Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.4.5
3.4.5 Overige rechtspositionele waarborgen
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS496161:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
P.P.T. Bovend’Eert, ‘De modernisering van de rechterlijke organisatie: integraal management als staatsrechtelijk probleem’, in: Koekkoek (red.), Organisatie van de rechtspraak, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1999, p. 10.
Mitap & Müftüoglu t. Turkije, ECRM 8 december 1994, appl. no. 15530/89, § 104-108.
Ook hier moet weer worden aangetekend dat in het midden blijft waarop de Commissie precies doelt met ‘deze omstandigheden’, althans wat het respectievelijke gewicht is van de verschillende door haar genoemde factoren in het eindoordeel.
De eerste keer dat het Hof dit heeft aangenomen ten aanzien van een Turks veiligheidshof is de zaak Incal, EHRM 9 juni 1998, Reports 1998, 1547. De eerste keer dat het Hof dit heeft aangenomen ten aanzien van een Turks militair gerecht is de zaak Yakiş, EHRM 25 september 2001, appl. no. 33368/96. De samenstelling van veiligheidshoven en militaire gerechten is niet geheel gelijk, maar beide bevatten militaire rechters, ten aanzien waarvan de problemen onder artikel 6 EVRM rijzen. Artikel 38 van Law no. 2845 on the creation and rules of procedure of the National Security Courts bepaalt: ‘A National Security Court may be transformed into a Martial-Law Court, under the conditions set forth below, where a state of emergency has been declared in all or part of the territory in respect of which the National Security Court concerned has jurisdiction (...).’
Zie ook M. Kuijer, ‘De EHRM jurisprudentie over onafhankelijkheid en onpartijdigheid van nationale rechters en de gevolgen hiervan voor het nieuwe hof’, NJCM-Bulletin 1997, p. 852.
ECRM 9 december 1988, D&R, p. 212.
Hierbij verwijst de Commissie naar de uitspraak van de Supreme Court, 1 november 1985, Eccles e.a. t. Ierland, the Attorney-General and Others [1986] ILRM 343: ‘Whilst (...) the Special Criminal Court does not attract the express guarantees of judicial independence contained in Article 35 of the Constitution, it does have, derived from the Constitution, a guarantee of independence in the carrying out of its functions.’ Artikel 35 van de Ierse Grondwet garandeert rechterlijke onafhankelijkheid onder meer op de volgende wijze: 2° All judges shall be independent in the exercise of their judicial functions and subject only to this Constitution and the law. 5° The remuneration of a judge shall not be reduced during his continuance in office.
Bij overige rechtspositionele maatregelen die mogelijk relevant zijn met betrekking tot de rechterlijke onafhankelijkheid, kan men denken aan het al dan niet geven van promotie (voor zover men daarvan kan spreken binnen een rechterlijke organisatie), een salarisverhoging of -vermindering, een berisping, een waarschuwing, of het opleggen van een schorsing of andere disciplinaire maatregel in de uitoefening van toezicht op rechters. Op zich zou ook gedwongen overplaatsing van een rechter tot deze restcategorie kunnen worden gerekend. Het Hof lijkt dat echter mee te nemen in zijn beschouwingen over ‘irremovability’ van de rechter, waarover reeds is gesproken in de vorige paragraaf. Al deze maatregelen krijgen onvoldoende afzonderlijke aandacht in de jurisprudentie van het Hof om over elk een aparte paragraaf te schrijven. Dat wat erover is opgemerkt, volgt samengevat hieronder.
Promotie en bevordering zijn lastige termen in relatie tot rechters. Het is niet zonder problemen om in het geval van benoeming in een andere rechterlijke functie, een zogenaamde ‘hogere’, van promotie te spreken (bijvoorbeeld in Nederland ten aanzien van een rechter die eerst rechterlijk ambtenaar bij een rechtbank was en daaropvolgend raadsheer in een gerechtshof wordt, of een vicepresident van de rechtbank die president van de rechtbank wordt). De mogelijkheid van hoger beroep en cassatie brengen namelijk geen gezagsverhoudingen mee. Rechtspraak in meerdere instanties beoogt de rechtszekerheid en rechtseenheid te bevorderen, niet hiërarchische verhoudingen te creëren.1 Toch zal men het in de praktijk vaak als promotie ervaren en is ook de hoogte van het wettelijk vastgelegde salaris daarop aangepast. Afhankelijk van het gekozen systeem van bevordering van rechters binnen de rechterlijke organisatie, is het mogelijk dat het bij de promotie in feite gaat om een (herhaalde) benoemingsvraag: wie benoemt de rechter in zijn nieuwe (hogere) functie? In Nederland moeten rechters opnieuw solliciteren (naar aanleiding van een advertentie) voor een bepaalde rechterlijke positie. Indien het in wezen gaat om een benoemingsvraag, geldt het geschrevene in § 3.4.1.
