Zie rov. 5.1 e.v. van het bestreden arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 27 april 2010 in verbinding met rov. 1.1 e.v. van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam van 22 augustus 2008.
HR, 24-02-2012, nr. 10/03971
ECLI:NL:HR:2012:BU8512
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-02-2012
- Zaaknummer
10/03971
- Conclusie
Mr. P. Vlas
- LJN
BU8512
- Roepnaam
Olbrych/NUON
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Internationaal privaatrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BU8512, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑02‑2012; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9544, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU8512
ECLI:NL:PHR:2012:BU8512, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑12‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU8512
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9544
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑07‑2010
- Wetingang
- Vindplaatsen
TRA 2012/47 met annotatie van D.J. Buijs
NJ 2012/274 met annotatie van M.V. Polak
Ondernemingsrecht 2012/73 met annotatie van F.B.J. Grapperhaus
JIN 2012/50 met annotatie van R. Lopes Cardozo
JAR 2012/93 met annotatie van mr. M.P. Vogel
AR-Updates.nl 2012-0169 met annotatie van
VAAN-AR-Updates.nl 2012-0169
Uitspraak 24‑02‑2012
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Opzegging zonder toestemming als bedoeld in art. 6 BBA. Toepasselijkheid (art. 6 en 9) BBA hangt, zoals beslist in HR 23 oktober 1987, LJN AD0017, NJ 1988/842, af van mate van betrokkenheid sociaal-economische verhoudingen in Nederland en belangen Nederlandse arbeidsmarkt bij de arbeidsovereenkomst en het ontslag. Sinds wijziging art. 6 BBA bij Wet van 14 mei 1998 (Stb. 1998, 300) staat bescherming werknemer tegen sociaal ongerechtvaardigd ontslag nog meer op de voorgrond door vervallen van vergunningsplicht voor ontslagneming door werknemer. Oordeel hof dat doel BBA om een aan de werknemer toekomende vorm van bescherming tegen (sociaal) ongerechtvaardigd ontslag te bieden de nadruk verdient, is juist. Oordeel dat toepasselijkheid art. 6 en 9 BBA in onderhavig geval gerechtvaardigd is, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting.
24 februari 2012
Eerste Kamer
10/03971
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
NUON PERSONEELSBEHEER B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,
t e g e n
[Verweerder],
wonende in de Verenigde Staten van Amerika,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Nuon en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 18081/07 van de kantonrechter te Amsterdam van 22 augustus 2008;
b. het arrest in de zaak 200.019.526/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 27 april 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Nuon beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Nuon mede door mr. M.J. Keuss en mr. F. Damen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping.
De advocaat van Nuon heeft bij brief van 29 december 2011 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 [Verweerder], die de Amerikaanse nationaliteit heeft, en Nuon zijn op 10 mei 2005 een arbeidsovereenkomst aangegaan voor drie jaar met de mogelijkheid van tussentijdse opzegging. Voorts is volgens deze overeenkomst Amsterdam de plaats van tewerkstelling van [verweerder] en is Nederlands recht van toepassing. [Verweerder] is op grond van die overeenkomst op 30 juni 2005 bij Nuon in dienst getreden.
3.2 Nuon heeft op 28 juli 2006 de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2006. Nuon heeft daartoe geen toestemming als bedoeld in art. 6 BBA gevraagd omdat zij meent dat het BBA niet van toepassing is op de overeenkomst. [Verweerder] vindt echter dat dit laatste wel het geval is en heeft daarom op de voet van art. 9 in verbinding met art. 6 BBA de opzegging vernietigd.
3.3.1 In een procedure op grond van art. 7:685 BW heeft de kantonrechter te Amsterdam op verzoek van Nuon bij beschikking van 11 december 2006 de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2007 en onder toekenning aan [verweerder] van een vergoeding ontbonden voor zover deze nog zou blijken te bestaan.
3.3.2 In de onderhavige bodemprocedure heeft Nuon in conventie een verklaring voor recht gevorderd dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2006 rechtsgeldig door opzegging is geëindigd. [Verweerder] heeft, voorwaardelijk, in reconventie het tegendeel gevorderd. De kantonrechter heeft [verweerder] in het gelijk gesteld, de vordering in conventie van Nuon afgewezen en in reconventie voor recht verklaard, kort samengevat, dat het door Nuon aan [verweerder] gegeven ontslag door [verweerder] rechtsgeldig is vernietigd en dat de arbeidsovereenkomst nog bestond op het moment van de hiervoor genoemde ontbindingsbeschikking.
