Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.2.2.1
13.2.2.1 Certificaten van minderheidspakket aandelen
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232783:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van den Dool en Van der Hoeven 2015, pagina 114 e.v.
Dit laatste is althans het geval indien de STAK verplicht is om inkomsten direct door te stoten naar de certificaathouders. In ieder geval bij aanmerkelijkbelangaandelen zal dit echter doorgaans het geval zijn, zie paragraaf 13.4.1.2.1. Indien geen sprake is van een doorstootverplichting zou dit, mede afhankelijk van de overige administratievoorwaarden, anders kunnen liggen.
Van den Dool en Van der Hoeven 2015, pagina 172 – 173.
Hof Den Haag 22 mei 1985, ECLI:NL:GHSGR:1985:AW8265, FED 1986/1047.
Zie HR 14 februari 1962, ECLI:NL:HR:1962:AX8009, BNB 1962/94, alsmede Kamerstukken II vergaderjaar 1953/54, 915, nr. 5, pagina 16.
Hof Den Haag 11 februari 1997, ECLI:NL:GHSGR:1997:BJ0179, FED 1997/156.
Zie het besluit van 20 april 2010, nr. DGB2010/1572M. Als reden wordt gegeven dat het besluit onder meer door invoering van de APV-regeling zijn praktische belang heeft verloren per 1 januari 2010. Deze argumentatie bevreemdt mij, aangezien bij certificering juist geen sprake is van een APV (zie paragraaf 14.3.1). Invoering van de APV-regeling staat derhalve los van de fiscale behandeling van certificaten.
Zie nader paragraaf 13.2.2.6.
Doorgaans is aan een minderheidspakket aandelen geen reële invloed op het beleid van de vennootschap verbonden. Als gevolg hiervan ontleent het minderheidspakket zijn waarde voor de aandeelhouder met name aan het rendement dat dit oplevert. Voor de omvang van dit rendement is de minderheidsaandeelhouder veelal afhankelijk van degene(n) die wel de zeggenschap in de vennootschap heeft c.q. hebben, die bovendien niet hetzelfde belang hoeven te hebben als de minderheidsaandeelhouder, indien hun aandelenpakket een andere positie inneemt en de waarde daarvan dus minder sterk bepaald wordt door het rendement. Het ligt derhalve voor de hand om de waarde van een minderheidspakket aandelen met name te laten bepalen door de rendementswaarde, met dien verstande dat afhankelijk van de omstandigheden ook andere factoren een rol kunnen spelen.1
Certificering heeft algemeen gezegd tot gevolg dat de aan de aandelen verbonden zeggenschap wordt weggenomen, maar dat het rendement en de waarde die dit vertegenwoordigt voor de certificaathouder behouden blijven.2 Certificaten van aandelen hebben daarmee (vrijwel) volledig de positie van een belegging en dienen overeenkomstig gewaardeerd te worden, hetgeen veelal ook geldt voor een minderheidspakket aandelen. Als gevolg daarvan zullen de certificaten niet of slechts beperkt een lagere waarde hebben dan de aandelen in geval van een minderheidspakket. Dit waardeverschil zal groter worden:
naarmate de omvang van het minderheidspakket toeneemt en daarmee de mate van (reële) zeggenschap die daaraan verbonden is, maar bij certificering komt te ontbreken; of
indien het minderheidspakket een bijzondere positie inneemt, zoals het 10%-belang dat aan ieder van twee 45%-aandeelhouders een meerderheid kan verschaffen. Indien die bijzondere positie ontleend wordt aan de aan de aandelen verbonden zeggenschap, hetgeen veelal het geval zal zijn, valt dit voordeel weg met certificering.3
Over de certificering van minderheidspakketten aandelen en de waardering hiervan is uiteraard ook de nodige jurisprudentie gewezen, waarvan ik de volgende uitspraken wil noemen, ter illustratie van het al dan niet in aanmerking nemen van een waardedrukkend effect van certificering:
De uitspraak van hof Den Haag van 22 mei 19854 betrof de waardering voor toepassing van de Successiewet van een minderheidspakket certificaten van aandelen in een fiscale beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 Wet Vpb. De erflater was houder van certificaten van 20% van het geplaatste kapitaal, hetgeen vererfde in zes gelijke pakketjes. Aangezien op geen enkel moment enige belanghebbende gerechtigd is geweest tot een groter belang, waardeert het hof deze pakketjes afzonderlijk. Hoewel tussen de erflater en diens broer en neef, waarmee hij samen een meerderheid van de certificaten hield, sprake was van een samenwerkende groep, is daar in de ogen van het hof in het geval van de verkrijgers krachtens erfrecht geen sprake van. Het hof waardeert hun belangen derhalve als belegging. Deze uitspraak is gedaan voor een jaar waar de waarde in het economische verkeer nog niet gold voor de Successiewet. In casu waardeert het hof naar de geldswaarde, welke echter voor de Successiewet5 ook naar objectieve maatstaven dient te geschieden.
