Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.4.1
4.4.1 De opzegbevoegdheid
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855353:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze uitzonderingen zijn gestoeld op het grote maatschappelijke belang van ‘werken’ en ‘wonen’ (De Vries, NJB 2007/1900). De Vries spreekt in dit kader over woon- en arbeidsbelangen als relevante beschermenswaardige belangen (De Vries 1990, p. 366).
De werknemer is voor zijn inkomen afhankelijk van de werkgever, waardoor hij bescherming verdient tegen een willekeurige en onrechtvaardige verbreking van de arbeidsovereenkomst door de sterkere werkgever (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, 3, p. 5 en 22; Kamerstukken II 2018/19, 35 074, 3, p. 53). De ratio van de bescherming van de huurder van een woonruimte moet worden gevonden in woonzekerheid, wat wordt aangemerkt als maatschappelijk belangrijke materie (Kamerstukken II 1997/98, 26 089, 3, p. 2; Kamerstukken II 2000/01, 26 089, 19, p. 13). De gedachte achter de bescherming van de huurder van een bedrijfsruimte is gelegen in zijn sterke afhankelijkheid t.o.v. zijn vaste klanten, nu hij met het oog daarop moeilijk zijn bedrijf kan verplaatsen naar een andere locatie (Kamerstukken II 2000/01, 26 089, 19, p. 53).
Deze toets vervulde niet alleen de belangrijke functie als algemene, onafhankelijke toets op een onredelijke opzegging, maar ook als instrument om zwakke groepen op de arbeidsmarkt te beschermen tegen sociaal onrechtvaardig ontslag (Kamerstukken II 1996/97, 25 263, 3, p. 11).
Het doel van het BBA is op den duur veranderd. Dit besluit werd ooit ingevoerd om de arbeidsmarkt te ordenen en te beschermen tegen chaotische arbeidsverhoudingen (Besluit van 5 oktober 1945, Stb. 1945, F 214), wat zich met name uitte in de preventie beëindigingstoets (art. 6 BBA (oud)) (Scholtens, ArA 2005/3.2). In 2012 overwoog de HR dat het BBA weliswaar nog steeds strekt ter bescherming van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland, maar dat de bescherming van de BBA-werknemer tegen een sociaal ongerechtvaardigd ontslag (nog) meer op de voorgrond is komen te staan (HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8512 (NUON)). Het oorspronkelijke doel van de preventieve beëindigingstoets is daarmee gewijzigd (Van Hoek, TRA 2012/95). De vraag of bij afd. 7.7.1 BW ook zo’n verschuiving mogelijk is m.b.t. de opdrachtnemer aan de onderkant, moet naar mijn mening ontkennend worden beantwoord. Naast het feit dat de bescherming van de deze opdrachtnemer niet voor niets vooral buiten afd. 7.7.1 BW is te vinden, ligt een daadwerkelijke doelverschuiving naar de bescherming van de opdrachtnemer niet in de lijn der verwachtingen. De reden hiervan is dat het BBA zich vooral onderscheidt van afd. 7.7.1 BW doordat het een zeer specifiek besluit was, terwijl de regeling inzake de opdracht algemeen van aard is. Dit geldt ook voor het bereik van het BBA, omdat dit alleen van toepassing was op de werknemer als bedoeld in art. 7:610 BW en enkele daarmee gelijkgestelden (art. 1 sub 2 BBA). De ruime definitie van de overeenkomst van opdracht brengt een veel grotere verscheidenheid aan partijen mee. Bij zo’n breed spectrum past het niet bescherming voorop te stellen.
Wet van 14 juni 2014, Stb. 2014, 216.
Aan deze wijziging lag het Sociaal Akkoord van 11 april 2013 ten grondslag, waarin o.a. was afgesproken het ontslagrecht in één wet te regelen (Sociaal Akkoord 2013, p. 28).
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, 3, p. 82-83.