3.3.3 Het hof heeft in het thans bestreden arrest het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. In rov. 5.10 vat het hof, in cassatie onbestreden, de kern van het betoog van Nuon aldus samen, dat vaststaat dat [verweerder] na het einde van de arbeidsovereenkomst zou terugkeren naar de Verenigde Staten en dus niet op de Nederlandse arbeidsmarkt zou terugvallen en dat op die grond geen toestemming als bedoeld in art. 6 BBA nodig was. Het hof heeft dit betoog verworpen op grond van de volgende overwegingen:
"5.11. In zijn arrest van 23 oktober 1987, NJ 1988, 842 (Sorensen/Aramco) overwoog de Hoge Raad:
"Naar moet worden aangenomen strekt immers het BBA nog steeds ter bescherming van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland, waarbij met name het in art. 6 van dat besluit gestelde vereiste zowel in het belang van de betrokken werknemers als van de Nederlandse arbeidsmarkt sociaal ongerechtvaardigd ontslag beoogt te voorkomen." In dit arrest wordt derhalve in de omschrijving van de strekking van het BBA mede de bescherming van de werknemer tegen sociaal ongerechtvaardigd ontslag betrokken. Het hof is van oordeel dat voor zover het BBA mede de bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt ten doel had, dat doel inmiddels verregaande relativering verdient. Zoals in de literatuur eerder is opgemerkt (vgl. Even en Van Kampen, ArA 2004/1, p. 57) is het, ook bezien tegen de achtergrond van het mede door Nederland onderschreven sterk toegenomen belang van de Europese Unie en het vrij verkeer van werknemers daarbinnen, achterhaald om nog te spreken over de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt. Veeleer moet worden aangenomen dat thans het BBA een aan de werknemer toekomende vorm van bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag biedt, en dat dat doel de nadruk verdient.
5.12 Uitgaande van een veranderde opvatting over het doel en functie van het BBA valt naar het oordeel van het hof niet in te zien waarom de uit het BBA voortvloeiende bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag aan een werknemer als [verweerder] onthouden zou moeten worden. Het gaat in dit geval om een werknemer die op grond van een arbeidsovereenkomst, waarin Nederlands recht van toepassing is verklaard, werkzaam was in Nederland voor een Nederlandse werkgever, zonder (concreet) vooruitzicht op een structurele of langdurige tewerkstelling in een buitenland. Daarmee onderscheidt de situatie van [verweerder] zich onvoldoende van die van andere werknemers die werkzaam zijn in Nederland en die zonder meer de bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag op grond van het BBA kunnen inroepen, om hem de vorenbedoelde bescherming te onthouden. Een en ander brengt naar het oordeel van het hof mee dat in het onderhavige geval geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend aan de omstandigheid dat NUON, zoals zij stelt dat dat het geval is, ervan mocht uitgaan dat [verweerder] na de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst niet in Nederland zou blijven, maar zou terugkeren naar de Verenigde Staten, en dus niet zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Dat de afdeling waarop [verweerder] werkzaam was een duidelijk internationaal karakter had, zoals door NUON naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. De beantwoording van de vraag of een onder de omstandigheden als [verweerder] in Nederland werkzame werknemer de bescherming van het ontslagverbod van het BBA kan inroepen wordt immers door een dergelijke omstandigheid niet beïnvloed."
3.4.1 Het middel komt tegen deze oordelen op. Het berust op het volgende betoog. Voorheen diende het BBA een tweeledig doel. Naast de bescherming van werknemers tegen ongerechtvaardigd ontslag diende het BBA tevens ter bescherming van sociaal-economische belangen in Nederland en met name ter bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt. Derhalve diende destijds te worden onderzocht in hoeverre het ontslag van een werknemer (sociaal-economische) gevolgen had, althans gevolgen had voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Als het ontslag geen (sociaal-economische) gevolgen had voor de Nederlandse arbeidsmarkt was het BBA en dus het in artikel 6 daarvan omschreven toestemmingsvereiste niet van toepassing (ongeacht welk recht op de arbeidsovereenkomst van toepassing is). Het hof is thans gelet op rov. 5.11 en 5.12 van mening dat het BBA niet (meer) strekt tot bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt, althans dat dit doel vergaande relativering verdient waardoor als gevolg van deze veranderde opvatting over het doel en de functie van het BBA niet valt in te zien waarom de uit het BBA voortvloeiende bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag aan een werknemer als [verweerder] in verband met de door het hof in rov. 5.12 genoemde omstandigheden onthouden zou moeten worden.
Het hof heeft met deze oordelen het recht geschonden door ervan uit te gaan dat de vorenbedoelde "reikwijdteregel" niet meer geldt, althans dat deze regel dermate aan belang heeft ingeboet dat op grond daarvan niet meer dient te worden bepaald of het BBA van toepassing is. Voorts is rechtens onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het oordeel van het hof dat, gelet op de omstandigheden die het hof in rov. 5.12 noemt de door het hof in rov. 5.11 beschreven verandering van opvatting over het doel en de functie van het BBA een werknemer als [verweerder], aanspraak geeft op de bescherming van het BBA, aldus nog steeds het middel.
