Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.6.4.1
7.3.6.4.1 Inzagerecht en op de zaak betrekking hebbende stukken in bezwaar
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940796:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Anders dan in de beroepsfase bestaat er geen recht op verstrekking of toezending van de stukken, zie HR 8 maart 2019, V-N 2019/14.19, r.o. 2.4.1-2.4.2 (zie in dit kader met name ook r.o. 2.2.3 van de Hofuitspraak die tot dit arrest heeft geleid en Hof Amsterdam 31 oktober 2017, V-N 2018/12.4). Als de inspecteur de stukken toch toezendt, kan die toezending de inzage wel vervangen: als de inspecteur de stukken tijdig voorafgaand aan de hoorzitting (al dan niet in digitale vorm) toestuurt, is daarmee aan de strekking van het inzagerecht voldaan, zie HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.21, r.o. 3.6. Ten slotte wijs ik nog op art. 40 WOZ, op grond waarvan in WOZ-zaken wél een recht op toezending (van bepaalde stukken) bestaat (zonder koppeling aan het hoorrecht). Zie daarover nader HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.22 (met name r.o. 3.2.1-3.2.3).
Als er geen hoorzitting plaatsvindt en ook niet hoeft plaats te vinden, bestaat er dus geen recht op inzage, zie HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.21, r.o. 3.4. De koppeling houdt voorts in dat een verzoek om inzage tevens geldt als een verzoek om te worden gehoord, zie HR 5 juni 2020, V-N 2020/27.25. Een verzoek om louter de toezending van de stukken is daarvoor echter niet genoeg, zie HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.21, r.o. 3.1. Vgl. voorts HR 7 juni 2002, BNB 2002/284 en zie Hof ’s-Hertogenbosch 7 februari 2019, V-N 2019/22.17, r.o. 4.1-4.2. Het horen zelf is geregeld in art. 7:2 Awb. Via de route van art. 25 lid 1 AWR en par. 9 BFB ligt het initiatief voor (het gelegenheid geven tot) het horen in rijksbelastingzaken overigens bij de inspecteur (aldus ook de Hoge Raad in HR 5 juni 2020, V-N 2020/27.25, r.o. 3.2.1) Zie voor lagere overheidszaken HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.21 (in dergelijke zaken ligt het initiatief bij de belastingplichtige).
Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 149, Rb Zeeland-West-Brabant 13 oktober 2016, V-N 2017/9.29.26, r.o. 4.4.
In de lagere jurisprudentie wordt vervolgens verschillend gedacht over de vraag of over de inzage kan worden beslist. Zie bijvoorbeeld Rb Den Haag 22 februari 2016, V-N 2016/25.5 (de voorzieningenrechter was van oordeel dat de vereiste materiële connexiteit ontbrak). Anders: Rb Noord-Nederland 7 april 2016, V-N 2016/35.4 (zie met name r.o. 30), Rb Zeeland-West-Brabant 19 oktober 2016, V-N 2017/4.5, Rb Noord-Holland 16 januari 2019, V-N 2019/21.13 en Rb Gelderland 2 februari 2017, V-N 2017/20.10, die wel inhoudelijk oordeelden. Zie ook Rb Gelderland 3 september 2018, V-N 2018/57.21 en Rb Gelderland 11 juli 2017, V-N 2017/46.5, r.o. 6.
Aldus ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Rb Zeeland-West-Brabant 19 oktober 2016, V-N 2017/4.5.
Dit recht om afschriften te verkrijgen, is op zijn beurt gekoppeld aan het inzagerecht, HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.21, r.o. 3.4. Geen recht op inzage betekent dus ook geen recht op afschriften.
HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.21, r.o. 3.6.
Inhoudelijk is de beoordeling in bezwaar of beroep gelijk, zie HR 18 december 2015, V-N 2016/2.5, BNB 2016/47, r.o. 2.4.2 en HR 17 augustus 2018, V-N 2018/42.18, BNB 2018/182, r.o. 2.2.
Dat is ook de bedoeling van de wetgever geweest, zie Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 149 (‘De bepaling eist derhalve niet meer, dan dat stukken die de belanghebbende in een eventuele procedure voor de rechter toch al zou kunnen inzien, reeds in de bezwaarschriftprocedure voor hem ter kennisneming beschikbaar zijn.’).
Dit is vormgegeven door in art. 7:4 lid 6 Awb een uitzondering te maken op het inzagerecht ten behoeve van de hoorzitting. Zie voorts art. 7:4 lid 7 en 8 voor de uitzonderingen op de uitzondering. Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2020, V-N 2020/41.15, r.o. 4.4.
Zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 13 oktober 2016, V-N 2017/9.29.26.
Voor de bezwaarfase voorziet art. 7:4 lid 2 Awb in het recht van de belastingplichtige om inzage1 te verkrijgen in de op de zaak betrekking hebbende stukken. Dit recht kan volgens de wettekst alleen worden verwezenlijkt ‘voorafgaand aan het horen’. Het is dus gekoppeld aan het hoorrecht.2 Het fundamentele karakter ten spijt,3 is het inzagerecht echter niet rechtstreeks afdwingbaar; dat kan alleen via de route van de voorlopige voorziening.4 Wel kan de belastingplichtige er uiteraard (in beroep) over klagen dat zijn inzagerecht in bezwaar is geschonden.5 In het verlengde van het inzagerecht kan de belastingplichtige desgewenst afschriften krijgen van de ter inzage gelegde stukken, waarbij de inspecteur maximaal de werkelijke kosten als vergoeding mag vragen (art. 7:4 lid 4 Awb).6 De inzage mag digitaal plaatsvinden, bijvoorbeeld door via een webportaal toegang te verlenen tot de gegevens.7
De reikwijdte van het inzagerecht (wat er precies onder de ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ moet worden verstaan),8 alsmede de vraag wat de gevolgen van een schending van het inzagerecht zijn, behandel ik in de volgende paragraaf, omdat geen inhoudelijke verschillen bestaan tussen de bezwaar- en beroepsfase.9 Datzelfde geldt voor een beroep op geheimhouding wegens gewichtige redenen door de inspecteur in de bezwaarfase.10 De daarvoor geldende criteria behandel ik in paragraaf 7.3.6.4.3. Op deze plaats is nog wel van belang, dat een in beroep geconstateerde schending van het inzagerecht in de bezwaarfase ertoe kan nopen om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur.11