Volledigheidshalve merk ik op dat de opdrachtnemer aan de onderkant niet altijd voldoet aan het criterium van maximaal twee opdrachtgevers, ondanks het feit dat hij economisch afhankelijk kan zijn. Zo is het mogelijk dat deze opdrachtnemer bij vier opdrachtgevers één uur per week werkzaamheden verricht en dit bij één opdrachtgever vier dagen per week doet. Ook zou het kunnen dat de opdrachtnemer aan de onderkant een schijnzelfstandige is, maar daar ga ik in dit onderzoek niet van uit (zie par. 1.2.3 en 1.2.4).
Zie ook Houweling 2021, p. 823.
Dit leid ik af uit het feit dat de preventieve beëindigingstoets niet alleen de belangrijke functie als algemene, onafhankelijke toets op onredelijk ontslag vervult, maar ook als instrument om zwakke groepen op de arbeidsmarkt te beschermen tegen sociaal onrechtvaardig ontslag (Kamerstukken II 1996/97, 25 263, 3, p. 11). Zie voor een vergelijkbare conclusie Boot, TRA 2016/44.
Het belang van de opdrachtnemer is veelal louter financieel van aard. Dat belang uit zich in de wens tot inkomensbescherming. Daarmee is de beschermingsgedachte beperkter dan het geval is in het arbeidsovereenkomstenrecht en huurrecht t.a.v. woon- en bedrijfsruimtes, die met de opzegregels beogen baanzekerheid van de werknemer en woonzekerheid van de huurder te garanderen. Bovendien kan zo’n preventieve toets onnodig knellend werken en levert het tegelijkertijd een stevige inbreuk op de contractsvrijheid op.
Die constatering is überhaupt opvallend, aangezien veel opdrachtnemers aan de onderkant onder het bereik van het BBA vielen (Boot & Damsteegt concluderen dit t.a.v. zzp’ers (Boot e.a., De zzp’er (MSR nr. 64) 2014/4.5)). Vermoedelijk speelde dit in de praktijk slechts een summiere rol, omdat het bereik van de BBA-bescherming voor opdrachtnemers onduidelijk was. I.p.v. deze afschaffing zou het verduidelijken van dit bereik ook een mogelijkheid zijn geweest.
Uit de verschillende opzegbepalingen van Boek 7 BW leid ik af dat de reden van de opzegging van een bijzondere overeenkomst in principe niet in rechte hoeft te worden getoetst voordat de overeenkomst kan worden opgezegd (zie bijvoorbeeld artikel 7:437 lid 1 en 7:228 lid 2 BW). Uitzonderingen op deze hoofdregel zijn te vinden in het arbeidsovereenkomstenrecht (artikel 7:671a e.v. BW) en het huurrecht ten aanzien van woon- (artikel 7:274 BW) en bedrijfsruimtes (artikel 7:296 BW), die een preventieve toets kennen in de situatie dat de werkgever respectievelijk de verhuurder de overeenkomst wil opzeggen.1 De belangen die bij deze overeenkomsten zijn gemoeid, worden als zodanig gewichtig en precair gezien dat de reden voor de opzegging (desgewenst) in rechte kan worden getoetst ter waarborg van een zorgvuldige beëindiging en ter bescherming van de baan- en woonzekerheid. Met deze voorafgaande toetsing door een derde wordt beoogd de ongelijkheid van zowel de machtspositie als de voorsprong in kennis en deskundigheid tussen partijen in evenwicht te brengen en onrust op de arbeids- en woningmarkt te voorkomen.2
Ook de opdrachtnemer die als BBA-werknemer kwalificeerde, kende tot 1 juli 2015 de bescherming van een preventieve beëindigingstoets (artikel 6 BBA (oud)).3 Onder het begrip ‘BBA-werknemer’ viel niet alleen de werknemer in de zin van artikel 7:610 BW, maar ook de opdrachtnemer die – kort gezegd – persoonlijke arbeid verricht, waarbij deze arbeid niet van bijkomstige aard is en niet voor meer dan twee anderen wordt verricht (artikel 1 sub b onder 2 BBA), hierna te noemen: de BBA-opdrachtnemer.4 Met de invoering van de Wet werk en zekerheid5 is de preventieve beëindigingstoets in het BBA vervallen en verplaatst naar titel 7.10 BW.6 Hierdoor geldt deze toets alleen nog voor de werknemer in de zin van artikel 7:610 BW en niet langer ook voor de BBA-opdrachtnemer.7