3.4.2 Bij de beoordeling van deze klachten moet het volgende worden vooropgesteld. In een geval als het onderhavige waarin weliswaar ingevolge de door partijen gemaakte rechtskeuze Nederlands recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst maar de omstandigheden van het geval de vraag doen rijzen of het BBA, en meer in het bijzonder art. 6 en 9 daarvan, van toepassing is, hangt, zoals is beslist in HR 23 oktober 1987, LJN AD0017, NJ 1988/842, het antwoord op die vraag af van de mate van betrokkenheid van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland en in het bijzonder de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij de onderwerpelijke arbeidsovereenkomst en het ontslag. Naar in genoemd arrest is overwogen en ook thans moet worden aangenomen, strekt immers het BBA nog steeds ter bescherming van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland, waarbij met name het in art. 6 van dat besluit gestelde vereiste zowel in het belang van de betrokken werknemers als van de Nederlandse arbeidsmarkt sociaal ongerechtvaardigd ontslag beoogt te voorkomen. Hierbij verdient aantekening dat sinds de wijziging van art. 6 BBA bij art. II van de Wet van 14 mei 1998, houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en van enige andere wetten (Flexibiliteit en zekerheid), Stb. 1998, 300, de bescherming van de werknemer tegen sociaal ongerechtvaardigd ontslag als strekking van art. 6 BBA nog meer dan ten tijde van het genoemde arrest op de voorgrond is komen te staan door het vervallen van de vergunningsplicht voor ontslagneming door de werknemer. Van belang is in dat verband bovendien dat de regering bij de totstandkoming van deze wijziging heeft opgemerkt dat zij het noodzakelijk achtte de bestuurlijke preventieve ontslagtoets te handhaven en dat deze ontslagtoets belangrijke functies vervult, niet alleen als algemene, onafhankelijke toets op onredelijk ontslag maar ook als overheidsinstrument om zwakke groepen op de arbeidsmarkt, zoals (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten en ouderen, tegen sociaal ongerechtvaardigd ontslag te beschermen, terwijl de ontslagtoets tevens een belangrijk overheidsinstrument vormt om oneigenlijke instroom in de sociale zekerheid tegen te gaan (memorie van toelichting onder 8, Kamerstukken II 1996/97, 25 263, nr. 3, blz. 11). Een en ander wettigt de gevolgtrekking dat het belang van de Nederlandse arbeidsmarkt bij het voorkomen van sociaal ongerechtvaardigd ontslag thans voor een groot deel samenvalt met het belang van de werknemers bij het voorkomen van een zodanig ontslag.
3.4.3 Tegen deze achtergrond is - wat er overigens zij van de overwegingen van het hof met betrekking tot de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt in verband met het vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie - het oordeel van het hof aan het slot van rov. 5.11 dat moet worden aangenomen dat het doel van het BBA om een aan de werknemer toekomende vorm van bescherming tegen (sociaal) ongerechtvaardigd ontslag te bieden de nadruk verdient, juist.
3.4.4 Het hof heeft in rov. 5.12 op grond van de volgende kenmerken van het onderhavige geval, te weten dat
- op de arbeidsovereenkomst Nederlands recht van toepassing is,
- de arbeid in Nederland wordt verricht zonder (concreet) vooruitzicht op een structurele of langdurige tewerkstelling in een ander land, en
- de werkgever in Nederland is gevestigd,
de vraag of in dit geval art. 6 en 9 BBA toepassing moeten vinden, bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het hof, uitgaande van het belang van [verweerder] bij de ontslagbescherming die deze bepalingen hem bieden, beslissend geacht dat zijn aldus gekenmerkte situatie zich onvoldoende onderscheidt van die van andere werknemers die werkzaam zijn in Nederland en die zonder meer die ontslagbescherming genieten. In dit oordeel ligt besloten dat de Nederlandse sociaal-economische verhoudingen in zodanige mate betrokken zijn bij de arbeidsovereenkomst en het ontslag van [verweerder] dat de toepasselijkheid van de genoemde bepalingen gerechtvaardigd is. Aldus heeft het hof in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de huidige strekking van genoemde bepalingen, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Dit geldt ook voor het oordeel van het hof dat de door Nuon gestelde omstandigheden dat zij ervan mocht uitgaan dat [verweerder] na de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet in Nederland zou blijven maar zou terugkeren naar de Verenigde Staten en dus niet zou "terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt", en dat [verweerder] werkzaam was op een afdeling met een duidelijk internationaal karakter, niet voldoende zwaarwegend zijn om tot een ander oordeel te komen.
3.4.5 Op het voorgaande stuiten alle klachten van het middel af, ook de motiveringsklachten, nu deze in essentie slechts dienen ter ondersteuning van de rechtsklacht.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Nuon in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 385,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, W.D.H. Asser, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 24 februari 2012.
Conclusie 16‑12‑2011
Mr. P. Vlas
Partij(en)
Conclusie inzake:
Nuon Personeelsbeheer B.V.
(hierna: ‘Nuon’)
tegen
[Verweerder]
In deze zaak gaat het om de toepassing van art. 6 BBA op een internationale arbeidsovereenkomst waarop door partijen Nederlands recht van toepassing is verklaard.
1. Feiten1. en procesverloop
1.1
Nuon en [verweerder], die de Amerikaanse nationaliteit heeft, hebben op 10 mei 2005 een arbeidsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst is [verweerder] op 30 juni 2005 bij Nuon in dienst getreden in de functie van Senior Credit Officer tegen een salaris van € 75.000,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld, met als overeengekomen plaats van tewerkstelling Amsterdam. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van drie jaar met de mogelijkheid van tussentijdse opzegging. De arbeidsovereenkomst wordt, krachtens rechtskeuze van partijen, door Nederlands recht beheerst.
