Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders bij preventieve herstructureringen (VDHI nr. 163) 2020/2.7.1.2
2.7.1.2 Individuele aandeelhouders en het vennootschappelijk belang
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, datum 02-02-2020
- Datum
02-02-2020
- Auteur
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen
- JCDI
JCDI:ADS197804:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
O.a. Assink/Slagter 2013, p. 94, Van der Heijden/Dortmond 2013, p. 258, De Jongh 2014, p. 527, Kemp 2015, p. 195 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/228. Een uitzondering vormt Slagter: hij meent dat een individuele aandeelhouder nooit gebonden is aan de redelijkheid en billijkheid, maar een metamorfose ondergaat wanneer hij de algemene vergadering betreedt. Zie Slagter 2012. Zie uitgebreid over de ‘aanvliegroutes’: Kemp 2015, par. 5.7.
O.a. Oosterhoff 2017, p. 259 en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017/67.
Olaerts 2017, p. 634 en Oosterhoff 2017, p. 258.
HR 30 juni 1944, ECLI:NL:HR:1944:BG9449, NJ 1944/465 (Wennex), HR 13 november 1959, ECLI:NL:HR:1959:AG2043, NJ 1960/472 (Melchers) en HR 19 februari 1960, ECLI:NL:HR:1960:AG2044, NJ 1960/473 (Aurora). Een verglijkbaar arrest is HR 13 februari 1942, ECLI:NL:PHR:1942:AG192, NJ 1942/360 (Baus/De Koedoe I). Zie eveneens Hof Amsterdam (OK) 28 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9658, JOR 2013/171 (AAA Groep), r.o. 3.8. Onder het eigen belang vallen ook privébelangen, zie hierover Kemp 2015, p. 196-197 en p. 388-389 en Oosterhoff 2017, p. 249.
In het Melchers-arrest en het Aurora-arrest is misbruik van bevoegdheid niet herhaald, maar worden de woorden ‘in beginsel’ ook gebruikt. Er is blijkbaar wel een grens, zie Oosterhoff 2017, p. 252-253. Zie Kemp 2015, p. 176 die meent dat de woorden ‘in beginsel’ duiden op het feit dat de aandeelhouder in beginsel zijn eigen belang mag bepalen en niet op de situatie dat het handelen in het eigen belang mag worden beperkt.
Assink/Slagter 2013, p. 838 en Oosterhoff 2017, p. 257.
O.a. Hof Amsterdam (OK) 3 maart 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AB8354, NJ 1999/350 (Gucci), r.o. 3.3, Hof Amsterdam (OK) 11 maart 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AC1926, NJ 1999/351 (Breevast), r.o. 4.16, Hof Amsterdam (OK) 16 oktober 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AD4598, NJ 2001/640 (RNA), r.o. 3.17 en Hof Amsterdam (OK) 27 mei 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM5928, JOR 2010/189 (PCM), r.o. 3.13 (ten aanzien van toekomstige aandeelhouders). Zie uitgebreid Kemp 2015, par. 5.5 en Oosterhoff 2017, par. 6.2.2 met een bespreking van deze (en andere) jurisprudentie. Uitzondering betreft de beschikking van het Hof Amsterdam (OK) 28 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9658, JOR 2013/171 (AAA Groep) waarin de OK geen nuancering aanbrengt op het handelen van een meerderheidsaandeelhouder. De meerderheidsaandeelhouder was echter in casu tevens bestuurder en dit gegeven kan hebben geleid tot deze enigszins vreemde uitkomst.
Zie over de verhouding tussen de normen Kemp 2015, par. 6.2 en uitgebreid Oosterhoff 2017, par. 6.2.4. De Hoge Raad stelt de (beperkende werking van de) redelijkheid en billijkheid qua inhoud gelijk aan misbruik van bevoegdheid, zie HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY5697, NJ 2006/639 (The Mill Resort). Zo ook Maeijer 1991, p. 17: “Indien het criterium rechtsmisbruik niet al te eng wordt opgevat, zullen de praktische resultaten waartoe een dergelijke benadering kan leiden, naar mijn inzicht niet ver uiteen lopen met hetgeen kan voortvloeien uit de beperkende werking van de goede trouw zoals thans aangeduid in het Nederlands N.B.W.”
O.a. Olaerts 2007, p. 274, Assink/Slagter 2013, p. 186, De Jongh 2014, p. 526-527, Kemp 2015, p. 210, Verdam 2015 en Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/260. Zie anders Slagter 2012.
Dit geldt voor de redelijkheid en billijkheid in zijn algemeenheid, dus niet enkel de redelijkheid en billijkheid uit Boek 2 BW.