In de hofuitspraak die ten grondslag ligt aan HR 3 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2027, BNB 1996/181, oordeelt het hof over de waardering van certificaten van aandelen voor de Successiewet. Het hof houdt daarbij rekening met een waardedrukkende invloed van 5% vanwege de omstandigheid dat aan de kinderen van erflaatster gelegateerde pakketten certificaten te beschouwen zijn als minderheidspakketten, alsmede nog eens 10% vanwege het gecertificeerd zijn. Deze aspecten zijn in cassatie niet meer aan de orde geweest.
Hof Den Haag oordeelde in zijn uitspraak van 11 februari 19976 over de waardering van certificaten van een groot minderheidspakket (10/31) certificaten van aandelen. De overige certificaten waren in handen van twee anderen, die ieder ongeveer een belang van ⅓ hadden. Het hof overweegt dat bij de waardering mede gekeken moet worden naar de plaats die de certificaten in het vermogen van belanghebbende innemen en de invloed die hij daarmee op de gang van zaken in de vennootschap kan uitoefenen. Aangezien belanghebbende tevens bestuurder is geweest van de vennootschap en als zodanig een aanzienlijke rol heeft gehad in haar ondernemingsbeleid, stelt het hof de certificaten op één lijn met in een eigen onderneming gestoken kapitaal. Voorts is het hof van oordeel dat bij een voorgenomen vervreemding van een minderheidspakket van deze omvang de andere twee certificaathouders belangrijke gegadigden zouden zijn geweest, waarvan aangenomen kan worden dat deze bereid zouden zijn geweest om een prijs te betalen die in overeenstemming is met de waarde die de certificaten zullen hebben samen met de certificaten zij reeds bezitten. Mede op deze grond verwerpt het hof ook de door belanghebbende bepleite korting van 10% wegens incourantheid. Vanuit het perspectief van “perfect hindsight” zal het de proceskansen van belanghebbende overigens geen goed hebben gedaan dat een aantal jaar na het jaar van geschil de certificaten verkocht zijn aan een derde voor een bedrag dat bijna het dubbele was van de door belanghebbende bepleite waarde.
Deze jurisprudentie is sterk casuïstisch van aard. Desalniettemin wordt hierdoor geïllustreerd dat certificaten van een minderheidspakket veelal als belegging gezien zullen worden, alsmede dat onder omstandigheden een beperkte waardevermindering als gevolg van het gecertificeerd zijn denkbaar is.
Beleid is met betrekking tot de waardering van certificaten voor de inkomstenbelasting of schenk- en erfbelasting eigenlijk niet aanwezig. In zijn besluit van 19 december 2002, nr. CPP2002/3210M, ging de staatssecretaris in op de certificering van vermogen (en overdracht van de certificaten door ouders aan hun kinderen). Een aspect dat hij benoemt is de omstandigheid dat certificaathouders soms bepleiten dat de waarde van hun certificaten lager is dan die van het daarmee corresponderende vermogen, omdat hun beschikkingsmacht sterk is ingeperkt. Hij geeft voorts aan dat om zekerheid verzocht kan worden. Zelf neemt hij geen standpunt in ter zake van de (mogelijke) waarde van certificaten. Het besluit is begin 2010 ingetrokken.7
Concluderend zal certificering ten opzichte van de waarde van een minderheidspakket aandelen mijns inziens doorgaans geen of een beperkt waardedrukkend effect hebben, enigszins afhankelijk van de omvang van het pakket. Naarmate de aan de aandelen verbonden zeggenschap een grotere betekenis heeft, ligt een grotere beperking van de waarde bij certificering voor de hand. Daarnaast hangt dit effect af van de (overige) voorwaarden waaronder certificering heeft plaatsgevonden en hoe beperkend die voorwaarden zijn. Certificering kan immers bijvoorbeeld ook gepaard gaan met een beperking in de overdraagbaarheid van de certificaten.8 Ook is denkbaar dat aan de certificaten juist wel een bepaalde zeggenschap verbonden is. Dit aspect wordt besproken in paragraaf 13.2.2.3.