1.2
Op 28 juli 2006 heeft Nuon de arbeidsovereenkomst tussentijds opgezegd, tegen 1 oktober 2006. Voor deze opzegging heeft Nuon geen toestemming als bedoeld in art. 6 BBA gevraagd of gekregen.
1.3
[Verweerder] heeft zich beroepen op de vernietigbaarheid van de opzegging wegens het ontbreken van toestemming als bedoeld in art. 6 BBA.
1.4
Bij beschikking van 11 december 2006 heeft de kantonrechter Amsterdam op verzoek van Nuon de arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog zou blijken te bestaan, per 1 januari 2007 ontbonden onder toekenning aan [verweerder] van een vergoeding van € 75.000,- bruto ten laste van Nuon.
1.5
Bij vonnis in kort geding van 8 maart 2007 is [verweerder] verboden executiemaatregelen te nemen ter uitvoering van de beschikking van 11 december 2006 totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst op 11 december 2006 nog bestaat.
1.6
In de onderhavige procedure heeft Nuon een verklaring voor recht gevorderd inhoudende dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2006 rechtsgeldig door opzegging is geëindigd. [verweerder] heeft in voorwaardelijke reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig door de opzegging per 1 oktober 2006 is geëindigd. Bij vonnis van 22 augustus 2008 (LJN: BF7927, JAR 2008, 245) heeft de kantonrechter Amsterdam de vordering in conventie afgewezen en die in voorwaardelijke reconventie toegewezen. Over de toepasselijkheid van het BBA heeft de kantonrechter overwogen, kort gezegd, dat de Nederlandse sociaal-economische verhoudingen en de Nederlandse arbeidsmarkt bij de arbeidsovereenkomst en bij het ontslag in die mate betrokken zijn geweest dat het BBA van toepassing is en dat het beroep van [verweerder] op de vernietigbaarheid van het ontslag ingevolge art. 9 BBA slaagt (rov. 3.7).
1.7
Volgens Nuon was voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] geen toestemming als bedoeld in art. 6 BBA nodig, omdat door het ontslag van [verweerder] geen Nederlandse belangen zijn geraakt en [verweerder] niet zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt.2. Bij arrest van 27 april 2010 (LJN: BM9544, JAR 2010, 160) heeft het hof Amsterdam dit betoog van Nuon verworpen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.3. Daartoe heeft het hof, voor zover van belang, als volgt overwogen:
‘5.11
In zijn arrest van 23 oktober 1987, NJ 1988, 842 (Sorensen/Aramco) overwoog de Hoge Raad: ‘Naar moet worden aangenomen, strekt immers het BBA nog steeds ter bescherming van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland, waarbij met name het in art. 6 van dat besluit gestelde vereiste zowel in het belang van de betrokken werknemers als dat van de Nederlandse arbeidsmarkt sociaal gerechtvaardigd ontslag beoogt te voorkomen.’ In dit arrest wordt derhalve in de omschrijving van de strekking van het BBA mede de bescherming van de werknemer tegen sociaal ongerechtvaardigd ontslag betrokken. Het hof is van oordeel dat voor zover het BBA mede de bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt ten doel had, dat doel inmiddels verregaande relativering verdient. Zoals in de literatuur eerder is opgemerkt (vgl. Even en Van Kampen, ArA 2004/1, p. 57) is het, ook bezien tegen de achtergrond van het mede door Nederland onderschreven sterk toegenomen belang van de Europese Unie en het vrij verkeer van werknemers daarbinnen, achterhaald om nog te spreken over de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt. Veeleer moet worden aangenomen dat thans het BBA een aan de werknemer toekomende vorm van bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag biedt, en dat dat doel de nadruk verdient.
5.12
Uitgaande van een veranderde opvatting over het doel en functie van het BBA valt naar het oordeel van het hof niet in te zien waarom de uit het BBA voortvloeiende bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag aan een werknemer als [verweerder] onthouden zou moeten worden. Het gaat in dit geval om een werknemer die op grond van een arbeidsovereenkomst, waarin Nederlands recht van toepassing is verklaard, werkzaam was in Nederland voor een Nederlandse werkgever, zonder (concreet) vooruitzicht op een structurele of langdurige tewerkstelling in een buitenland. Daarmee onderscheidt de situatie van [verweerder] zich onvoldoende van die van andere werknemers die werkzaam zijn in Nederland en die zonder meer de bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag op grond van het BBA kunnen inroepen, om hem de vorenbedoelde bescherming te onthouden. Een en ander brengt naar het oordeel van het hof mee dat in het onderhavige geval geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend aan de omstandigheid dat NUON, zoals zij stelt dat dat het geval is, ervan mocht uitgaan dat [verweerder] na de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst niet in Nederland zou blijven, maar zou terugkeren naar de Verenigde Staten, en dus niet zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Dat de afdeling waarop [verweerder] werkzaam was een duidelijk internationaal karakter had, zoals door NUON naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. De beantwoording van de vraag of een onder de omstandigheden als [verweerder] in Nederland werkzame werknemer de bescherming van het ontslagverbod van het BBA kan inroepen wordt immers door een dergelijke omstandigheid niet beïnvloed.
