Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.13.1
3.13.1 Resultante leer
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS299008:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman 2009, nr. 12. Timmerman lijkt hier vervolgens in zijn artikel met Van Ginneken op terug te komen (Van Ginneken & Timmerman 2011).
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 394. Hier doen Van Solinge en Nieuwe Weme afstand van de positie van Maeijer.
Bulten 2014.
Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 232.
Vletter-van Dort 2001, p. 58.
Zie onder meer: Kamerstukken II 2008/09, 31763, nr. 3, p. 2 (MvT) en nr. 6, p. 1 (NV I); Kamerstukken II 2006/07, 31058, nr. 3, p. 3 (MvT). Zie eerder ook: Kamerstukken II 1970/71, 10751, nr. 10, p. 10 (MvA).
Assink 2010, p. 39. Deze kritiek komt overeen met de voornoemde kritiek op het stakeholder model als geheel, op grond waarvan in het kader van het derde rechtseconomische argument wordt betoogd dat het aandeelhoudersbelang als richtsnoermoetworden geprefereerd boven het belang van alle belanghebbenden bij de vennootschap (Jensen 2002, p. 242; Roe 2001, p. 2065).
Delfos-Roy 1997, p. 18-19.
Ophof 1987, p. 124.
Delfos-Roy 1997, p. 18-19; Löwensteyn 1970, p. 86; Mendel 1989-2, p. 4-5. In tegenstelling tot Löwensteyn, Ophof, Mendel en Delfos-Roy meen ik niet uit de tekst van Van der Grinten in het handboek, althans in de laatste druk van zijn hand (1992), op te kunnen maken voor welke van de twee opvattingen hij zich uitspreekt.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 394.
De resultante leer is ontwikkeld door Van der Grinten.1 Deze leer houdt in dat het vennootschappelijk belang gelijk is aan de resultante van de bij de vennootschap betrokken belangen, waarbij aan de hand van de omstandigheden van het geval wordt bepaald welk deelbelang in het concrete geval doorslaggevend is. Voor de ondernemende vennootschap die zich met haar onderneming op de maatschappij richt, betekent het volgens Van der Grinten, dat zij naast de aandeelhouders en haar personeel bij de uitoefening van haar activiteiten ook rekening dient te houden met de belangen van leveranciers en afnemers en van de regionale gemeenschap waarin zij die activiteiten uitoefent. Ook Timmerman,2 Nieuwe Weme en Van Solinge,3 Bulten,4 Dortmond5 en Vletter-van Dort6 spreken zich uit voor deze leer. De wetgever lijkt hiervan eveneens uit te gaan.7 Het voordeel van deze benadering is dat zij flexibel is. Het nadeel is dat er een mysterieuze belangenafweging plaats dient te vinden waarbij er voor het bestuur geen heldere aanknopingspunten zijn met betrekking tot de vraag welk belang in de specifieke situatie dient te prevaleren.8
Binnen de resultante leer meen ik in navolging van Delfos-Roy twee stromingen te kunnen onderscheiden.9 Allereerst is er de stroming die meent dat het om de gemene deler van de bij de vennootschap betrokken belanghebbenden gaat. Alle belangen dienen dan tezamen te worden afgewogen, waaruit vervolgens voor het concreet besluit een vennootschappelijk belang voortvloeit. Anders gezegd, het vennootschappelijk belang is het resultaat van de afweging van de verschillende deelbelangen. Ophof meent dat Van der Grinten zich voor deze opvatting uitspreekt.10
De tweede stroming, welke ik beschouw als de ‘zuivere resultante leer’, meent dat de belangafweging dient te resulteren in het bepalen van het zwaarstwegende belang, welke vervolgens bij het concrete besluit het vennootschappelijk belang vertegenwoordigt. Lowensteyn, Mendel en Delfos-Roy menen dat Van der Grinten zich juist voor deze opvatting uitspreekt.11 Ook Van Solinge & NieuweWeme lijken zich voor deze opvatting uit te spreken, wanneer zij overwegen:
‘De omstandigheden van het concrete geval dienen in aanmerking te worden genomen bij het bepalen welk deelbelang in het gegeven geval prevaleert, waarbij tevens van belang zijn de aard van de onderneming en van het aandeelhouderschap.’12
Het problematische van de resultante leer, in het bijzonder de zuivere resultante leer, is dat zij inconsistente beslissingen in de hand werkt, hetgeen vervolgens weer inefficiëntie tot gevolg heeft. De ene keer overweegt het belang van de aandeelhouders, terwijl de andere keer het belang van de werknemers overweegt.
De eerste stroming zou bovendien ook kunnen worden beschouwd als een vorm van de holistische leer. Er is dan sprake van een concreet eigen belang van de vennootschap in een specifiek geval, welk eigen belang het resultaat is van het afwegen van de deelbelangen.