Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.2.2.2
2.5.2.2.2 Bedreiging in artikel 3:44 BW
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859218:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Jac. Hijma, in: GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 2.3.1.1 (online, bijgewerkt tot en met 20 september 2022).
Van Dam, in: Rechtshandeling en Overeenkomst 2022/182, p. 205.
Reehuis 2020, p. 251.
Jac. Hijma, in: GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 2.6.1 en 2.6.2 (online, bijgewerkt tot en met 20 september 2022).
Asser/Sieburgh 6-III 2022/260, Van Dam, in: Rechtshandeling en Overeenkomst 2022/183, p. 206, Jac. Hijma, in: GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 2.7.2 (online, bijgewerkt tot en met 20 september 2022) en Reehuis 2020, p. 251.
Jac. Hijma, in: GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 2.3.1.1 (online, bijgewerkt tot en met 20 september 2022). Bij het dwingen en beletten uit art. 4:3 lid 1 sub d BW spelen temporele aspecten wel een belangrijke rol. Zie hierover nader par. 2.5.5.1 en 2.5.6.1.
Asser/Sieburgh 6-III 2022/260.
Jac. Hijma, in: GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 2.3.5 (online, bijgewerkt tot en met 20 september 2022).
Asser/Sieburgh 6-III 2022/260, Van Dam, in: Rechtshandeling en Overeenkomst 2022/183, p. 206 en Jac. Hijma, in: GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 2.3.6 (online, bijgewerkt tot en met 20 september 2022).
Asser/Sieburgh 6-III 2022/260 en Jac. Hijma, in: GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 2.4.1 en 2.4.2 (online, bijgewerkt tot en met 20 september 2022).
Asser/Hijma 7-I 2019/363, Asser/Sieburgh 6-III 2022/260 en Jac. Hijma, in: GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 2.4.2 (online, bijgewerkt tot en met 20 september 2022). Vgl. ook Van Dam, in: Rechtshandeling en Overeenkomst 2022/183, p. 206 en Reehuis 2020, p. 252.
Jac. Hijma, in: GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 2.4.6 (online, bijgewerkt tot en met 20 september 2022).
Asser/Sieburgh 6-III 2022/260 en Jac. Hijma, in: GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 2.4.7 (online, bijgewerkt tot en met 20 september 2022).
Artikel 3:44 lid 1 BW bepaalt dat een rechtshandeling vernietigbaar is, wanneer zij door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Het tweede lid geeft nader invulling aan het begrip bedreiging. Van bedreiging is sprake wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. Hierbij geldt dat de bedreiging volgens de tweede zin van het tweede lid zodanig moet zijn dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed.
Van bedreiging is sprake wanneer de bedreiger zich gedraagt op een wijze die geëigend is om bij het slachtoffer de vrees voor naderend nadeel te doen ontstaan.1 De bedreiging kan geschieden met geoorloofde en ongeoorloofde middelen. Voorwaarde is wel dat de bedreiging, zoals ook uit de tekst van de wet volgt, onrechtmatig moet zijn. Bedreiging met een ongeoorloofd middel, bijvoorbeeld een pistool of geweld, is per definitie onrechtmatig. Bedreiging met een geoorloofd middel is onrechtmatig als sprake is van strijd met de maatschappelijke betamelijkheid (art. 6:162 lid 2 BW).2 Reehuis geeft het volgende verhelderende voorbeeld van onrechtmatige bedreiging. De dreiging van een vereniging met het doen van aangifte tegen de penningmeester wegens verduistering als hij niet tot terugbetaling van het verduisterde bedrag overgaat, is niet onrechtmatig. Indien de vereniging naast de terugbetaling ook de schenking van een aan de penningmeester toebehorend goed afdwingt, is voor wat betreft de schenking sprake van een onrechtmatige bedreiging. De schenking leidt ertoe dat de vereniging een goed verkrijgt waarop zij geen recht kon doen gelden.3
De bedreiger dient opzet te hebben op zowel het ontstaan van vrees bij de bedreigde als op het verrichten van de rechtshandeling.4 Tussen de bedreiging en het verrichten van de rechtshandeling dient verder een causaal verband te bestaan. De bedreigde moet aannemelijk maken dat hij de rechtshandeling zonder de bedreiging niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben verricht.5
Voor de toepassing van artikel 3:44 BW is niet vereist dat de bedreiging zich uitstrekt in tijd.6 Het vereiste causale verband brengt echter wel mee dat de vrees moet bestaan op het moment van het sluiten van de overeenkomst.7 Het artikel vergt niet dat het in het vooruitzicht gestelde nadeel zeker en onafwendbaar zal intreden als de bedreigde niet doet wat van hem wordt verlangd.8
De bedreiging hoeft zich niet rechtstreeks te richten tot de contractspartij. De bedreiging kan ook tegen een derde zijn gericht. Dit volgt uit de woorden ‘door (…) deze of een derde (…) te bedreigen’.9 De tweede zin van lid 2 verzet zich tegen een te wijdverbreid verband. Doordat de bedreiging zodanig moet zijn dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed, is een objectivering aangebracht. Het oud BW kent in artikel 1360 OBW een soortgelijke regel, maar bepaalt daarbij tevens dat bij de beoordeling daarvan acht moet worden geslagen op de ouderdom, de kunnen en den stand der personen. Deze subjectieve toets is in artikel 3:44 BW niet teruggekeerd. Naast de nieuw ingevoerde vernietigingsgrond misbruik van omstandigheden acht de wetgever deze toevoeging niet nodig.10 In de literatuur wordt verdedigd dat ook onder het huidige recht nog altijd een zekere subjectivering geldt. De bijzondere kenmerken van de bedreigde persoon blijven niet geheel buiten spel. In elk concreet geval dient onderzocht te worden of de bedreiging van zodanige aard was, dat daardoor de persoon in kwestie (subjectivering) onder de invloed kon komen (objectivering).11
De begrenzing van artikel 3:44 lid 2, tweede zin BW waakt tegen een te snelle vernietigbaarheid.12 Dat neemt niet weg dat als een beroep op bedreiging afstuit op deze begrenzing, de rechtshandeling op grond van een andere wetsbepaling toch vernietigbaar kan zijn. Hierbij kan vooral worden gedacht aan misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW) en een geestelijke stoornis (art. 3:34 BW).13