5.13
(…) Ook grief 11 is tevergeefs voorgesteld, aangezien NUON zich daarin keert tegen het passeren van haar aanbod om te bewijzen dat [verweerder] niet op de Nederlandse arbeidsmarkt zou terugvallen. Hiervoor is overwogen dat dit element in de gegeven omstandigheden niet doorslaggevend is. Dit bewijsaanbod moet op grond daarvan dan ook als niet ter zake dienend worden gepasseerd.’
1.8
Nuon heeft tegen dit arrest (tijdig) cassatieberoep ingesteld. [Verweerder] heeft verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het middel bestaat uit een rechtsklacht en een motiveringsklacht, waarmee de rov. 5.11 t/m 5.13 worden bestreden. Zie ik het goed, dan houdt de rechtsklacht in dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het doel van het BBA om de Nederlandse arbeidsmarkt te beschermen verregaande relativering verdient, althans door de in de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van art. 6 BBA ontwikkelde reikwijdteregel niet langer doorslaggevend te achten voor de toepasselijkheid van het BBA.4. Volgens het middel heeft het hof hiermee aan het BBA de status van voorrangsregel ontnomen.5. Naast de genoemde rechtsklacht werpt het middel een motiveringsklacht op, waarin wordt betoogd dat het hof onvoldoende duidelijk heeft gemaakt hoe het tot zijn standpunt over de veranderde opvatting over het doel en de functie van het BBA is gekomen. Voorts laat het hof volgens het middel na te motiveren waarom de door Nuon aangevoerde en in rov. 5.4 samengevatte omstandigheden, uitgaande van een veranderde opvatting over het doel en de functie van het BBA, niet ertoe kunnen leiden dat het BBA in dit geval buiten toepassing blijft.6.
2.2
Alvorens nader in te gaan op het middel maak ik enige algemene opmerkingen over het internationaal privaatrecht ten aanzien van arbeidsovereenkomsten en de toepassing van art. 6 BBA. Het toepasselijke recht op arbeidsovereenkomsten wordt bepaald door de verordening Rome I7. of, in het geval dat de overeenkomst vóór 17 december 2009 tot stand is gekomen, door het EVO dat voor Nederland op 1 september 1991 in werking is getreden.8. De verordening Rome I is ingevolge art. 28 Rome I alleen van toepassing op overeenkomsten die op of na 17 december 2009 zijn gesloten. Nu de arbeidsovereenkomst in de onderhavige zaak op 10 mei 2005 tot stand is gekomen, geldt het EVO en — anders dan het middel lijkt te suggereren (p. 5 cassatiedagvaarding) — niet de verordening Rome I.
2.3
De conflictregel voor individuele arbeidsovereenkomsten is te vinden in art. 6 EVO. De mogelijkheid van rechtskeuze staat daarin voorop, met dien verstande dat een rechtskeuze niet ertoe kan leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge het tweede lid van art. 6 bij gebreke van rechtskeuze op de arbeidsovereenkomst van toepassing zou zijn (het objectief toepasselijke recht). Hiermee beoogt art. 6 EVO de werknemer als doorgaans zwakkere partij bij de arbeidsovereenkomst, zoveel mogelijk bescherming te bieden. Art. 7 EVO voorziet in een regeling van de bepalingen van bijzonder dwingend recht (‘voorrangsregels’), waarbij het gaat om voorschriften van semipubliekrechtelijke aard die ingrijpen in privaatrechtelijke rechtsverhoudingen, niet primair ter bescherming van private belangen maar vooral ter bescherming van publieke belangen.9. Art. 7 EVO maakt onderscheid tussen de (in casu niet aan de orde zijnde) voorrangsregels van het recht van derde landen in art. 7 lid 1 (‘derdelandsnormen’) en de voorrangsregels afkomstig uit het recht van de aangezochte rechter in art. 7 lid 2 (de voorrangsregels van de lex fori). Volgens art. 7 lid 2 EVO laat het EVO onverlet de toepassing van de bepalingen van het recht van het land van de rechter die ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht, het geval dwingend beheersen. Art. 7 EVO geeft geen omschrijving van het begrip voorrangsregels. Dit is wel het geval in art. 9 lid 1 Rome I, waar onder voorrangsregels of bepalingen van bijzonder recht worden verstaan ‘bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moeten worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst’.10. Volgens nr. 37 van de considerans bij de verordening Rome I moet het begrip ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ worden onderscheiden van de uitdrukking ‘bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken’ en dient het eerstbedoelde begrip met meer terughouding te worden gebezigd.
