Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.5.2.2
4.3.5.2.2 Overgedragen vorderingen
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500252:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Uit de overweging dat het verzoek in afwijking van art. 31 lid 1 en 2 Wet OB 1968 voor elke vordering afzonderlijk moet worden ingediend kan worden afgeleid dat art. 31 lid 1 en lid 2 Wet OB 1968 zien op de situatie waarin het verzoek om teruggaaf bij aangifte moet worden gedaan. Dit biedt steun voor de opvatting dat het recht op teruggaaf onder art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (tot 2017) in de aangifte verwerkt kon worden en dat geen afzonderlijk schrijven nodig was.
‘Verzoek om teruggaaf omzetbelasting (overgenomen vorderingen)’ (te downloaden via www.belastingdienst.nl).
Paragraaf 4.3.5.1.
Anders dan de ondernemer die de onderliggende goederenlevering of dienst heeft verricht, kan een ondernemer aan wie een vordering is overgedragen zijn eventuele recht op teruggaaf niet in mindering brengen op zijn periodieke aangifte. In afwijking van art. 29 lid 4 Wet OB 1968 wordt het recht op teruggaaf blijkens de op één na laatste volzin van art. 29 lid 6 Wet OB 1968 op verzoek verleend. Anders dan onder art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) kan uit de context worden afgeleid dat dit verzoek om teruggaaf niet bij de reguliere aangifte kan geschieden. Dit volgt ook expliciet uit art. 29 lid 10 Wet OB 1968. Deze bepaling schrijft voor dat het verzoek om teruggaaf, bedoeld in art. 29 lid 6 Wet OB 1968, ter zake van elke vordering afzonderlijk moet worden ingediend bij de inspecteur, zulks in afwijking van art. 31 lid 1 en 2 Wet OB 1968.1 Lid 10 bepaalt voorts dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de vorm en de inhoud van het verzoek en de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend. Met overeenkomstige toepassing van art. 31 lid 8 en 9 Wet OB 1968 beslist de inspecteur bij beschikking op het verzoek om teruggaaf en is de inspecteur gehouden aan de beslistermijn van afdeling 4.1.3 van de Awb.
Wat betreft de bij ministeriële regeling te stellen regels merkt art. 31b Uitvoeringsbeschikking OB 1968 op dat het verzoek om teruggaaf door de ondernemer per aangiftetijdvak moet worden ingediend op de door de inspecteur aan te geven wijze. De Belastingdienst heeft op haar website hiervoor een formulier beschikbaar gesteld.2 Naast de NAW-gegevens van de ondernemer die het verzoek doet, bevat het formulier ruimte om nadere details te verstrekken omtrent de terug te vragen btw. Daarbij dient tevens de naam van de ondernemer die de vorderingen heeft overgedragen te worden vermeld. Wat betreft de te verstrekken informatie met betrekking tot de oninbare vorderingen dient de ondernemer bijvoorbeeld de naam en het btw-nummer van de debiteur te vermelden, de datum en het nummer van de betreffende factuur of factureren, het factuurbedrag en het niet-betaalde deel daarvan, met vermelding van de btw. Deze gegevens komen overeen met de gegevens die door de Belastingdienst werden gevraagd bij het doen van een verzoek om teruggaaf onder art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017).3