Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.5.4.3
7.3.5.4.3 Extrapolatie
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940322:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 maart 1995, BNB 1995/139, r.o. 3.3.
Hof Den Haag 23 november 2016, V-N 2017/9.1.2 (het cassatieberoep werd onder verwijzing naar art. 81 Wet RO verworpen, HR 13 oktober 2017, V-N Vandaag 2017/2419).
Vgl. HR 12 februari 2010, V-N 2010/17.3.
Zie reeds HR 12 april 1995, V-N 1995, p. 1457, en recenter Rb Leeuwarden 25 maart 2010, V-N 2010/27.2.1, NTFR 2010/1066 (een Hofuitspraak in hoger beroep in deze zaak is mij niet bekend), Hof Arnhem 30 maart 2010, V-N 2010/40.9 en Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2011, V-N 2011/28.5. Zie voorts HR 18 januari 2008, BNB 2008/165, r.o. 3.4.2.
Vgl. Hof Arnhem 24 november 2004, NTFR 2004/1903 (zie met name r.o. 4.8 en 4.16), waarin het om de extrapolatie van (de hoogte van) zwart uitbetaalde lonen ging (het cassatieberoep werd onder verwijzing naar art. 81 Wet RO verworpen, zie HR 21 september 2007, V-N 2007/53.1.2).
Zie HR 12 februari 2010, V-N 2010/17.3 (art. 81 Wet RO). Zie voorts Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2011, V-N 2011/28.5, waarin naar voren komt dat boude veronderstellingen en aannames die niet door feiten worden ondersteund, niet redengevend kunnen zijn (geheel in lijn met de eisen die voor het aannemen van vermoedens als bewijsmiddel gelden).
In de literatuur is in deze lijn bijvoorbeeld gefundeerde kritiek geleverd op de acceptatie van de extrapolatie van correcties op basis van lage brutowinstmarges, zie Van Houte 2006.
HR 14 maart 2008, BNB 2008/157, V-N 2008/14.5, NTFR 2008/549, r.o. 3.3.3.
Aldus ook: Zwemmer 2008, par. 2. Vgl. ook de aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij Hof ’s-Hertogenbosch 19 december 2008, V-N 2009/20.9. Zie voorts HR 12 februari 2010, V-N 2010/17.3, alsmede Hof Den Haag 18 maart 2014, NTFR 2014/2374, r.o. 7.5.2-7.5.3 en Rb Den Haag 25 oktober 2016, V-N 2017/6.5, die eraan toevoegde dat zulks zonder empirisch bewijs uit de niet-onderzochte periode onmogelijk is. De rechtbank heeft daarbij vermoedelijk inspiratie geput uit de Conclusie van A-G Niessen van 16 juni 2005, V-N 2005/47.4 (zie punt 7.14).
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, waarover nader in paragraaf 10.4.2.
Zie voor een voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2017, V-N 2018/11.4 (r.o. 4.16). Vgl. ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Den Haag 4 mei 2016, V-N 2016/39.6.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 22 maart 2016, V-N 2016/31.11 (aanzienlijk saldo op 28 november 1996 werkt door naar 2009, 2010 en 2011), alsmede Hof Den Haag 10 juni 2015, V-N 2015/40.6 (saldo uit 1994 op termijndeposito kan van belang zijn voor belastingheffing in 2010). Zie echter ook HR 9 maart 2012, V-N 2012/15.8 (opgeheven rekening) en HR 18 september 2015, V-N 2015/48.1.1.
Zie paragraaf 10.4.2.1.1.
Uit het arrest kan niet met zekerheid worden afgeleid hoe de bewijspositie er in de sfeer van de heffing zou hebben uitgezien zonder dat aanvullende bewijs (als het banksaldo niet aanzienlijk was).
Zie paragraaf 10.4.2.1.1 (zulks in verband met de onschuldpresumptie, die wel voor de boete maar niet voor de heffing geldt (zie daaromtrent nader paragraaf 8.2.1 en paragraaf 9.3.1).
Zie de zaak die heeft geleid tot HR 24 april 2015, BNB 2015/159 (art. 81 Wet RO), met Conclusie A-G 29 januari 2015, V-N 2015/13.5. Het ging daar om een extrapolatie van effectief 4 jaren terug in het verleden. Het object van de extrapolatie bestond uit feitelijkheden die een schending van de administratieplicht opleverden (zie daarover nader het hierna te bespreken arrest HR 25 juni 2021, V-N 2021/29.15, BNB 2021/125). Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2016, V-N 2017/11.18.7 (het jaar 1992 werd meegenomen). Anders: Hof Den Haag 9 december 2020, V-N 2021/13.19, waarin het Hof oordeelde dat een enkele storting van € 100.000 in 2010, zonder bijkomende feiten en omstandigheden, niet het vermoeden rechtvaardigt dat ook in 2003 en 2004 al vermogen aanwezig was (r.o. 5.4). Het is opvallend dat het Hof hierbij geen onderscheid maakte tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete. In het KBLux-arrest HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207 stoelde de Hoge Raad de beperkte werking naar het verleden immers uitdrukkelijk op de onschuldpresumptie (zie paragraaf 10.4.2.1.1), die alleen voor de boete geldt.