2.4
Art. 6 BBA bepaalt dat de werkgever voor de opzegging van de arbeidsverhouding de voorafgaande toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen behoeft. Deze uit 1945 daterende ontslagregeling van het BBA is gehandhaafd gebleven, waarbij in de loop der jaren een verschuiving in het doel van de regeling heeft plaatsgevonden.11. Was oorspronkelijk het doel gelegen in het zo veel mogelijk in stand houden van de werkgelegenheid en het bevorderen van het economisch herstel van Nederland na de Tweede Wereldoorlog, naderhand is het doel mede komen te liggen op bescherming van de werknemer tegen onredelijke beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever.12. In het Nederlandse internationaal privaatrecht heeft art. 6 BBA de status van voorrangsregel.13. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad beoogt het BBA (mede) de bescherming van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland. De vraag of art. 6 BBA van toepassing is op een internationale arbeidsverhouding wordt bepaald door een eigen reikwijdteregel of ‘scope rule’. Deze ‘scope rule’ bakent de internationale reikwijdte van de voorrangsregel eenzijdig af en laat zich voor art. 6 BBA afleiden uit de rechtspraak van de Hoge Raad. De ‘scope rule’ van art. 6 BBA vereist niet dat de arbeidsverhouding wordt beheerst door Nederlands recht (HR 18 januari 1991, LJN: ZC0116, NJ 1991/296, rov. 3.3). Dit betekent dat art. 6 BBA van toepassing kan zijn ook wanneer de arbeidsovereenkomst door vreemd recht wordt beheerst, terwijl de toepasselijkheid van Nederlands arbeidsrecht (op grond van rechtskeuze of de objectieve conflictregel) niet steeds de toepassing van art. 6 BBA met zich brengt (zie reeds HR 5 juni 1953, NJ 1953/613 en HR 8 januari 1971, NJ 1971/129).14. Het antwoord op de vraag of art. 6 BBA van toepassing is, hangt af van de mate van betrokkenheid van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland en in het bijzonder de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij de onderwerpelijke arbeidsovereenkomst en het ontslag. In het arrest van 23 oktober 1987, NJ 1988/842, m.nt. JCS, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
‘3.2.1
De Rb. heeft met juistheid vooropgesteld dat het antwoord op de vraag of het BBA te dezen van toepassing is, afhangt van de mate van betrokkenheid van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland en in het bijzonder de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij de onderwerpelijke arbeidsovereenkomst en het ontslag. Naar moet worden aangenomen, strekt immers het BBA nog steeds ter bescherming van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland, waarbij met name het in art. 6 van dat besluit gestelde vereiste zowel in het belang van de betrokken werknemers als van de Nederlandse arbeidsmarkt sociaal ongerechtvaardigd ontslag beoogt te voorkomen’.15.
Bij de te dezen vereiste afweging is mede van belang of te verwachten is dat de werknemer, na zijn ontslag zal terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Beslissend is wat, gegeven alle omstandigheden van het geval, ten tijde van de ontslagaanzegging naar objectieve maatstaven viel te verwachten, maar de gedragingen van de werknemer die dateren van na het ontslag kunnen daarbij mede van belang zijn (rov. 3.3.3 van het arrest van 23 oktober 1987). De beoordeling van de vraag of de sociaal-economische belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij het gegeven ontslag zijn betrokken, is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat deze beoordeling in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst (HR 7 september 1984, NJ 1985/104, rov. 3.1).
2.5
Ik keer terug naar het cassatiemiddel. Naar mijn mening mist het middel feitelijke grondslag voor zover het middel uit het bestreden arrest meent te kunnen afleiden dat het hof het BBA niet langer als voorrangsregel kwalificeert. Het hof is van oordeel dat, voor zover het BBA mede de bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt ten doel had, dat doel inmiddels verregaande relativering verdient. Het hof meent dat in verband met het sterk toegenomen belang van de Europese Unie en het vrij verkeer van werknemers daarbinnen, het achterhaald is om nog te spreken over de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt.16. Het BBA biedt thans, aldus het hof, een aan de werknemer toekomende vorm van bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag en dat doel verdient de nadruk (rov. 5.11).17. Hiermee is echter nog niet gezegd dat het hof het BBA niet langer als voorrangsregel kwalificeert, waardoor art. 6 BBA als regel van intern dwingend recht steeds van toepassing zou zijn wanneer Nederlands recht de arbeidsovereenkomst beheerst. Voor deze benadering heeft het hof niet gekozen.18. Het BBA heeft in de visie van het hof, weliswaar in sterk verminderde mate, nog steeds mede de bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt voor ogen, terwijl de bescherming van de individuele werknemer thans de nadruk verdient.19. Dat het hof het belang van de betrokken werknemer heeft benadrukt, brengt nog niet met zich dat daarmee art. 6 BBA steeds van toepassing is, omdat Nederlands recht de arbeidsverhouding beheerst. Zou het hof deze benadering hebben gevolgd, dan had het hof eenvoudigweg kunnen volstaan met de constatering dat op de onderhavige arbeidsovereenkomst Nederlands recht van toepassing is en daarmee eveneens art. 6 BBA. Uit rov. 5.12 volgt juist dat het hof op basis van de aangevoerde omstandigheden van het concrete geval een afweging heeft gemaakt in hoeverre deze werknemer de bescherming van art. 6 BBA ten deel valt.
2.6
Voorts mist het middel belang. De naar het oordeel van het hof veranderde opvatting over het doel en de functie van het BBA heeft, zoals door mij in nr. 2.5 aangegeven, het hof er immers niet toe gebracht het BBA de status van voorrangsregel te ontnemen. Ik begrijp het arrest zo dat het hof, gelet op de in zijn ogen veranderde opvatting over het doel en de functie van het BBA, in het kader van de ‘scope rule’ van art. 6 BBA geen doorslaggevende betekenis heeft willen toekennen aan de door Nuon gestelde en door [verweerder] betwiste omstandigheid dat [verweerder] na zijn ontslag niet zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt (rov. 5.12–5.13).20. In het kader van de ‘scope rule’ van het BBA heeft het hof veel meer waarde gehecht aan de omstandigheid dat Nederlands recht van toepassing is verklaard op de arbeidsovereenkomst tussen partijen en dat [verweerder] in Nederland werkzaam was voor een Nederlandse werkgever zonder (concreet) vooruitzicht op een structurele of langdurige tewerkstelling in een buitenland (rov. 5.12).
