Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.1.4
4.3.1.4 Geen teruggaaf van ‘art. 37-btw’
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS497758:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1 Wet OB 1968 (art. 2 lid 1 Btw-richtlijn).
Andere belastbare feiten (intracommunautaire verwervingen en invoer) laat ik buiten beschouwing. Zij vallen buiten het bestek van dit onderzoek.
Deze verschuldigdheid volgt ook uit de richtlijnpendant van art. 37 Wet OB 1968. In art. 203 Btw-richtlijn (voorheen art. 21 punt 1 sub c Zesde richtlijn), in welk licht art. 37 Wet OB 1968 moet worden uitgelegd (zie het hierna te bespreken arrest HR 4 maart 2016, BNB 2016/106), is opgenomen dat eenieder die btw op een factuur vermeldt deze btw verschuldigd wordt. ‘Art. 203-btw’ komt ter sprake in paragraaf 5.3.2.3.1.
Ik heb eerder betoogd (Germann & Heijnen 2010, paragraaf 2.1) dat uit HvJ 6 november 2003, nrs. C-78 t/m 80/02, V-N 2003/58.17 (Maria Karageorgou e.a.) valt op te maken dat art. 37 Wet OB 1968 toepassing mist als btw door een niet-ondernemer wordt gefactureerd. Toch meen ik dat bedoeld arrest in latere rechtspraak is genuanceerd en dat art. 37 Wet OB 1968 ‘gewoon’ van toepassing is op niet (als zodanig handelende) ondernemers. Deze conclusie sluit ook aan bij een grammaticale uitleg van art. 37 Wet OB 1968, waarin is opgenomen dat ‘Hij die (cursivering: BH) op een factuur melding maakt van omzetbelasting’. Hetzelfde geldt voor art. 203 Btw-richtlijn, waarin wordt gesproken over ‘(een)ieder (cursivering: BH) die [btw] op een factuur vermeldt’. Zie in dat licht uitgebreid mijn aantekening bij HR 4 maart 2016, FED 2016/58 (met aldaar opgenomen verwijzingen).
Zie bijvoorbeeld HvJ 13 december 1989, nr. C-342/87, BNB 1990/237 (Genius Holding).
Hof Amsterdam 17 maart 2009, V-N 2009/32.19.
Denk aan de acquisitiefraudeur die spookfacturen verzendt (vgl. HR 6 maart 1991, BNB 1992/219 en HR 14 september 2012, BNB 2012/278)
Zie bijvoorbeeld HvJ 18 juni 2009, nr. C-566/07, BNB 2009/291 (Stadeco), r.o. 26.
HvJ 18 juni 2009, nr. C-566/07, BNB 2009/291 (Stadeco), r.o. 26 en HvJ 11 april 2013, nr. C-138/12, V-N 2013/20.15 (Rusedespred), r.o. 24. Dit staat los van het gegeven dat ‘oneigenlijke btw’ materieel niet voor aftrek in aanmerking komt. Zie in dat verband HvJ 13 december 1989, nr. C-342/87, BNB 1990/237 (Genius Holding), r.o. 13. Gelijk: Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 3, p. 38 (MvT).
Dit uitgangspunt gold ook onder art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (tot 2017), waarin werd gesproken over teruggaaf van btw ‘ter zake van leveringen en diensten’.
Voor een beschouwing van dit arrest verwijs ik ook naar mijn aantekening in FED 2016/58.
Vgl. HR 8 februari 2008, BNB 2008/126 (met lezenswaardige conclusie van A-G Overgaauw) en HR 27 juni 2008, BNB 2008/214. Dat art. 29 Wet OB 1968 geen toepassing vindt ten aanzien van ‘art. 37-btw’ is ook gemeengoed bij de feitenrechters. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag 30 juni 2017, V-N 2017/62.2.4, Rechtbank Breda 20 december 2012, NTFR 2013/977, Hof Amsterdam 17 maart 2009, V-N 2009/32.19, Hof Den Haag 17 januari 2003, V-N 2003/29.25 en Hof Den Haag 7 februari 1990, JOB 1990/52.
