Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.13.6
3.13.6 Het eigen belang van de vennootschap en de continuïteit
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS299010:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797 (r.o. 4.2.1.).
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797 (r.o. 4.2.2.) (‘Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI), HR 12 juli 2013, ECLI:NL: HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB c.s./KLM) en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007: BA4117, NJ 2007/610 (Versatel I)). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.’).
Dit is dus anders dan Mendel voor ogen had (Mendel 1989-1, p. 17.).
Evenals de Hoge Raad: Assink 2015, p. 105. Assink overweegt dat sprake is van twee belangensferen, namelijk het eigen belang van de rechtspersoon en de belangen van al degenen die bij de rechtspersoon en zijn ontplooide activiteiten zijn betrokken. Ik denk dat deze andere opvatting ook te maken heeft met het feit dat Assink geen rol ziet weggelegd voor de deelbelangen bij de vorming van het vennootschappelijk belang (zie paragraaf 3.13.2. van dit hoofdstuk).
Kamerstukken II 2008/09, 31763, nr. 6, p. 1-2 (NV II); Cahen 1970, p. 72; Delfos-Roy 1997, p. 20; Eijsbouts & Kemp 2012, p. 129; Langman 1988, p. 117; Mendel 1989-1, p. 14; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 28; Slagter 2005, p. 14.
Zie in dit verband: HR 7 juli 1982, NJ 1983, 35 m.nt. Maeijer (Enka) (‘(…) De Ondernemingskamer had echter (…) moeten onderzoeken of Enka bij de afweging van de (…) belangen van het personeel in Breda tegen de andere betrokken belangen, waaronder met name het belang van de continuïteit van de onderneming als geheel en daarmee het belang van het elders werkzame personeel, niet in redelijkheid had kunnen komen tot het bestreden besluit’ (r.o. 4.2); en HR 4 april 2014, ECLI:NL: HR:2014:804, r.o. 4.2.1. (‘Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming’ [onderstrp. BK]). Ook in recente uitspraken van de Ondernemingskamer wordt aan de continuïteit van de vennootschap een belangrijke rol toebedeeld. Zie in dit verband bijvoorbeeld: Hof Amsterdam (OK) 16 november 2012, ARO 2012, 162; Hof Amsterdam (OK) 18 januari 2013, ARO 2013, 27.
Van Mierlo 2013, p. 89.
Slechts in uitzonderlijke gevallen zal de vennootschap niet gebaat zijn bij haar continuïteit. Dit is bijvoorbeeld denkbaar wanneer de vennootschap besluit de met haar verbonden onderneming te vervreemden of de vennootschap feitelijk in staat van insolventie verkeert (Slagter/Assink 2013, p. 953-955).
Zie in dit verband hoofdstuk 10, paragraaf 10.6. e.v.
Zie in dit verband hoofdstuk 10, paragraaf 10.8.
Kamerstukken II 2008/09, 31058, nr. 6, p. 52 (NV II). Zie voor vergelijkbare overwegingen: Kamerstukken II 2008/09, 31058, nr. 6, p. 12-13; Kamerstukken II 2006/07, 31058, nr. 3, p. 3 (MvT).