2.7
Het antwoord op de vraag of het BBA van toepassing is op internationale arbeidsverhoudingen, hangt af van de mate van betrokkenheid van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland bij de onderhavige arbeidsovereenkomst en het ontslag. Daarbij is mede van belang, doch geenszins doorslaggevend, of te verwachten is dat de werknemer, na zijn ontslag zal terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt.21. Ten onrechte betoogt het middel dat het hof de ‘scope rule’ van het BBA heeft genegeerd. Voor de toepassing van deze ‘scope rule’ heeft het hof niet doorslaggevend geacht de (in de lagere rechtspraak doorgaans wel als belangrijke richtsnoer gehanteerde) vraag of de werknemer na het ontslag zal terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt. De rechtspraak van de Hoge Raad biedt daarvoor ruimte. De vraag of de sociaal-economische verhoudingen in Nederland en in het bijzonder de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt zodanig zijn betrokken bij de onderhavige arbeidsovereenkomst en het ontslag dat de toepassing van het BBA is gerechtvaardigd, moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De beoordeling hiervan is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat zij in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. De beslissing van het hof dienaangaande is niet onbegrijpelijk, en met voldoende redenen omkleed.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑12‑2011
Zie rov. 5.3 en 5.10 van het bestreden arrest.
In de literatuur heeft het arrest de nodige aandacht gekregen, zie: K.W.G. Timmers, M.A. de Jager, De toepasselijkheid van het BBA op internationale arbeidsverhoudingen, TAP 2010, p. 318–323; C.B.G. Derks, Het BBA na de Nuon-uitspraak; van ‘schoolvoorbeeld’ voorrangsregel naar ‘gewoon’ dwingend recht?, AR 2011, p. 3–6; N. Jansen, BBA geen voorrangsregel meer, JutD 2011, p. 12–15.
Zie p. 4 van de cassatiedagvaarding, nader uitgewerkt in nr. 3 daarvan.
Zie p. 6 en 19 van de cassatiedagvaarding.
Zie p. 4 van de cassatiedagvaarding, nader uitgewerkt in nr. 4 daarvan.
Verordening (EG) Nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, PbEU 4 juli 2008, L 177/6.
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Rome 19 juni 1980, Trb. 1980, 156.
Vgl. L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 9e druk, 2008, nr. 81, p. 66–67.
Deze omschrijving is ontleend aan HvJ EG 23 november 1999, gevoegde zaken C-369/96 en C-376/96, Jur. 1999, p. I-8453, NJ 2000/251. Dezelfde omschrijving is te vinden in art. 7 lid 1 van Boek 10 BW (inwerkingtreding op 1 januari 2012) voor gevallen die niet worden bestreken door verdragen en EU-verordeningen. Art. 10:7 lid 2 BW regelt de toepassing van forale Nederlandse voorrangsregels: ‘De toepassing van het recht waarnaar een verwijzingsregel verwijst, blijft achterwege, voor zover in het gegeven geval bepalingen van Nederlands bijzonder dwingend recht toepasselijk zijn’.
Ik laat hier buiten beschouwing de discussie over het duale ontslagstelsel van het Nederlandse recht, zie o.a. L.G. Verburg, Het Nederlandse ontslagrecht en het BBA-carcinoom, Serie Onderneming en Recht, deel 59, 2010.
Zie Van der Grinten Arbeidsovereenkomstenrecht, 23e druk, 2011, p. 339. Voorts: HR 9 december 2011, LJN: BT7500, rov. 3.3: ‘Het BBA beoogt bescherming te bieden aan de daarin omschreven ‘werknemers’ (…)’.
Zie ook de MvT behorende bij het wetsvoorstel voor de Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 BW, 32 137, nr. 3, p. 15, waar art. 6 BBA als voorbeeld wordt genoemd van een voorrangsregel die mede of uitsluitend strekt ter bescherming van openbare belangen. Voorts: A.V.M. Struycken, Boek 10 BW — een grote stap in de codificatie van het internationaal privaatrecht, VrA 2011/2, p. 36–37.
Zie recentelijk Hof Arnhem 12 juli 2011, LJN: BR3312, waarin is beslist dat art. 6 BBA toepassing mist op een door Nederlands recht beheerste arbeidsovereenkomst, nu de betrokken werknemer na zijn ontslag in Roemenië is blijven wonen en niet naar Nederland is teruggekeerd. Het hof is van oordeel dat in dit geval de sociaal-economische verhoudingen in Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt niet bij het ontslag betrokken zijn.
