Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.2.6
1.2.6 Governance, gedrag en cultuur in beleid en regelgeving
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268411:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
R.J. Schotsman, ‘Spelers in transitie’, TvCo 2015, afl. 3, p. 133 met daarin een samenvatting van zijn inaugurele rede “Spelers in transitie”, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar Implementatie Financieel Gedragsrecht aan de Universiteit van Amsterdam, 5 februari 2015.
Overweging 5 van de MiFID II-Richtlijn. De richtlijn is van toepassing op beleggingsondernemingen, marktexploitanten en datarapporteringsdienstverleners.
Zie voor een toelichting op het begrip “leidinggevend orgaan”: Hoofdstuk 1, par. 1.10.
Zie art. 98, zevende lid van de CRD IV.
Aan art. 91, eerste lid CRD IV wordt de volgende passage toegevoegd: “De bevoegde autoriteiten hebben de bevoegdheid om leden van het leidinggevend orgaan die niet aan de vereisten van dit lid voldoen, uit dat leidinggevend orgaan te ontslaan. De bevoegde autoriteiten gaan met name na of nog steeds aan de vereisten van dit lid wordt voldaan als zij goede redenen hebben om te vermoeden dat er in verband met die instelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop,' zie art. 25 van de Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees parlement en de raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële hol dings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (”CRD V”). Met de invoering van de Vierde Antiwitwasrichtlijn werd eerder al verplicht om een van de beleidsbepalers aan te wijzen en te belasten met de verantwoordelijkheid voor de nakoming van de Wwft (art. 8, vierde lid, onder a van de richtlijn, geïmplementeerd in art. 2d, eerste lid, Wwft). De instelling dient onder meer te beschikken over interne gedragslijnen, controlemaatregelen en procedures om de geïdentificeerde witwasrisico’s en risico’s van terrorismefinanciering te beperken en effectief te beheersen; het aanstellen van de Wwft-bestuurder (een “nalevingsfunctionaris op managementniveau”), voor zover passend gezien de omvang en aard van het bedrijf, wordt daaronder begrepen.
Overweging 29 van Richtlijn Solvabliteit II en overweging 52 van de IORP II-Richtlijn (zie par. 1.1.2). Art. 41 e.v. van de Richtlijn Solvabiliteit II stellen verschillende governance-vereisten aan (her-)verzekeraars, nader uitgewerkt in de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van 10 oktober 2014 en de Richtsnoeren van EIOPA voor het governancesysteem. Vergelijk ook de AIFM-Richtlijn, die onder meer is opgesteld om zwakheden in interne risicomanagementsystemen beter te beheersen (zie Commissie, “Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on Alternative Investment Fund Managers and amending Directives 2004/39/EC and 2009/…/EC,” COM(2009) 207 final van 30 april 2009). In dezelfde zin verwijst de ICBE-Richtlijn naar het belang van adequate interne controleprocedures (Overweging 10).
EBA-Richtsnoeren voor het beoordelen van de geschiktheid van leden van het leidinggevend orgaan en medewerkers met een sleutelfunctie, 22 november 2012, EBA/GL/2012/06, p. 3 (Engelstalige versie) en de EBA-Richtsnoeren inzake interne governance (GL 40), 27 september 2011, p. 3 en 4.
Gezamenlijke Richtsnoeren van EBA en ESMA voor het beoordelen van de geschiktheid van leden van het leidinggevend orgaan en medewerkers met een sleutelfunctie, 26 september 2017, EBA/GL/2017/12/ESMA71-99-598, p. 6 (Engelstalige versie).
EIOPA, “Results of the peer review on propriety of administrative, management or supervisory body members and qualifying shareholders, 2018, Luxemburg: EIOPA, p. 4 en 35. Zie, uitvoerig over het tweede echelon, Hoofdstuk 4.
