RvdW 2024/19:Witwassen van geldbedrag (€ 25.199,91), art. 420bis lid 1 sub b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, methode van eenvoudige kasopstelling (juistheid van de door hof voor bewijs gebruikte kasopstelling is niet betwist). HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: In ’s hofs oordeel dat OM niet alsnog nader onderzoek had moeten doen naar verklaring verdachte over herkomst van geld, ligt besloten dat hof die verklaring op voorhand hoogst onwaarschijnlijk acht. In het licht van ’s hofs vaststellingen dat verdachte t.t.v. afleggen van zijn verklaring kennis heeft kunnen nemen van verklaring van medeverdachte en dat die verklaring geen enkel aanknopingspunt bevat voor verklaring van verdachte dat die medeverdachte € 50.000 aan contant geld bij hem in woning heeft gelegd en dat hij toestemming had van medeverdachte om dat geld (gedeeltelijk) uit te geven, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.