Hierboven werd al opgemerkt dat ik mij in het verleden sterk heb gemaakt voor de holistische leer als visie op het vennootschappelijk belang. Daarbij hebben Eijsbouts en ik ons echter niet gericht op hoe de inhoud van dit eigen belang van de vennootschap precies moet worden vormgeven. Hierboven zijn de visies van Maeijer, Assink, Cahen, Van Schilfgaarde,Winter en Wezeman en Mendel daaromtrent uiteengezet. Daarbij valt op dat zij, met uitzondering van Maeijer en Assink, overwegen dat de vennootschap dan wel een eigen belang heeft, maar dat de inhoud van dit belang moet worden vormgegeven, of kleur krijgt, aan de hand van de belangen van de bij de vennootschap betrokken belanghebbenden. Dit lijkt mij ook de juiste benadering. Deze benadering lijkt ook te worden bevestigd in het reeds aangehaalde arrest Inversiones/ Cancun Holding, waar de Hoge Raad overweegt:
‘Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.’1
Het belang van de vennootschap is derhalve een zelfstandig belang, welk belang wel wordt vormgegeven door de belangen die bij de vennootschap een rol spelen. Er lijkt desalniettemin tot op zekere hoogte dus wel sprake te zijn van een resultante belangenafweging, want het bestuur moet in het kader van de redelijkheid en billijkheid wel zorgvuldigheid betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, aldus de Hoge Raad.2 Wat de Hoge Raad hier precies bedoelt is niet duidelijk. Moet bij het vormen van de inhoud van het vennootschappelijk belang door het bestuur rekening worden gehouden met de belangen van de belanghebbenden bij de vennootschap of moet bij het handelen in uitoefening van het vennootschappelijk belang rekening met deze belangen worden gehouden? Het tweede lijkt bedoeld, maar de Hoge Raad gaat dan weer niet zo ver dat het vennootschappelijk belang onder omstandigheden moet wijken voor deze belangen.3 Ik zou menen dat het vennootschappelijk belang op zichzelf rekening houdt met het niet onnodig of evenredig schade van belangen van bepaalde belanghebbenden. Anders gezegd, het vennootschappelijk belang kan nooit leiden tot het onnodig of onevenredig schaden van het belang van bepaalde belanghebbenden, omdat deze belangafweging al plaatsvindt bij het vormen van de inhoud van het vennootschappelijk belang. Lees ik de overweging van de Hoge Raad goed, dan lijkt daar echter een andere systematiek te worden gekozen.4
De rechtspersoon is op zichzelf een (volledige) juridische fictie, waarin de belangen van verschillende belanghebbenden worden samengebracht, zodat zij kunnen samenwerken. Het eigen belang van de vennootschap moet derhalve wel worden ingekleurd door de belangen van de bij de vennootschap betrokken belanghebbenden. Daarbij speelt de continuïteit van de vennootschap een belangrijke rol.5 Ook de Hoge Raad beschouwt de continuïteit als een gewichtig belang bij de vennootschap.6 Van Mierlomaakt bezwaar tegen de kwalificatie van continuïteit van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming als zelfstandig belang.7 Hij meent dat de belanghebbenden bij de vennootschap in het algemeen wel belang hebben bij continuïteit, maar dat continuïteit daarmee nog geen zelfstandig belang is. Of de continuïteit een afzonderlijk belang is of dat dit terugkomt in het belang van de individuele belanghebbenden zal mijns inziens geen belangrijke discussie vormen. Relevant is vooral dat de continuïteit, als afzonderlijk belang of als onderdeel van de individuele belangen, in beginsel een belangrijke rol speelt bij het bepalen van het belang van de vennootschap.8 Dogmatisch is het desalniettemin interessant. Het eigen belang van de vennootschap wordt vormgegeven door de belangen van de belanghebbenden bij de vennootschap. Deze belanghebbenden hebben – in de regel – belang bij de continuïteit van de vennootschap. Daarmee is de continuïteit van de vennootschap mijns inziens geen op zichzelf staand belang, maar een onderdeel van het belang van de belanghebbenden bij de vennootschap. Anders gezegd, onderdeel van het belang van de belanghebbenden bij de vennootschap is de continuïteit van de vennootschap. Daarmee volg ik de opvatting van Van Mierlo.
Als gevolg van het feit dat het vennootschappelijk belang moet worden gevormd/ gekleurd door de belangen van de bij de vennootschap betrokken belanghebbenden, behoudt het ondanks de holistische leer de noodzakelijke flexibiliteit. Welke belangen betrokken zijn bij de vorming van het vennootschappelijk belang zal afhankelijk zijn van onder meer het karakter van de vennootschap,9 maar ook van de aard van de gehanteerde bevoegdheid en het te nemen besluit.10 Zo zullen bij het uitoefenen van het recht om een agendapunt te agenderen in de regel andere belangen betrokken zijn dan bij het recht op winst. Ook de wetgever staat deze flexibele benadering voor:
Het belang van de vennootschap waarborgt dat bij de besluitvorming rekening wordt gehouden met de belangen van alle partijen die bij de vennootschap zijn betrokken en draagt aldus bij aan het vinden van een evenwicht tussen vrijheid van inrichting en bescherming van andere belangen in het wetsvoorstel. Hierbij past de belangrijke kanttekening dat het vennootschappelijk belang bij kleinere vennootschappen met slechts één of enkele aandeelhouders dichter zal liggen bij het belang van de aandeelhouders dan bij een grote vennootschap met een verspreid aandeelhouderschap en meer uiteenlopende belangen.’11
De vennootschap heeft derhalve een eigen belang, maar omdat de rechtspersoon een fictie is, wordt dit belang wel gevormd/gekleurd door de belangen van de bij de vennootschap betrokken belanghebbenden.