Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.5.2.1
4.3.5.2.1 Reguliere situatie
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494230:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Over het ontstaansmoment van het recht op teruggaaf verwijs ik naar art. 29 lid 2 Wet OB (vanaf 2017) (paragraaf 4.3.2).
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 33 (MvT).
‘Toelichting bij de aangifte omzetbelasting 2017 (voor binnenlandse ondernemers)’, p. 5 (te downloaden via www.belastingdienst.nl). Zie ook het speciaal voor het terugvragen van btw bij oninbare vorderingen ingerichte deel van de website van de Belastingdienst (zoeken op ‘oninbare vorderingen’). Opvallend is dat de btw-correctie wegens de ongedaanmaking van de handeling of het verlenen van een prijsvermindering (of kwijtschelding) volgens de Belastingdienst enkel in rubriek 1 kan worden verwerkt. Deze btw-teruggaaf mag derhalve niet in rubriek 5b van de aangifte worden verwerkt.
Art. 29 lid 4 Wet OB 1968 schrijft voor dat het bedrag van de teruggaaf in mindering moet worden gebracht in de aangifte voor het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.1 Daarmee behoort het vereiste van het doen van een afzonderlijk teruggaafverzoek tot de verleden tijd. In de parlementaire toelichting wordt hierover het volgende opgemerkt:2
“De ondernemer hoeft voor het verkrijgen van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde teruggaaf geen afzonderlijk verzoek te doen als bedoeld in artikel 31 van de Wet OB 1968. De teruggaaf wordt door hem eenvoudigweg verkregen door het bedrag van de teruggaaf in mindering te brengen op zijn aangifte omzetbelasting over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. De teruggaaf wordt in dat opzicht gelijk gesteld met de belasting, bedoeld in artikel 2 van de Wet OB 1968 die de ondernemer op zijn aangifte in aftrek kan brengen.”
Aangezien art. 2 Wet OB 1968 gaat over het recht op teruggaaf, zou men derhalve verwachten dat de teruggaaf in rubriek 5b (voorbelasting) van de aangifte moet worden opgenomen. Toch bestaat er een keuzemogelijkheid. Volgens de Belastingdienst mag een ondernemer de btw op oninbare vorderingen ook in mindering brengen in rubriek 1a of 1b (verschuldigde btw wegens leveringen of diensten belast met hoog of laag tarief).3 Het verwerken van de teruggaaf in rubriek 1 is in mijn optiek echter het meest zuiver. De btw-correctie wegens oninbare vorderingen betreft immers een vermindering van de maatstaf van heffing en heeft niets van doen met voorbelasting. Los daarvan zou één rubriek volgens mij ook vanuit controleperspectief voor de Belastingdienst het meest eenvoudig zijn. Te denken valt aan de situatie waarin tijdens een boekenonderzoek de aanvaardbaarheid van de btw-aangifte wordt gecontroleerd. Vanuit dat perspectief had het naar mijn idee echter de voorkeur gehad om voor de btw-teruggaaf wegens oninbare vorderingen een afzonderlijke rubriek in het leven te roepen. Hierbij kan worden gedacht aan een rubriek voor bijzondere teruggaven, die het aangiftebiljet al kende vóór de invoering van de elektronische aangifte (zie hiervoor). Een dergelijke rubriek zou de Belastingdienst een extra voor controle te gebruiken attentiesein bieden. Bovendien zou dit het maken van een rondrekening op rubriek 1 en rubriek 5 vergemakkelijken. Ondanks diverse oproepen vanuit het bedrijfsleven om een dergelijke rubriek in te voeren,4 heeft de Belastingdienst hier niet aan gewild. Onduidelijk is waarom. Ik vermoed dat de IT-systemen het binnen het korte tijdsbestek niet aankonden.