Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.3.5
6.3.5 Tijdelijk karakter van invloed op uitoefening algemene opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950281:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.5.2 over het tijdelijke karakter van het algemene opschortingsrecht.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/60. Zie ook Rb. Midden-Nederland 9 augustus 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3230, r.o. 3.7.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 10 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3667, r.o. 2.4 en 2.38-2.42, waarin een opschortingsverweer gedurende een periode van bijna vijf jaren naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd was. Zie anders Rb. Overijssel 5 maart 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:4962, r.o. 2.9 (“De kantonrechter acht hierbij een opschortingstermijn van drie maanden redelijk.”). Vgl. in verband met rechtsverwerking HR 24 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2635, NJ 1998/621 (Indexering van de alimentatie), r.o. 3.4, met verwijzing naar eerdere rechtspraak. Zie bijv. Rb. Oost-Brabant (vzr.) 23 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:5706, r.o. 4.19, voor het oordeel dat tijdsverloop mede van invloed kan zijn op de vraag of tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen.
Zie bijv. ook zowel Rb. Noord-Holland 12 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:153, r.o. 4.8-4.9 als Rb. Rotterdam 22 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:13243, r.o. 4.12, waarin het ging om een niet geconcretiseerde en mogelijk nooit te concretiseren vordering van een derde op de schuldenaar, waarvoor de schuldenaar zijn wederpartij aansprakelijk hield en in verband waarmee hij een beroep op een opschortingsrecht deed.
HR 27 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0558, NJ 1992/378 (Arel/Van de Stolpe), r.o. 3.3. Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/60.
Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 205 en 207. Zie bijv. HR 7 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0951, NJ 1993/406 (Duyndam/De Kuiper), r.o. 3.4; Hof Den Haag 5 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1776, r.o. 7.3 (“Opschorting is een verweermiddel dat niet oneindig kan duren, maar op enig moment tot een juridische consequentie moet leiden. Die consequentie heeft Pure Health er echter niet aan verbonden.”); Hof ’s-Hertogenbosch 2 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1241, r.o. 3.5.3.3 (“Bovendien kan een beroep op opschorting vanwege een mogelijke (verrekenbare) tegenvordering in beginsel, bij uitblijven van verdere adequate juridische actie om die tegenvordering in rechte waar te maken, niet tot afstel met betrekking tot zijn verplichting tot betaling van de openstaande facturen leiden.”); Rb. Amsterdam 6 juli 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3793, r.o. 4.29 (“Ter zijde wordt hier opgemerkt dat het opschortingsverweer slechts tijdelijk kan worden gevoerd. Het ligt dus op de weg van Zhonghongjian om voortvarend tot de opstelling van de schadestaat over te gaan.”) en Rb. Overijssel (vzr.) 2 juli 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:2222, r.o. 4.12, waarin onder meer de omstandigheid dat de schuldenaren wisten dat hun wederpartij de meerkosten betwistte en zij hebben nagelaten om die vordering voor meerkosten aanhangig te maken, een rol speelde. Zie ook Hof Den Haag 17 november 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3088, r.o. 8.
Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 205 en 207. Zie over stelplicht en bewijslast § 7.2.2.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/60. Zie ook § 6.3.1, § 6.3.3 en § 6.3.4. Zie bijv. Rb. Amsterdam 26 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4716, r.o. 4.12 (‘rechtvaardigt een vermeende (eenmalige) schending van een mededelingsverbod niet een voortdurende opschorting’). Vgl. Lock, Schuldeisersverzuim (Mon. BW nr. B32c) 2023/51 en bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 14 juli 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:3761, r.o. 4.64.
Zie bijv. HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1779, RvdW 2021/1157, r.o. 4.2. Zie ook § 6.3.2.3.
Een op het algemene opschortingsrecht gegrond verweer is tijdelijk van aard.1 Doorgaans zal een in beginsel gerechtvaardigde uitoefening van een opschortingsrecht voor haar gehele duur zijn toegestaan, omdat aan deze uitoefening een einde kan komen door nakoming van de vordering door de wederpartij of het stellen van zekerheid daarvoor.2 Evenwel kan de uitoefening van een opschortingsbevoegdheid onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of worden, als dit verweer ‘te lang’ wordt gevoerd. De enkele omstandigheid van tijdsverloop lijkt daarvoor echter niet voldoende.3 Daarvoor zijn aanvullende omstandigheden nodig.
Uit het arrest Arel/Van de Stolpe kan worden afgeleid dat een dergelijke aanvullende omstandigheid kan zijn dat de vordering of de omvang daarvan niet voldoende vaststaat of naar verwachting niet binnen een in redelijkheid af te wachten periode komt vast te staan, terwijl de verbintenis en de omvang daarvan wel vaststaan.4 Op zichzelf was Arel bevoegd de in conventie gevorderde nakoming van zijn verbintenis tot betaling van het opdrachtloon op te schorten totdat Van de Stolpe de in reconventie gevorderde schadevergoeding zou hebben voldaan door verrekening, maar het verder voeren van dit opschortingsverweer zou in strijd met de redelijkheid en billijkheid kunnen zijn als de toewijsbaarheid van de verbintenis van Arel in conventie zou komen vast te staan voordat de toewijsbaarheid van zijn vordering in reconventie zou komen vast te staan.5
Een omstandigheid waaronder een opschortingsverweer ‘te lang’ kan worden gevoerd, kan voorts zijn dat de schuldenaar gedurende de periode van het voeren van het opschortingsverweer niet of niet voldoende voortvarend te werk is gegaan om zijn vordering op zijn wederpartij te gelde te maken.6 Een rechtvaardiging voor deze omstandigheden is gelegen in de doelmatigheid van de uitoefening van het algemene opschortingsrecht en de regel dat stelplicht en bewijslast van deze vordering op de schuldenaar rusten.7 Het is aan hem om zijn vordering te onderbouwen. Dat zijn vordering of de omvang daarvan nog niet vaststaat, behoeft niet in de weg te staan aan een opschortingsrecht.8 Dat zou na verloop van tijd dus wel in de weg kunnen gaan staan aan de bevoegdheid dit opschortingsrecht uit te oefenen.
Andere omstandigheden waardoor tijdsverloop een belemmering kan zijn voor de bevoegdheid het algemene opschortingsrecht uit te oefenen, kunnen zijn de mate van verwijtbaarheid van de tekortkoming door de wederpartij, de met een verdere opschorting gemoeide wederzijdse belangen en de processuele opstelling van de partijen.9 In geval van een voortdurende verplichting van de schuldenaar kan de omstandigheid dat de waarde van zijn verbintenis met het verstrijken van de tijd zover is opgelopen dat hij ‘per saldo’ geen vordering meer heeft op zijn wederpartij in de weg staan aan de gerechtvaardigdheid van een voortdurende opschorting.10