Koelemeijer 1999, p. 25 e.v., Assink/Slagter 2013, p. 184, Wolters 2013, par. 1.3 en Asser/Sieburgh 6-III 2018/402.
Bakker 2012, par. 1.6, Assink/Slagter 2013, p. 185, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/230, Verdam 2015 en Van Schilfgaarde 2016, par. 1.14. Kemp (2015, p. 211) en De Jongh (2011) beschouwen de gedragsnorm als een vierde, aparte, functie van de redelijkheid en billijkheid.
Koelemeijer 1999, p. 29. Zie Bakker 2012, par. 1.3 voor een overzicht van de voorstanders van een beslisnorm.
Zo ook De Jongh 2011, Van Schilfgaarde 2016, p. 150, Olaerts 2017, p. 635 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/124 onder b. Van Schilfgaarde lijkt eerder, in zijn annotatie bij HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286 (Cancun), nog voorzichtiger door aan te nemen dat een grootaandeelhouder zich dient te richten op het vennootschappelijk belang en dat dit desgewenst kan via de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW.
Van Schilfgaarde 2016, par. 1.14.
Asser/Kroeze 2-I* 2015/227. Zie ook Van Ginneken & Timmerman 2011 en De Jongh 2011.
Zie voetnoot 358 voor jurisprudentie waarbij de mate van invloed van een aandeelhouder een rol speelde. Zie verder o.a. De Jongh 2011, Koelemeijer 2011, p. 207 en p. 341, Schrama 2012, Assink/Slagter 2013, p. 191, De Jongh 2014, p. 531 e.v., Koelemeijer 2015, p. 67, Kemp 2015, par. 10.2-10.3, Van Schilfgaarde 2016, p. 150, Olaerts 2017, p. 638, Oosterhoff 2017, p. 245 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/124 onder b.
Kemp 2015, par. 10.2.1.
Zie Bartman & Dorresteijn 2013, nr. IV.4.2. Veel jurisprudentie over de verhouding tussen meerderheids- en minderheidsaandeelhouders ziet op het nemen van een dividendbesluit. Het gedeeltelijk of geheel reserveren van de winst kan in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Zie voor een overzicht van jurisprudentie Assink/Slagter 2013, p. 195-196. Zie ook Van Schilfgaarde 2016, p. 226. Het dividendbeleid is niet van belang bij een vennootschap in financiële nood aangezien dan niet wordt voldaan aan de vereisten uit art. 2:216 BW voor een uitkering van dividend.
O.a. HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB/KLM), r.o. 3.4.2 en HR 1 maart 2012, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, JOR 2002/79 (Zwagerman Beheer). Zie verder o.a. Assink/Slagter 2013, p. 204 en Kemp 2015, par. 10.2.2.
Preambule Nederlandse CGC 2016, p. 8. Hoewel de Code in principe slechts geldt voor beursvennootschappen heeft de Code ook invloed op niet-beursvennootschappen.
Olaerts 2007, par. 8.4.3 en Kemp 2015, par. 10.3.
O.a. Koelemeijer 1999, p. 339-347, Olaerts 2007, par. 8.4.3, Assink/Slagter 2013, p. 191 e.v., De Jongh 2014, p. 531-534, Kemp 2015, hfst. 10, Olaerts 2017, p. 637 en Oosterhoff 2017, p. 245. De omstandigheden kunnen ook overlappen.
In beginsel mogen aandeelhouders hun eigen belang nastreven bij de uitoefening van hun aandeelhoudersrechten. Onder omstandigheden dienen aandeelhouders echter rekening te houden met het vennootschappelijk belang en de belangen van de bij de vennootschap betrokkenen en deze zo nodig te laten prevaleren boven hun eigen belang.
Uit de jurisprudentie is niet de algemene regel af te leiden dat aandeelhouders altijd het vennootschappelijk belang moeten dienen bij de uitoefening van hun aandeelhoudersrechten. De omstandigheden van het geval spelen een doorslaggevende rol bij de vraag of een individuele aandeelhouder niet zijn eigen belang mag nastreven en dus grenzen tegenkomt. In de literatuur bestaat hierover in vergaande mate overeenstemming. De meningen verschillen met name over de ‘aanvliegroute’: mag een aandeelhouder zijn eigen belang dienen, ‘tenzij’1 of mag een aandeelhouder ‘niet uitsluitend’ zijn eigen belang behartigen, maar moet hij ook oog hebben voor andere belangen waarbij zijn eigen belang een belangrijke, vaak doorslaggevende, rol mag spelen.2 Het resultaat is goeddeels hetzelfde, namelijk dat aandeelhouders niet altijd hun eigen belang mogen nastreven.3 Voor dit onderzoek is van belang wanneer dat dan het geval is (waarover hierna meer). Mijn voorkeur ligt bij de eerste aanvliegroute. Allereerst is het niet eenvoudig voor aandeelhouders om (als uitgangspunt) de belangen van alle betrokkenen in kaart te brengen. Voorts is het uitgangspunt van artikel 1 EP EVRM dat een aandeelhouder het recht heeft op in beginsel ongestoord genot van zijn eigendom en bovendien hanteert de Hoge Raad de eerste aanvliegroute. Uit de arresten Wennex, Melchers en Aurora volgt dat aandeelhouders in beginsel hun eigen belang mogen dienen in de vennootschap: “dat (toch) den aandeelhouder ener naamloze vennootschap in het hem verleende stemrecht niet een recht in het belang van anderen is toevertrouwd, doch een eigen recht is gegeven om zijn belang in de vennootschap te dienen.”4 Het in beginsel dienen van het eigen belang is sindsdien niet meer (expliciet) herhaald door de Hoge Raad, maar ook niet weersproken in latere arresten.
