Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.8.5:6.8.5 Kritiek op de convergentiecriteria
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.8.5
6.8.5 Kritiek op de convergentiecriteria
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS455268:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Begg e.a. 1991, p. 21-62; Buiter, Corsetti & Roubini 1993; De Grauwe 1994, p. 158; De Grauwe 1996a; Wyplosz 1997.
Zie hierover onder meer: Mongelli 2002; Baldwin & Wyplosz 2015, p. 349-383.
Zie hierover: De Grauwe 1996a.
De Grauwe 2009, p. 57-74; Baldwin & Wyplosz 2015, p. 352-356.
De Grauwe 2009, p. 5-22; Baldwin & Wyplosz 2015, p. 356-361.
Zie voor een analyse van dit nadeel ten tijde van de financiële en schuldencrisis vanaf 2007: Eichengreen 2009, p. 6-7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op de vier convergentiecriteria van het Verdrag van Maastricht over prijsstabiliteit, overheidsfinanciën, wisselkoersen en rentevoet is veel kritiek geuit.1 Centraal hierbij staat de economische theorie over zogeheten Optimum Currency Areas (hierna: OCA).2 Deze theorie gaat over de vraag of het voordelig is voor een groep landen om dezelfde munt te voeren, hetgeen gelijkstaat aan onherroepelijk vastgestelde wisselkoersen. Zeker voor de invoering van de euro werd het vaak vanzelfsprekend gevonden dat ieder land een eigen valuta hanteerde. Een munt vormde immers, evenals een nationale vlag of een volkslied, een symbool van het land. Maar waarom zouden niet meer landen dezelfde munt kunnen gebruiken? En wellicht is zelfs één internationale valuta denkbaar?3
Het gebruik van één munt door meerdere landen heeft ontegenzeggelijke voordelen.4 Zo is er geen sprake meer van wisselkoersen, waarmee een grote mate van onzekerheid tenietgaat. Indien partijen A en B uit twee verschillende landen met andere munteenheden zaken doen, loopt een van beide immers altijd een risico. Indien een prijs wordt afgesproken in de valuta van A, weet B niet of op het moment dat hij het bedrag int, de wisselkoersen tussen de twee verschillende munteenheden voor hem gunstig zijn en of hij dus het bedrag krijgt dat hij voor het goed in gedachten had. Daarnaast zorgt het gebruik van één munt ervoor dat er bij handel tussen deze landen geen transactiekosten meer zijn, omdat geen van beide partijen de munt waarin zaken is gedaan (tegen betaling) hoeft om te wisselen voor de eigen munt.
Het gebruik van één munt heeft echter ook nadelen.5 Het belangrijkste bezwaar hiertegen is, zoals aangestipt in par. 6.7.2, het verlies van monetaire autonomie.6 Indien meerdere landen dezelfde valuta hanteren, is het niet langer mogelijk voor één van die landen om de munt te devalueren. Tevens is het dan niet meer mogelijk om specifiek op de munt van het ene land gerichte maatregelen te nemen, aangezien die landen dezelfde munteenheid hanteren en de centrale bank één gezamenlijk beleid voert. Dit verlies van monetaire autonomie is het meest fundamentele nadeel van een monetaire unie. Daarnaast heeft het gebruik van één munt ook tot gevolg dat een staat niet langer eigen voorkeuren kan nastreven. Zo hadden de Noord-Europese landen voor de start van de EMU, met Duitsland voorop, een grote voorkeur voor beleid gericht op een lage inflatie. Zuid-Europese landen hadden er minder moeite mee als de inflatie opliep, als de werkloosheid maar binnen de perken bleef. Dergelijke voorkeuren zijn niet meer rechtstreeks naar beleid te vertalen in een monetaire unie, aangezien er dan één centrale bank is die besluiten neemt voor alle landen.
6.8.5.1 Criteria OCA6.8.5.2 Europa als OCA?