 327 en Hof Leeuwarden, 12 februari 1993, nr. 91/0797 MK I, V-N 1993 blz. 1794-1796.
Hof Arnhem 9 januari 1964, nr. 403/62, BNB 1964/ 185.
HR 17 april 1991, nr. 27 074, BNB 1991/ 165.
Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal, 11e druk, 1984, Van Dale Lexicografie spreekt op blz. 21 over: belangrijk, aanzienlijk, groot.
Zie in dit verband ook HR 17 april 1991, nr. 27 074, BNB 1991/ 165.
Zie Hof Arnhem 10 oktober 1972, nr. 74/ 71, BNB 1973/196.
HR 17 april 1991, nr. 27 074, BNB 1991/165.
Verplichting
De Hoge Raad spreekt het oordeel inzake de onder omstandigheden verplichte afwaardering van een activum voor het eerst uit in zijn arrest van 30 maart 19551: 'Indien effecten, welke tegen kostprijs plegen te worden gewaardeerd, al te zeer in waarde dalen, is het aanhouden van de kostprijs in strijd met goed koopmansgebruik. Alsdan dient de waardering, zo nodig met wijziging van stelsel, op bedrijfswaarde te geschieden.'2
Blijkbaar is er niet onder alle omstandigheden sprake van een verplichting tot afwaardering. Dat kan worden opgemaakt uit de jurisprudentie waarbij overigens sprake is van verschillend taalgebruik. Zo is te lezen over een 'aanmerkelijke waardedaling'3 of 'een zodanige vermindering van de bedrijfswaarde, dat een winstbepaling die met deze waardevermindering geen rekening houdt, niet meer in overeenstemming is met goed koopmansgebruik'4. Deze interpretaties laten ruimte voor situaties met verhoudingsgewijs geringe waardedalingen. Het al dan niet in aanmerking nemen van een waardedaling van een activum wordt overgelaten aan het `freies Ermessen' van de desbetreffende belanghebbende tenzij er sprake is van een aanmerkelijke waardedaling. Wanneer er nu sprake is van een aanmerkelijke5 waardedaling, laat zich moeilijk in een getalsmatig criterium uitdrukken. Toch zou voor de uitvoeringspraktijk (louter om pragmatische redenen) kunnen worden aangesloten bij een waardevermindering van meer dan 50%6 van de geactiveerde waarde van het desbetreffende activum7. Daarbij dient de kanttekening te worden geplaatst dat, indien er in absolute zin sprake is van een aanmerkelijke waardedaling, ook een percentage van 50 of lager toelaatbaar is.
Stelselwijziging
Bij een verplichting tot afwaardering kan géén sprake zijn van een stelselwijziging8. Een stelselwijziging impliceert immers een bepaalde keuzevrijheid, die bij een verplichte afwaardering niet gegeven is. Indien er uitgegaan wordt van een verplichting tot afwaardering (en een stelselwijziging daarmee niet aan de orde is), komt de gehele problematiek met betrekking tot het al dan niet gericht zijn op het behalen van incidenteel fiscaal voordeel te vervallen.
De Hoge Raad heeft dit in een arrest van 17 april 19919 bevestigd en stelt dat er sprake kan zijn van 'een zodanige vermindering van de bedrijfswaarde, dat een winstbepaling die met deze waardevermindering geen rekening houdt, niet meer in overeenstemming is met goed koopmansgebruik...'. En verder: 'Indien belanghebbende in overeenstemming met vorenvermelde regels de winst over het jaar 1984 heeft verminderd met het verschil tussen de kostprijs minus afschrijvingen en de lagere bedrijfswaarde kan niet worden gezegd dat deze handelwijze was gericht op het behalen van incidenteel fiscaal voordeel.'
In de onderhavige procedure gaat het om de overbrenging van een pand naar privé in verband met inbreng van een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma in een BV. Daarmee komt het afwaarderingsverlies ten laste van het progressief belaste inkomen en niet ten laste van de proportioneel belaste stakingswinst. In verband met het ontbreken van een stelselwijziging acht de Hoge Raad dit in casu echter geoorloofd.
De verplichte afwaardering heeft grote gevolgen voor de jaarwinstbepaling doordat het de normale regel (dat verlies mag en niet moet worden genomen op het moment dat het verlies zich voordoet) doorbreekt. Het lijkt erop alsof de Hoge Raad binnen het geheel van regels ter bepaling van de jaarwinst een rang-orderegeling toepast want uit de jurisprudentie wordt duidelijk dat bij een stelselwijziging de fiscale gevolgen daarvan zwaarder wegen dan de correcte vaststelling van de balansposities. Een stelselwijziging (ingegeven door een niet-incidenteel fiscaal voordeel) kan namelijk tot gevolg hebben dat de balansposities minder in overeenstemming zijn met de realiteit dan bij het oude stelsel het geval was. Binnen de regels van goed koopmansgebruik is deze handelwijze toegestaan, maar waar geen sprake is van een stelselwijziging (dus bij een verplichte afwaardering op lagere bedrijfswaarde) zijn de balansposities voor de Hoge Raad nu juist wel maatgevend.