Beleidsbepaling en aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/3.6:3.6 Bestuurszelfstandigheid
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/3.6
3.6 Bestuurszelfstandigheid
Documentgegevens:
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254434:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Slagter/Assink 2013, p. 993-994; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/190; Huizink, GS rechtspersonen, art. 2:239 BW, aant. 11.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het functioneren van het bestuur wordt mede bepaald door de mate van zelfstandigheid waarmee het kan opereren. Dat geldt evenzeer voor de individuele bestuurders die gezamenlijk dat orgaan vormen. Met zelfstandigheid doel ik hier op de mate waarin het bestuur autonoom ten opzichte van andere organen van de vennootschap (of leden daarvan) zijn taken kan uitoefenen en, in het verlengde daarvan, zijn bevoegdheden kan aanwenden. Deze zelfstandigheid moet mijns inziens los worden gezien van de mate waarin het bestuur door derden kan worden beïnvloed. Bij die laatste invloed kan worden gedacht aan de grip van bijvoorbeeld de financier van de vennootschap of potentiële afnemer(s) op bestuurders. Het onderscheid tussen deze binnen- en buitenstaanders is gelegen in de omstandigheid dat de binnenstaanders onderdeel zijn van de deelrechtsorde van de vennootschap en als zodanig (mede) op wettelijke en statutaire gronden invloed kunnen en soms moeten uitoefenen op het bestuur. Buitenstaanders kunnen dat slechts op contractuele of feitelijke gronden.
De beantwoording van de vraag in hoeverre het bestuur zijn taken autonoom kan uitoefenen raakt het leerstuk van beleidsbepaling in de kern. Beleidsbepaling en leidinggeven vormen de essentie van de opdracht die artikel 2:239 lid 1 BW voor het bestuur formuleert. De mate waarin het voor anderen mogelijk is om zich daarin te mengen is tegelijkertijd bepalend voor de mate van autonomie van het bestuur. Deze autonomie vormt bovendien een waarborg voor de onafhankelijke belangenbehartiging die ingevolge artikel 2:239 lid 5 aan het bestuur wordt opgedragen.1 Ik zal de zelfstandigheid van het bestuur hierna benaderen vanuit de (ontwikkeling van de) instructiebevoegdheid, als bedoeld in artikel 2:239 lid 4 BW.
3.6.1 Instructies aan het bestuur3.6.2 Ontwikkeling van de instructiebevoegdheid3.6.3 De reikwijdte van het instructierecht