HR 25 juni 2021, V-N 2021/29.15, BNB 2021/125, r.o. 3.3.4. In het licht van de voorwaarden die de Hoge Raad stelt, lijkt de (vóór het arrest gedane) uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2020, V-N 2020/22.19.28 wat te kort door de bocht. Zie over de administratieplicht nader paragraaf 7.4.4.3.
Een bijzondere vorm van (het afleiden van) een vermoeden uit vaststaande feiten en omstandigheden is aan de orde bij extrapolatie. Meestal houdt extrapolatie in dat op basis van controleresultaten over het ene tijdvak een uitspraak wordt gedaan over andere tijdvakken (voorafgaand aan of volgend op het tijdvak waarop het controleresultaat ziet). Extrapolatie naar andere tijdvakken is volgens de Hoge Raad slechts toegestaan als er voldoende grond is om aan te nemen dat de voor de belastingschuld relevante feitelijkheden in die tijdvakken niet wezenlijk afwijken van het controletijdvak.1 Er moet sprake zijn van een zogenoemd ‘constant beeld’.2 Naar mijn opvatting werkt de extrapolatie dus via de route van het vermoeden: de vaststaande feiten moeten aanknopingspunten bieden voor een vermoeden van ongewijzigde omstandigheden (dat uiteraard kan worden ontzenuwd door de belastingplichtige). Dat betekent dat de inspecteur de representativiteit van het ene tijdvak voor andere tijdvakken afzonderlijk zal moeten stellen. De belastingplichtige kan deze stelling van de inspecteur gemotiveerd betwisten door er bijvoorbeeld op te wijzen dat bepaalde omstandigheden zijn gewijzigd en nog niet of niet meer voorkwamen in de betrokken jaren. In dat geval zal de inspecteur het tegendeel moeten bewijzen.3 Het bewijsrisico ligt dus nadrukkelijk bij de inspecteur.4
Hieruit volgt dat het zonder nader bewijs extrapoleren van bevindingen van het ene tijdvak naar het andere tijdvak, bijvoorbeeld aan de hand van een schatting van de vermoedelijke omvang in een ander tijdvak, te kort door de bocht is.5 Dat geldt temeer wanneer er aanwijzingen zijn dat bepaalde feitelijkheden zich in het andere tijdvak (nog) niet hadden voorgedaan.6 Extrapolatie is dus geen kwestie van ‘ja, tenzij’, maar eerder van ‘nee, tenzij’ (of hooguit van ‘ja, mits’).7
De Hoge Raad heeft deze lijn ook doorgetrokken naar situaties waarin de inspecteur een steekproef heeft uitgevoerd. Extrapolatie van steekproefresultaten naar andere tijdvakken is volgens de Hoge Raad slechts verantwoord, indien er voldoende grond is om aan te nemen dat de desbetreffende tijdvakken een constant beeld vertonen wat betreft de van belang zijnde feitelijke situatie.8 Zonder nader bewijs omtrent het constante beeld is extrapolatie van steekproefresultaten niet mogelijk. De bewijslast rust op de inspecteur.9
In dit verband kan verder nog worden gewezen op de richtlijnen die de Hoge Raad in 2013 heeft gegeven voor de extrapolatie in KBLux-(achtige) gevallen.10 Ondanks dat dit arrest louter zag op de sfeer van de beboeting, zijn de richtlijnen naar mijn mening evenzeer bruikbaar in de sfeer van de heffing.11 De voorliggende vraag betrof namelijk in de kern of de inspecteur aan de hand van de gerechtigdheid tot een aanzienlijk banksaldo op enig moment (in enig jaar) ook het bewijs voor andere jaren had geleverd. Kort samengevat achtte de Hoge Raad de inspecteur daar in KBLux-gevallen in geslaagd. Extrapolatie was (in beginsel onbeperkt12) toegestaan voor wat betreft toekomstige jaren,13 omdat er aanvullend bewijs was in de vorm van de ervaringsregel dat een aanzienlijk banksaldo niet zomaar verdwijnt en ook niet plotseling opkomt, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat een bank daar rente over vergoedt.14 Specifiek voor de boete bracht de Hoge Raad ten aanzien van extrapolatie naar het verleden wél een grens aan (tot maximaal (ruim) een jaar terug).15 Het is waarschijnlijk dat deze grens voor de heffing niet geldt.16
Ten slotte heeft de Hoge Raad geoordeeld dat extrapolatie van in bepaalde tijdvakken geconstateerde schendingen van de administratieplicht naar tijdvakken die niet zijn gecontroleerd, in de regel niet mogelijk is. Dat is alleen anders als er zwaarwegende redenen zijn om die tijdvakken niet (ook) te onderzoeken én aannemelijk is dat zich in die niet-gecontroleerde tijdvakken dezelfde of soortgelijke tekortkomingen voor hebben gedaan. Bij de beoordeling of dit aannemelijk is, staat de Hoge Raad het gebruik van vermoedens als bewijsmiddel toe, maar daar moet in dit verband wel terughoudend mee worden omgegaan.17