Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/6.2.4
6.2.4 Te goeder trouw
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685407:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302 (Dakterras), rov. 11.2, waarin de Afdeling in algemene zin overweegt dat ‘op degene die een beroep op het vertrouwensbeginsel doet een onderzoeksplicht rust’.
Zie ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:429, AB 2021/44; ABRvS 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2771 en ABRvS 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:203.
CRvB 24 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1836; CRvB 8 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4290, Gst. 2017/38; CRvB 2 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3000; CRvB 11 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3701; CRvB 30 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1811; CRvB 21 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1256; CBb 20 april 2017, ECLI:NL:CBB:2017:207 en ABRvS 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3041, waarin appellant bij zijn aanvraag niet had vermeld dat hij meermaals is veroordeeld wegens overtreding van het Vuurwerkbesluit. Zie ook De Sterke 1989, onder 4. Alleen als aan de mededeling geen onjuiste of onvolledige inlichtingen van de betrokkene debet waren of als de onjuistheid van het standpunt door de betrokkene anderszins niet had behoren te zijn onderkend, kan sprake zijn van gerechtvaardigd vertrouwen: CRvB 3 juli 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE5841.
Zie bijv. CRvB 23 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1381, rov. 4.3 en ABRvS 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2771, rov. 8.2 (als gevolg waarvan het in rov 8.3 mis ging voor appellante). Ook wel de professionele marktdeelnemer genoemd. Zie bijv. CBb 17 april 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF7702, AB 2003/267 en CBb 9 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:258, rov. 8.2. Ortlep 2020a ziet in die onderzoeksplicht een bevestiging van zijn stelling dat ook in het bestuursrecht de rechtsverhouding tussen burger en bestuur wordt beheerst door de goede trouw: als de burgers zich niet naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid gedraagt, mag de overheid daarop ook een passende respons geven. In ABRvS 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2711 werd van appellant niet verwacht dat hij wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat aan de mededeling van de Belastingdienst/Toeslagen niet de gerechtvaardigde verwachting kon worden ontleend dat hij aanspraak had op een voorschot kinderopvangtoeslag. Zie ook CRvB 16 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1072, AB 2017/167, rov. 4.3: Appellanten hadden gelet op hun werkervaring in deze functie bovendien geen enkele reden om te vermoeden dat de toezegging op een fout berustte. Daar kwam bij dat de minister de onjuiste mededeling na ontdekking van de fout niet heeft getracht op korte termijn te corrigeren. Zie hierover ook NTB 2008/13 waar Schlössels opmerkt dat ‘[h]et deskundig zijn van de fidens bovendien steeds mede [dient] te worden bezien in het licht van de omstandigheden van het geval’.
Onder 3.14 conclusie van A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel, ECLI:NL:RVS:2019:896, onder 2 bijlage 1. Alle omstandigheden zijn daarbij van belang. Dit is vergelijkbaar met het vereiste voor gerechtvaardigd vertrouwen op toezeggingen en inlichtingen in het belastingrecht, zie par. 7.2.
Zie ook ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:429, AB 2021/44; ABRvS 17 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1425, AB 2021/45; ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1586, AB 2020/315; CRvB 3 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:228, AB 2021/135, rov. 4.6 en ABRvS 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2342, rov. 5 en 6.2-6.4.
Zie ABRvS 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:118, waarin volgens de Afdeling de gemachtigde van appellant had kunnen beseffen dat het bouwovergangsrecht noch het gebruiksovergangsrecht basis kon bieden voor het verlenen van de vergunning; ABRvS 17 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2723, AB 2021/85, rov. 5.2 en ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302 (Dakterras), rov. 11.2.
Om gerechtvaardigd vertrouwen aan te nemen, is niet alleen een welbewuste standpuntbepaling nodig, maar een belanghebbende moet ook te goeder trouw zijn om gerechtvaardigd op die uitlating te mogen vertrouwen. Deze voorwaarde komt niet altijd expliciet terug in de rechtspraak. De verklaring daarvoor moet worden gevonden in het gegeven dat de goede trouw wordt verondersteld, tenzij sprake is van contra-indicaties. De veronderstelling van goede trouw wordt bijvoorbeeld verlaten indien een betrokkene de (voor zover relevant) voor de uitlating relevante feiten en omstandigheden niet correct heeft weergegeven aan het bevoegde bestuursorgaan. Evenmin kan sprake zijn van goede trouw indien betrokkene besefte of had moeten beseffen dat de uitlating van de overheidsfunctionaris gaat over een beslissing die buiten de bevoegdheid van het bestuursorgaan ligt, of anderszins in strijd is met de toepasselijke rechtsre-gels. De bestuursrechter schaart deze voorwaarden wel onder een onderzoeksplicht die op een belanghebbende rust.1 Gelet op de aard van deze voorwaarde – waarvan wordt aangenomen dat daaraan is voldaan tenzij sprake is van contra-indicaties – heeft de Afdeling meermaals overwogen in welke gevallen een belanghebbende niet te goeder trouw is.2 Een belanghebbende kan niet gerechtvaardigd vertrouwen op een overheidsuitlating als:
belanghebbende de relevante feiten en omstandigheden onjuist of onvolledig heeft weergegeven;3
belanghebbende gelet op zijn specifieke kennis of deskundigheid had moeten beseffen dat de uitlating of gedraging in strijd was met de toepasselijke rechtsregels;4
de uitlating zo duidelijk in strijd was met de toepasselijke rechtsregels dat belanghebbende dit had moeten beseffen;5
belanghebbende besefte of had moeten beseffen dat de uitlating van de overheidsfunctionaris ging over een beslissing die buiten de bevoegdheid van het bestuursorgaan lag.
De vertrouwende belanghebbende had kortom ‘beter moeten weten’ zodat geen sprake kan zijn van gerechtvaardigd vertrouwen.6 Als sprake is van professionele bijstand kan een belanghebbende eerder een verwijt omtrent het verzaken van zijn onderzoeksplicht worden gemaakt.7 Bovengenoemde omstandigheden staan aan gerechtvaardigd vertrouwen in de weg.