Zaken die zuiver gaan over promotiemogelijkheden als rechter zijn niet voorgekomen in Straatsburg. Maar er is wel een aantal arresten over militaire gerechten gewezen, waar de hiërarchische militaire organisatie, waarbinnen promotie een grote rol speelt, in combinatie met de rechterlijke functie die militaire ambtenaren uit de organisatie vervullen, ter discussie staat. De Commissie heeft zich daarover de eerste keer uitgelaten in Mitap & Müftüoglu.2 Meer in het bijzonder zag de klacht op het feit dat voor het maken van promotie binnen de militaire organisatie de militaire rechters gunstige rapporten behoeven van hun meerderen. Volgens de Commissie geeft het beoordelingssysteem van de militaire rechters inderdaad aanleiding tot twijfel: om promotie te verkrijgen, behoeven militaire rechters gunstige rapporten van zowel hun bestuurlijke superieuren (legerofficieren) als hun juridische superieuren (rechters van de Militaire Hoge Raad). Zij is van mening dat een beoordeling door enkel hiërarchisch superieure officieren de carrière van militaire rechters kan beïnvloeden en het beeld van hun onafhankelijkheid in twijfel kan trekken. De officier die zitting heeft in het krijgsgerecht is hiërarchisch ondergeschikt aan de bevelhebber inzake militair recht en/of de bevelhebber van het betreffende legerkorps. Hij is op geen enkele wijze onafhankelijk ten opzichte van deze autoriteiten. Onder deze omstandigheden, gearresteerd en voor het krijgsgerecht gebracht door de veiligheidstroepen die opereren onder het gezag van de bevelhebber inzake militair recht, konden de klagers gerechtvaardigd vrezen dat de bevelhebber druk op het gerecht zou uitoefenen om ze veroordeeld te krijgen. Het feit dat het krijgsgerecht zijn militaire status binnen de militaire organisatie behield, zelfs nadat het militaire recht niet meer geldig was, kon deze vrees alleen maar bevestigen. Het feit dat ook twee civiele rechters deel uitmaakten van het gerecht, aan wier onafhankelijkheid niet werd getwijfeld, maakt geen verschil in dit opzicht. Objectieve factoren, waaronder de beoordelingsregeling, rechtvaardigden derhalve de vrees dat het gerecht niet onafhankelijk was.3 Zeer vergelijkbare redeneringen ten aanzien van beoordeling van rechters aan de hand van rapportages geeft het Hof later in zaken over Turkse veiligheidshoven en militaire gerechten.4
Een rechter kan ook op meer verborgen wijze afhankelijk zijn van de uitvoerende macht. Zo kan deze bijvoorbeeld een zekere greep op rechters krijgen via hun salariëring. De Straatsburgse instanties lijken dit niet snel te aanvaarden als een inbreuk op de rechterlijke onafhankelijkheid.5 In de zaak Eccles e.a.6 vielen de klagers over een bepaling uit de wet op grond waarvan zogenoemde ‘Special Criminal Courts’ konden worden ingesteld, luidend: ‘The Minister for Finance may pay to every member of a Special Criminal Court such (if any) remuneration and allowances as the said Minister may think proper and different rates of remuneration and allowances may be paid to different members of any such Court, or to the members of different such Courts.’ Volgens de klagers is de vergoeding van de leden van het gerecht hierdoor volledig in handen van de uitvoerende macht, als gevolg waarvan het niet onafhankelijk zou zijn. De Commissie achtte evenwel niet bewezen dat was getracht de onafhankelijkheid van het speciale strafhof te ondermijnen door misbruik te maken van die bevoegdheid met de bedoeling om het strafhof te beïnvloeden in de uitoefening van zijn functie (to influence the court in the performance of its functions). Bovendien zou een dergelijke beïnvloedingspoging in een concrete zaak worden tegengehouden (of gecorrigeerd) door de nationaal bevoegde gerechten als zijnde een inconstitutionele inbreuk op de rechterlijke onafhankelijkheid.7 De bewoordingen van de Commissie sluiten echter niet uit dat, indien een dergelijke beïnvloeding wel kan worden bewezen (wat – toegegeven – erg lastig zal zijn) en dit niet door de lidstaat zelf is gecorrigeerd, zij artikel 6 EVRM geschonden acht. Naast salariëring kan ook gedacht worden aan het onthouden van voldoende ondersteunend personeel of faciliteiten, zoals gebouwen en computers. Er zijn geen zaken gewezen, waarin een dergelijke klacht is behandeld.