Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/8.5.4
8.5.4 Doorwerking in het toerekenbaarheidsoordeel
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713179:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Rb. Rotterdam 8 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8875.
Bijv. Hof Amsterdam 2 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1428; Hof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:365; Hof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2419. Anders: Rb. Rotterdam 8 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8875, waar wordt gesproken over verwijtbaarheid.
Hof ’s-Hertogenbosch 28 september 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2942, r.o. 6.6.6; Rb. Zeeland-West-Brabant 22 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4706, r.o. 4.29.
Rb. Rotterdam 8 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8875.
Rb. Rotterdam 8 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8875, r.o. 4.12.
In de grote meerderheid van de onderzochte uitspraken wordt geen of weinig afzonderlijke aandacht besteed aan de toerekenbaarheid. In veel gevallen wordt het toerekenbaarheidsoordeel verweven met het onrechtmatigheidsoordeel.1 In verschillende gevallen waarin wel expliciet wordt gemaakt dat de onrechtmatige gedraging de laedens kan worden toegerekend, laat de rechtbank in het midden of deze toerekening plaatsvindt krachtens schuld of krachtens verkeersopvattingen.2 In paragraaf 6.5.2 schreef ik dat de hoedanigheid van de laedens een reden is voor toerekening krachtens verkeersopvatting. In de lagere rechtspraak zijn weinig voorbeelden te vinden waarin de hoedanigheid van ondernemer een reden is voor toerekening krachtens verkeersopvatting. In verscheidene zaken rekent de rechter de onrechtmatige gedraging toe aan de (bedrijfsmatige) laedens krachtens verkeersopvatting, maar licht hij niet toe waarom.3 Het is niet ondenkbaar dat dit te maken heeft met de hoedanigheid van ondernemer. Opmerkelijk is ook een tussenuitspraak van de rechtbank Rotterdam uit 2021.4 De zaak ging over een brand in een tweedehands zonnebank in een zonnestudio. De eiser voerde aan dat de onrechtmatige gedraging – het in het verkeer brengen van een gebrekkige zonnebank – toerekenbaar is aan de gedaagde op grond van de verkeersopvattingen. Eiser voegde daaraan toe:
“Niet valt in te zien waarom het onderhavige risico van zelfontbranding zonder enige waarschuwing bij een argeloze gebruiker zou moeten liggen en niet bij de professionele producent en/of haar verzekeraar.”5
De rechtbank heeft de producent vervolgens in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Een einduitspraak is voor zover ik weet niet gepubliceerd. De hoedanigheid van vuurwerkhandelaar was voor de rechter een reden om te oordelen dat de laedens wist of behoorde te weten dat de vuurwerkpot illegaal was en daarmee een bijzonder risico in het leven riep. Van een vuurwerkhandelaar mag in ieder geval worden verwacht dat hij weet wanneer vuurwerk illegaal is en welke risico’s dat meebrengt. De vraag is of het oordeel van de rechter anders was uitgevallen indien de laedens niet een vuurwerkhandelaar was, maar een medewerker van een bouwmarkt, die op oudjaarsdag een kleine hoeveelheid vuurwerk verkoopt, of een particulier.