Het beschermingsniveau van de BBA-opdrachtnemer is door de overheveling van de preventieve beëindigingstoets van het BBA naar titel 7.10 BW achteruitgegaan. Daar zijn wellicht gerechtvaardigde redenen voor te bedenken, maar de wetgever heeft deze in mijn ogen onvoldoende genoemd. De toelichting in dit kader luidt als volgt: “Het gevolg daarvan is dat een categorie werkenden die nu wel onder het toestemmingsvereiste van UWV vallen in beginsel niet onder de nieuwe preventieve toets vallen (…). Vrij vertaald zijn dit personen die niet als zelfstandige kunnen worden aangemerkt en die niet werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst of van wie onduidelijk is of dat het geval is. Het betreft hier een kleine categorie van personen voor wie in de praktijk slechts zeer incidenteel een ontslagvergunning wordt gevraagd. Zoals hiervoor opgemerkt vallen zij ‘in beginsel’ niet onder de preventieve toets. Dit is echter wel het geval als op grond van feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat een persoon werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst of het vermoeden bestaat dat hiervan sprake is (zoals geformuleerd in artikel 7:610a BW) en de werkgever niet aannemelijk kan maken dat dat niet het geval is.”8
De wetgever kan zich niet vinden in de stelling dat de BBA-bescherming voor (schijn)zelfstandigen is komen te vervallen, omdat zij zich veelal kunnen beroepen op het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst en in het verlengde daarvan op de ontslagbescherming uit titel 7.10 BW.9 Ik meen dat de verplaatsing van de preventieve beëindigingstoets van het BBA naar titel 7.10 BW grotere consequenties heeft meegebracht dan de toelichting doet vermoeden. De BBA-bescherming had namelijk niet alleen betrekking op de werknemer en schijnzelfstandige, maar kon ook gelden voor de ‘echte’ opdrachtnemer. Ook deze opdrachtnemer kan immers persoonlijke arbeid verrichten die niet van bijkomstige aard is en die niet voor meer dan twee anderen wordt verricht (artikel 1 sub b onder 2 BBA), zoals de opdrachtnemer aan de onderkant.10 De wetgever lijkt van de gedachte te zijn uitgegaan dat de werkende, eventueel gesteund door het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW, werknemer is en daardoor de bescherming van de preventieve beëindigingstoets geniet, dan wel dat de werkende geen werknemer is met als gevolg dat deze bescherming ontbreekt.11 Deze denkwijze zou een principiële breuk met de BBA-gedachte zijn, aangezien de bescherming van de BBA-opdrachtnemer is toegekend vanuit de ratio dat hij een met de werknemer vergelijkbare positie inneemt en dat hem daarom preventieve beëindigingsbescherming toekomt.12 Hoewel deze afschaffing aansluit bij het beeld dat volgt uit mijn rechtspraakanalyse, namelijk dat de bescherming van de opdrachtnemer doorgaans moet worden gezocht in de financiële voorwaarden waaronder kan worden opgezegd (zie paragraaf 4.3.1.1),13 vind ik het zeer bedenkelijk hoe gemakkelijk toch vrij wezenlijke bescherming de BBA-opdrachtnemer is ontnomen. Zo’n principiële breuk verdient naar mijn mening een gefundeerdere toelichting dan de enkele verwijzing naar de zeer incidentele aanvragen van de ontslagvergunningen voor deze groep.14 Het is nu immers niet duidelijk of de wetgever ofwel meent dat de ‘echte’ opdrachtnemer de bescherming van een preventieve beëindigingstoets niet behoeft, ofwel de BBA-opdrachtnemer ‘eenvoudigweg’ is vergeten. Het is in algemene zin belangrijk dat duidelijk is welke overwegingen ten grondslag hebben gelegen aan de keuzes van de wetgever, zodat die overwegingen mede als basis kunnen dienen van de verdere vormgeving van de materiële rechtspositie van de opdrachtnemer aan de onderkant.