Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.8.6.6
1.8.6.6 Recht op voorbereiding van de verdediging
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
ECRM 14 december 1981, appl.no. 8403/78 (Jespers/België), § 58.
Vgl. Trechsel 2006, p. 88.
EHRM 31 augustus 1999, appl.no. 35253/97 (dec.) (Verdam/Nederland), p. 7. Zie uitvoeriger § 2.4.1 van hoofdstuk 4.
EHRM 26 februari 2013, appl.no. 50254/07 (Papadakis/Macedonië), § 94: ‘he was effectively deprived of a real chance of challenging the reliability of the decisive evidence against him’.
EHRM 21 december 2006, appl.no. 56891/00 (Borisova/Bulgarije), § 47-48. Zie ook EHRM 6 oktober 2009, appl.no. 2638/05 (Ros¸ca/Moldavië).
Artikel 6 lid 3 sub b evrm geeft de verdediging het recht op tijd en faciliteiten ter voorbereiding van zijn verdediging. Voor de effectieve uitoefening van het ondervragingsrecht is dat een belangrijk recht.
Het aspect van voldoende faciliteiten houdt in het bijzonder in dat de verdediging kennis moet kunnen nemen van de resultaten van het strafrechtelijke onderzoek. Hiervoor kwam reeds aan de orde dat in zaken waarin was geklaagd over het achterhouden van processtukken, dikwijls tevens was geklaagd over het ontbreken van voldoende faciliteiten ter voorbereiding van de verdediging. In de zaak Jespers overwoog de ecrm dat het ter beschikking stellen van documenten een noodzakelijke faciliteit kan zijn wanneer aan de hand daarvan de geloofwaardigheid van een getuige kan worden ondermijnd.1 Het recht op disclosure of evidence kan dan ook niet scherp worden gescheiden van het recht op voorbereiding van de verdediging.2
Voor het bepalen van een ondervragingsstrategie kan het van groot belang zijn dat de verdachte en zijn raadsman met elkaar kunnen overleggen. In de zaak Verdam had die mogelijkheid niet bestaan. Alleen de raadsman van de verdachte was aanwezig bij het politieverhoor van de getuige en deze had geen contact gehad met zijn cliënt over de desbetreffende aanklacht. Het ehrm meende desondanks dat voldoende ondervragingsgelegenheid had bestaan.3
In de zaak Papadakis ontbrak het de verdachte aan tijd om zijn verdediging goed te kunnen voeren. Een getuige was, buiten aanwezigheid van de verdediging, door de zittingsrechter gehoord. De verdediging werd in staat gesteld om kennis te nemen van de verklaring van de getuige en binnen een uur nadere vragen op te geven. Dat weigerde zij, omdat zij het onmogelijk achtte om binnen een uur kennis te nemen van de verklaring én nadere vragen te formuleren. Het ehrm deelde deze opvatting.4 In de zaak Borisova, die betrekking had op ontlastende getuigen, achtte het ehrm om dezelfde reden niet alleen het ondervragingsrecht, maar ook het recht op voorbereiding van de verdediging geschonden.5