De woorden ‘in beginsel’ impliceren grenzen. In het Wennex-arrest werd reeds misbruik van recht als grens genoemd (thans misbruik van bevoegdheid ex art. 3:13 BW) en oordeelde de Hoge Raad dat de stemovereenkomst – de drie arresten betroffen alle stemovereenkomsten – niet mag leiden tot maatschappelijke onbetamelijkheid (onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW).5 Onder meer Oosterhoff en Assink geven aan dat de rechtspraak thans moet worden gelezen en begrepen in het licht van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 en lid 2 BW.6 Deze vennootschapsrechtelijke norm bestond ten tijde van de drie hiervoor genoemde arresten nog niet. De recente rechtspraak ondersteunt dit.7 De overkoepelende redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 BW of artikel 6:248 BW, misbruik van bevoegdheid ex artikel 3:13 BW en onbetamelijk handelen ex artikel 6:162 BW, zijn ook normen die betrekking kunnen hebben op het handelen van aandeelhouders.8 Ik focus mij hierna op de specifiek op vennootschapsrechtelijke verhoudingen toegespitste redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.
Wat betekent de redelijkheid en billijkheid voor het handelen van aandeelhouders? Vooropgesteld zij dat individuele aandeelhouders vallen onder het bereik van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 2:8 BW.9 Op hoofdlijnen zijn drie functies van de redelijkheid en billijkheid te onderscheiden.10 Deze zijn de aanvullende functie, de beperkende functie en de interpreterende functie.11 De belangrijkste functies voor dit onderzoek zijn de aanvullende en de beperkende functie. De aanvullende redelijkheid en billijkheid kan leemtes opvullen in regels die gelden tussen de bij de vennootschap betrokkenen. Deze functie is terug te vinden in artikel 2:8 lid 1 BW: de rechtspersoon en degenen die bij de organisatie zijn betrokken, dienen zich te gedragen naar hetgeen de redelijkheid en billijkheid vordert. Het betreft een (positieve) gedragsnorm: aandeelhouders dienen redelijkheid en billijkheid te betrachten bij hun handelen jegens elkaar en jegens andere betrokkenen bij de organisatie.12 Een aantal auteurs meent dat de norm geen gedragsregel inhoudt, maar (slechts) een beslisregel is voor de rechter.13 De norm is, zo stellen zij, volledig open en kan derhalve niet gelden als een gedragsnorm. Mijns inziens is de redelijkheid en billijkheid wel degelijk te beschouwen als een gedragsnorm. Zoals hierna aan bod zal komen, kan de redelijkheid en billijkheid vorderen dat aandeelhouders (aanvullend) rekening moeten houden met het vennootschappelijk belang of belangen van de bij de vennootschap betrokkenen.14
De tweede functie, de beperkende functie (ex art. 2:8 lid 2 BW), zorgt ervoor dat een regel die krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldt, niet van toepassing is indien dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze functie vervult een prominente rol wanneer het financieel slecht gaat met de vennootschap. Dit komt tot uiting bij de in paragraaf 6.2 te bespreken noodzaakfinanciering. Onder omstandigheden mogen aandeelhouders bij noodzaakfinanciering hun zeggenschapsrechten niet uitoefenen.15 De aanvullende werking als gedragsnorm en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid hangen nauw samen met elkaar: “De gedragsnorm lokt beoordeling uit.”16 De beperkende functie van de redelijkheid en billijkheid is bij noodzaakfinanciering nodig omdat (wordt voorzien dat) aandeelhouders zich niet aan de gedragsnorm houden bij hun handelen. In deze paragraaf staat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid centraal (de grens voor het handelen van aandeelhouders) en in paragraaf 6.2 met name de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Het hangt van de omstandigheden van het geval af of de redelijkheid en billijkheid vorderen dat een aandeelhouder ook rekening moet houden met het vennootschappelijk belang of belangen van bij de vennootschap betrokkenen (en deze zo nodig moet laten prevaleren). Deze belangen mogen niet op onevenredige wijze