Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/4.3.1:4.3.1 Recht van een lidstaat
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/4.3.1
4.3.1 Recht van een lidstaat
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85531:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Implementatie van de zevende EEG-richtlijn bij Wet van 10 november 1988 (Stb. 1988, 517).
Art. 2:123 jo. 2:120 lid 3 BW BES.
Dit geldt voor iedere kapitaalvennootschap naar het recht van een niet-lidstaat die naar Nederlands recht een fbv is indien tot haar groep een rechtspersoon behoort als omschreven in art. 2:360 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aanvankelijk was in art. 2:403 lid 1 onder c BW ook bepaald dat het gaat om het recht van een lidstaat. In 19881 is evenwel de woordkeuze aangepast. Het gaat thans om de maatschappijen op wier geconsolideerde jaarrekening krachtens het toepasselijke recht Verordening (EG) 1606/2002 (= EU IFRS) dan wel de EU richtlijn jaarrekeningen van toepassing is. De woorden ‘krachtens het toepasselijke recht’ sluiten de toepassing van de genoemde regels door een moederonderneming uit indien een moederonderneming niet op grond van het Unierecht aan de genoemde regels is onderworpen. Dit brengt ook mee dat als een staat, niet zijnde een lidstaat, zijn wetgeving heeft aangepast aan de EU richtlijn jaarrekeningen of aan daarmee gelijkwaardige voorschriften, een tot een groep van een maatschappij uit die lidstaat behorende rechtspersoon geen gebruik kan maken van art. 2:403 BW. Ik denk hierbij aan de Curaçaose wetgeving. Daarin is opgenomen dat een jaarrekening kan zijn ingericht volgens door de IASB vastgestelde normen of volgens andere internationaal aanvaarde normen, mits uit de toelichting blijkt welke gegronde redenen daartoe aanleiding hebben gegeven en volgens welke normen de jaarrekening is opgesteld.2 Hoewel er als zodanig geen bezwaren tegen een dergelijk gebruik zouden behoeven te zijn, geldt dat de Curaçaose moedermaatschappij niet onder het recht van een lidstaat valt zodat een tot de groep van die Curaçaose moedermaatschappij behorende rechtspersoon als omschreven in art. 2:360 BW van het groepsregime geen gebruik kan maken, behoudens de situatie dat de Curaçaose moedermaatschappij naar Nederlands recht een fbv is.3 Uit de parlementaire geschiedenis blijkt nadrukkelijk dat de wetgever ruimte heeft gecreëerd voor gebruik van het groepsregime door op het grondgebied van een lidstaat gevestigde niet-Nederlandse moedermaatschappijen, maar niet of ook is beoogd dat bereik uit te breiden tot de hiervoor genoemde fbv. In dit soort gevallen is op de jaarrekening van een moedermaatschappij Titel 9 Boek 2 BW van overeenkomstige toepassing en zou de tot de groep behorende rechtspersoon wél van art. 2:403 BW gebruik kunnen maken.