Leveringen van goederen en diensten, die door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht, zijn onderworpen aan btw.1 Zolang hiervan geen sprake is, is btw-heffing niet aan de orde.2 Een uitzondering betreft art. 37 Wet OB 1968. Dit artikel schrijft voor dat degene die op een factuur melding maakt van btw, deze btw verschuldigd wordt indien deze niet reeds op grond van een andere bepaling verschuldigd is geworden. De enkele vermelding van btw (en dus niet een aan btw onderworpen handeling) maakt dat verschuldigdheid optreedt.3 Hierbij kan worden gedacht een (rechts)persoon die btw in rekening brengt, terwijl: hij of zij geen btw-ondernemer is,4 de heffing van btw is verlegd naar de afnemer,5 de prestatie geacht wordt buiten Nederland plaats te vinden, de prestatie blijkt te zijn vrijgesteld,6 er sprake is van fraude7 of simpelweg geen belastbare handeling te onderkennen valt.8 Door ‘oneigenlijke btw’ toch als verschuldigd te oormerken, wordt voorkomen dat belastinginkomsten voor de schatkist verloren gaan, aangezien het gevaar bestaat dat de ontvanger de factuur gebruikt om btw van de Belastingdienst terug te vorderen (het zogenoemde ‘gevaar voor verlies van belastinginkomsten’).9
De vraag of degene die btw op de voet van art. 37 Wet OB 1968 verschuldigd is geworden in aanmerking komt voor teruggaaf van btw op de voet van art. 29 lid 1 Wet OB 1968 bij niet-betaling van de factuur waarop de ‘art. 37-btw’ vermeld is, dient mijns inziens ontkennend te worden beantwoord. Dit standpunt kan als volgt worden beargumenteerd. Art. 29 lid 1 Wet OB 1968 bepaalt dat in de aldaar genoemde gevallen de maatstaf van heffing wordt verlaagd, hetgeen veronderstelt (sterker: vereist) dat er (aanvankelijk) een maatstaf van heffing is. En hiervoor is een aan btw onderworpen handeling vereist.10Art. 8 Wet OB 1968 bepaalt namelijk dat de maatstaf van heffing als uitgangspunt gelijk is aan het totale bedrag dat ‘ter zake van de levering of dienst’ rekening wordt gebracht.11 En dit is waar het voor de ‘art. 37-btw’ spaak loopt. Onder art. 37 Wet OB 1968 is er namelijk geen maatstaf van heffing. De btw wordt verschuldigd, vanwege de loutere vermelding daarvan op de factuur. En omdat er bij toepassing van art. 37 Wet OB 1968 geen heffingsgrondslag is, kan deze dus ook niet worden verlaagd.
In de rechtspraak wordt deze gedachte breed gedragen. Ik verwijs onder meer naar HR 23 oktober 1991, BNB 1991/357, HR 14 september 2012, BNB 2012/278 en HR 4 maart 2016, BNB 2016/10612.13 Ik citeer uit laatstgenoemd arrest:
“2.4.2. Op grond van artikel 90, lid 1, van BTW-richtlijn 2006, aan welke richtlijnbepaling met artikel 29, lid 1, van de Wet uitvoering is gegeven, wordt de maatstaf van heffing en bijgevolg het door de belastingplichtige verschuldigde btw-bedrag verlaagd wanneer de belastingplichtige de overeengekomen tegenprestatie geheel of gedeeltelijk niet ontvangt. (...) Naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, wordt in dit verband met de term ‘maatstaf van heffing’ bedoeld de maatstaf van heffing als omschreven in titel VII van BTW-richtlijn 2006, en ziet het bepaalde in artikel 90, lid 1, van BTW-richtlijn 2006, gelet op de in dit artikellid vermelde situaties, slechts op gevallen waarin een belaste levering of een belaste dienst is overeengekomen. Hiermee strookt het bepaalde in artikel 29, lid 1, van de Wet dat slechts teruggaaf wordt verleend van de belasting ter zake van leveringen en diensten. (...)”
Hoewel dit arrest handelde over art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017), twijfel ik er niet aan dat bedoelde rechtspraak onder het huidige art. 29 Wet OB 1968 onverkort van toepassing is.