De lessen van en na de financiële crisis hebben ook bij wetgevers en beleidsmakers geleid tot een verhoogde aandacht voor governance, cultuur en gedrag in de financiële sector. Deze aspecten werden van teveel gewicht geacht om uitsluitend over te laten aan de sector zelf. Volgens Schotsman is de inzet op 1) de governance, 2) de bedrijfsvoering en 3) de kwaliteit van de personen werkzaam in de financiële sector, met als doel het vertrouwen in de sector te herwinnen, zelfs de belangrijkste (Europese) wetgevingsontwikkeling in de periode na de financiële crisis van 2008.1
Op Europees niveau is deze ontwikkeling met name zichtbaar in de CRD IV (2013) en de MiFID II (2014) en daarop gebaseerde regelgeving. Illustratief zijn in dit verband de overwegingen bij de CRD IV: “Tekortkomingen in de corporate governance van een aantal instellingen hebben ertoe bijgedragen dat in de banksector buitensporige en onverantwoorde risico’s zijn genomen die tot het falen van individuele instellingen hebben geleid en niet alleen in de lidstaten maar in de hele wereld systeemproblemen hebben veroorzaakt”,2 en de MiFID II: “Het nemen van buitensporige en onverantwoorde risico’s kan tot de ondergang van individuele instellingen leiden en niet alleen in de lidstaten maar in de hele wereld systeemproblemen veroorzaken. Incorrect gedrag van ondernemingen die diensten aan cliënten verlenen, kan beleggers schade berokkenen en het beleggersvertrouwen aantasten.”3
Zowel in de CRD IV als de MiFID II zijn uitgebreide governance-bepalingen opgenomen, waaronder eisen ten aanzien van de geschiktheid en betrouwbaarheid van leden van het leidinggevende orgaan.4 Toetsing van governance-regelingen, bedrijfscultuur en -waarden en het vermogen van de leden van het leidinggevend orgaan om hun taken te vervullen maakt voorts onderdeel uit van de jaarlijkse procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process, SREP).5 Tegen de achtergrond van de genoemde witwas-incidenten kan daarnaast worden gewezen op de recente aanpassing van de CRD IV (“CRD V”). Deze aanpassing houdt in dat toezichthouders bij overtredingen van anti-witwasregelgeving door banken en beleggingsondernemingen de geschiktheid en de betrouwbaarheid van de betrokken beleidsbepalers opnieuw bezien.6
In vergelijkbare zin bepalen de Richtlijn Solvabiliteit II (voor verzekeraars) en de IORP II-Richtlijn (voor pensioenfondsen) dat bepaalde risico’s niet uitsluitend door het opleggen van kwantitatieve normen, zoals solvabiliteitsratio’s, maar juist ook door kwalitatieve normen moeten worden beheerst zoals governance-vereisten en personentoetsingen.7
Ook de ESA’s leggen steeds meer de nadruk op de kwaliteit van beleidsbepalers en interne toezichthouders en, ter waarborging van die kwaliteit, aan het belang van personentoetsingen. Zo gaf EBA in 2012 al aan, met verwijzing naar de financiële crisis: “The ongoing suitability of all members of the management body is crucial for the proper functioning of a credit institution.” De geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsing werd, nu tijdens de crisis het interne toezicht in veel gevallen niet goed had gefunctioneerd, nadrukkelijk ook op commissarissen (en niet-uitvoerende bestuurders) van toepassing verklaard.8
In 2017 stelden EBA en ESMA gezamenlijk dat, tegen de achtergrond van de financiële crisis, de rollen en verantwoordelijkheden van bestuur en RvC’s versterkt moesten worden om een gezonde en beheerste bedrijfsvoering van banken en beleggingsondernemingen te kunnen verwezenlijken en de integriteit van de financiële markten en de belangen van klanten te bewaken. Deze visie kwam onder meer tot uitdrukking in een versteviging van het eisenpakket waaraan bestuurders, commissarissen en sleutelfunctiehouders (leden van het tweede echelon) dienen te voldoen.9
Ook EIOPA noemde de geschiktheids- en betrouwbaarheidseisen in 2018 een hoeksteen van het toezicht op verzekeraars: “Fit and proper requirements are a cornerstone of prudential supervision in today’s world.” The financiële crisis bevestigde in de ogen van EIOPA de relatie tussen onvoldoende geschikte of betrouwbare beleidsbepalers of andere sleutelfiguren, en instellingen die ten onder gingen, er dubieuze praktijken op nahielden zoals marktmisbruik of de belangen van klanten onvoldoende in het oog hielden. “Behaviour, character and conduct often contribute to the likelihood of failure and unfair treatment of consumers.” EIOPA beschouwt de geschiktheids- en betrouwbaarheidsregelgeving daarom als essentieel in het licht van het bredere publieke belang en het bewaken van de integriteit van het financiële systeem.10