Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/4.3
4.3 Onderzoek en onderzoeksgroep: de waarderingsdeskundigen
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS616872:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In 2013 bestond er naast het NIRV nog de Stichting Waarderingsonderzoek ten behoeve van Bedrijf en Onderneming (“SWBO”), waar RV’s ook geregistreerd moesten zijn. SWBO is met ingang van 1 juli 2015 ontbonden. De werkzaamheden zijn ondergebracht bij het NIRV: www.nirv.nl/nl/nieuws/13/vernieuwd-nirv-stimuleert-onderzoek-ondernemingswaardering.
In mei 2013 telde het NIRV 201 leden, waarvan overigens 192 mannen en slechts 9 vrouwen. In 2008 waren er nog 157 RV’s. Bron: het online magazine Van Waarde, editie mei 2013, te raadplegen via www.nirv.nl. Van slechts 185 RV’s waren in mei 2013 de contactgegevens te raadplegen via www.nirv.nl. In december 2016 telde het NIRV 252 leden: www.nirv.nl/nl/contact/deelnemers.
www.lrgd.nl/zoek-een-deskundige.
Bijv.: Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 23 oktober 2008, JOR2008/334 (Schuitema) waarin prof. dr. L. Traas en drs. H.T. Haanappel als deskundigen waren benoemd; Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 26 juni 2012, ARO 2012/106 waarin dr. H. Oosterhout (Duff & Phelps, Amsterdam) als deskundige werd benoemd.
Als aandeelhouders besluiten om een statutaire prijsbepalingsregeling op te nemen, moet worden bepaald welke (financieel-economische) variabelen een rol moeten spelen. Om dit te kunnen bepalen is de vraag relevant bij welke onderdelen in het waarderingsproces deskundigen dilemma’s ervaren. Het herkennen van de waarderingsdilemma’s biedt inzicht in de variabelen waarvoor bij het opstellen van de regeling extra aandacht is vereist. Hierdoor is de kans groter dat de toepassing of uitleg van de prijsbepalingsregel (hetgeen vaak jaren later van toepassing is) daadwerkelijk plaatsvindt conform de (oorspronkelijke) bedoelingen van de aandeelhouders. Naast het opstellen van een prijsbepalingsregeling kan het echter ook zo zijn dat partijen bij uittreding vasthouden aan de benoeming van een waarderingsdeskundige maar hem voor de waardering bepaalde richtlijnen wensen mee te geven (bijvoorbeeld de DCF-methode of juist een bepaalde multiple). Ook hiervoor is het relevant om te beseffen aan welke (financieel-economische) variabelen een nader omschreven invulling kan worden gegeven.
Om op het bovenstaande een antwoord te formuleren heb ik een empirisch onderzoek uitgevoerd waarbij de volgende vragen centraal stonden: (a) wat zijn voor een waarderingsdeskundige de waarderingsdilemma’s bij de blokkeringsregeling; en (b) welke oplossing(en) kiezen waarderingsdeskundigen voor de desbetreffende waarderingsdilemma’s? Ter beantwoording van deze vragen is een enquête opgesteld, bestaande uit multiplechoicevragen, die vervolgens aan de waarderingsdeskundigen in Nederland is gestuurd.
De gehanteerde groep waarderingsdeskundigen bestond uit de volgende groepen personen. Allereerst de Register Valuators (“RV’s”), personen verbonden aan het Nederlands Instituut voor Register Valuators (“NIRV”),1 die zich onder andere bezighouden met waarderingen bij de blokkeringsregeling. De RV’s die werkzaam zijn bij bijvoorbeeld multinationals (het geen mogelijk is), zijn daarom niet aangeschreven. In totaal zijn 71 RV’s geselecteerd.2 Daarnaast zijn de deskundigen aangeschreven die volgens de database van de Stichting Landelijk Register Gerechtelijk Deskundigen (“LRGD”)3 gespecialiseerd zijn in aandelenwaardering (24 personen).4 Tot slot zijn waarderingsdeskundigen benaderd die zijn verbonden aan een Valuation-afdeling van een accountantskantoor of bank (in totaal 18). Deze personen zijn vaak niet verbonden aan het LRGD of het NIRV. Dit betekent overigens niet dat zij niet worden ingeschakeld als gerechtelijk deskundigen.5
De totale onderzoeksgroep bestond uiteindelijk uit 83 personen. Weliswaar is de optelsom van de drie subgroepen 113 maar een deel antwoordde onvoldoende ervaring met een waardering voor de blokkeringsregeling te hebben (7 personen), een aantal was voor langere tijd buiten kantoor en kon niet voor de gestelde deadline reageren (14 personen), een aantal e-mailadressen uit de diverse databanken bleek niet meer in gebruik (8 personen) en voor een enkeling was de Nederlandse taal van de enquête een probleem (1 persoon). De responsegraad was uiteindelijk ca. 26%.
4.3.1 Waarderingsdilemma’s4.3.2 De te hanteren waardemaatstaf4.3.3 De te hanteren waarderingsmethode4.3.4 Kortingen (discounts)4.3.5 Waarderingsproces4.3.6 Prijsvaststelling