worden geschaad.17 Eén van de belangrijkste omstandigheden is mijns inziens de mate waarin een aandeelhouder invloed kan uitoefenen binnen de vennootschap.18 Het aandelenbelang dat de aandeelhouder houdt, is daarbij onder meer van belang. Heeft een aandeelhouder een aandelenpakket waarmee hij de benodigde stemmeerderheid voor besluiten van de algemene vergadering kan halen, dan kan hij invloed uitoefenen in de algemene vergadering. Of een aandeelhouder de benodigde stemmeerderheid heeft, is afhankelijk van de stemmeerderheid die voor een besluit is vereist en de opkomst op de algemene vergadering in combinatie met eventuele quorumvereisten met betrekking tot de aanwezigheid.19 De meeste jurisprudentie in dit kader ziet op de verhouding tussen de meerderheidsaandeelhouder en de minderheidsaandeelhouder(s).20 Het gegeven dat sprake is van een meerderheidsaandeelhouder en een minderheidsaandeelhouder is onder meer relevant voor de vraag of de meerderheidsaandeelhouder de nodige zorgvuldigheid heeft te betrachten met betrekking tot de belangen van minderheidsaandeelhouders.21 Ook in de Corporate Governance Code is de koppeling terug te vinden tussen de omvang van het aandelenbelang en de mate van zorgvuldigheid:
“Aandeelhouders kunnen bij hun handelen in beginsel hun eigen belangen nastreven, zolang zij zich ten opzichte van de vennootschap, haar organen en hun medeaandeelhouders gedragen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. (…) Hoe groter het belang is dat een aandeelhouder in de vennootschap houdt, hoe groter zijn verantwoordelijkheid is jegens de vennootschap, medeaandeelhouders en andere stakeholders.”22
Enkel de omvang van het aandelenbelang is doorgaans niet bepalend voor de vraag of een aandeelhouder invloed heeft binnen de vennootschap. Het is veeleer de macht die een aandeelhouder binnen de vennootschap heeft die bepaalt of de redelijkheid en billijkheid vergen dat hij niet alleen zijn eigen belang nastreeft. De macht van een aandeelhouder binnen de vennootschap is, naast de omvang van zijn aandelenbelang, afhankelijk van het soort aandelen dat hij houdt – zoals prioriteitsaandelen of aandelen met meervoudig stemrecht – en de rechten die voortvloeien uit (stem)overeenkomsten. Voorts is de macht afhankelijk van statutaire bevoegdheden, zoals goedkeuringsrechten of een instructierecht.23
Andere belangrijke, niet limitatieve, omstandigheden zijn de aard en omvang van de vennootschap, de aard en omvang van de in het geding zijnde belangen, de hoedanigheid van de aandeelhouder en, voor dit onderzoek bijzonder van belang, de financiële situatie van de vennootschap.24 Een joint venture heeft bijvoorbeeld een meer besloten karakter en een geringer aantal aandeelhouders dan een grote vennootschap met een verspreid aandelenbezit. Dit betekent dat een aandeelhouder van een joint venture meer betrokken is bij de vennootschap en beschikt of behoort te beschikken over meer informatie dan een aandeelhouder die primair een investeerder in een grote vennootschap is. Het brengt met zich dat eerstgenoemde een verdergaande verantwoordelijkheid heeft jegens de vennootschap, zijn medeaandeelhouders en andere stakeholders. Dit geldt ook voor een aandeelhouder die tevens bestuurder is. Voorts zijn de gevolgen voor het vennootschappelijk belang en de belangen van de stakeholders van te nemen besluiten van de algemene vergadering een belangrijke omstandigheid. Die gevolgen zijn doorgaans groot wanneer het financieel slecht gaat met de vennootschap. In hoofdstuk 6 wordt specifiek ingegaan op de financiële situatie van de vennootschap en het handelen van aandeelhouders. Zo wordt in paragraaf 6.2 noodzaakfinanciering besproken: een invloedrijke aandeelhouder mag zijn eigen belang niet nastreven wanneer het dusdanig financieel slecht gaat met de vennootschap dat een faillissement zeer waarschijnlijk volgt. In de WHOA (par. 6.5) wordt vervolgens een stap verder gezet: bepaalde aandeelhoudersrechten van alle, niet alleen invloedrijke, aandeelhouders worden buiten toepassing verklaard op grond van de WHOA.25