In deze zin ook al HR 8 januari 1971, NJ 1971/129: ‘dat de wetgever, zoals mede blijkt uit de strafbedreiging, met het genoemde verbod van art. 6 heeft beoogd in het algemeen belang een voorschrift ter regeling van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland en in het bijzonder van de Nederlandse arbeidsmarkt te geven’. Zie voorts HR 16 november 2001, NJ 2002/44, nt. PAS, rov. 3.4.3: ‘Art. 6 BBA strekt ertoe in het belang (van; A-G) zowel de betrokken werknemer als van de Nederlandse arbeidsmarkt sociaal ongerechtvaardigd ontslag te voorkomen; (…)’.
Het hof verwijst hiervoor naar Z. Even en E. van Kampen, De arbeidsovereenkomst in internationaal privaatrechtelijk perspectief. Drie kernvragen voor de Nederlandse jurist, ArA 2004/1, p. 4–61, i.h.b. p. 57.
Zie in vergelijkbare zin: Rb. 's‑Hertogenbosch, sector Kanton, locatie Eindhoven 28 oktober 2010, LJN: BO5346, JAR 2011, 1, m.nt. M.M. Koevoets.
Aldus ook Koevoets in haar bovengenoemde annotatie (zie vorige noot).
Overigens bestaat al geruime tijd discussie over de mogelijk veranderde aard en functie van het BBA en de gevolgen hiervan voor de kwalificatie van het BBA als voorrangsregel, zie reeds C.J.J. van Maanen, Het BBA en het internationaal privaatrecht, WPNR (1981)5585, p. 809–814. Voorts o.a. Z. Even en E. van Kampen, a.w., p. 57–58; E.J.A. Franssen, A.T.J.M. Jacobs, Hoe dwingend is de Nederlandse ontslagbescherming bij arbeidsovereenkomsten naar vreemd recht?, SR 2006, p. 113–121 (i.h.b. p. 116 e.v.); K.W.G. Timmers, M.A. de Jager, a.w., p. 318–323.
Zie i.h.b. de volgende overwegingen (mijn curs., A-G): ‘Een en ander brengt naar het oordeel van het hof mee dat in het onderhavige geval geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend aan de omstandigheid dat NUON, zoals zij stelt dat dat het geval is, ervan mocht uitgaan dat [verweerder] na de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst niet in Nederland zou blijven, maar zou terugkeren naar de Verenigde Staten, en dus niet zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt’ (rov. 5.12) en ‘Ook grief 11 is tevergeefs voorgesteld, aangezien NUON zich daarin keert tegen het passeren van haar aanbod om te bewijzen dat [verweerder] niet op de Nederlandse arbeidsmarkt zou terugvallen. Hiervoor is overwogen dat dit element in de gegeven omstandigheden niet doorslaggevend is’ (rov. 5.13).
Vgl. C.B.G. Derks, B.A. Spliet, Het mijnenveld van de internationale arbeidsverhouding II, AR 2006, p. 43–44. Zie ook A.L. Vytopil, Art. 6 BBA en internationale arbeidsverhoudingen: over ‘brain circulation’ en de ‘Nederlandse arbeidsmarkt’, TRA 2010, p. 11–15, die op p. 12 en 13 diverse factoren noemt die door feitenrechters worden gehanteerd ter bepaling van de vraag of art. 6 BBA op een internationale arbeidsovereenkomst van toepassing is.
Beroepschrift 23‑07‑2010
CASSATIEDAGVAARDING
Heden, de drieëntwintigste juli tweeduizendtien, ten verzoeke van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NUON PERSONEELSBEHEER B.V., statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te (1096 BA) Amsterdam aan de Spaklerweg 20, te dezer zake domicille kiezende te (2517 AM) 's‑Gravenhage aan de Laan van Meerdervoort 48, ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. H.H.M. Meijroos, die door mijn rekwirante wordt aangewezen om haar als zodanig te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure;
Heb ik,
[Mr Stovan Loeve, als toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaaroer werkzaam ten kantore van Erick van Mastrigt. gerechtsdeurwaarder met plaats van vestiging Leiden, kantoorthoudende aldaar aan de Schipholwg 101 D;]
de heer [gerekwireerde], zonder bekende woon- of verblijfplaats, die in de vorige Instantie laatstelijk domicilie heeft gekozen te (2715 CA) Zoetermeer aan het Bredewater 12, ten kantore van zijn advocaat mr. P.A. Schmidt;
l.a
exploot gedaan conform art. 63 lid 1 Rv., aan het hiervoor genoemde domicilie, sprekende met en afschrift dezes ten behoeve van gerekwestreerde latende aan:
[ENZ.]
l.b
alsmede, nu de gerekwireerde een onbekende woon- en verblijfplaats in Nederland heeft en ook zijn woon- en verblijfplaats buiten Nederland onbekend is, in verband met artikel 54 lid 2 Rv., mijn exploot doende aan het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en afschrift dezes latende aan:
[Mevrouw A.C. Toet — Klein Rensink, aldaar werkzaam]
terwijl een uittreksel van het exploot binnenkort bekend zal worden gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waar de Hoge Raad der Nederlanden zitting houdt onder vermelding van naam en kantooradres van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden die door rekwirante is aangewezen om haar als zodanig te vertegenwoordigen in onderhavige cassatieprocedure, bij welke advocaat afschrift van het exploot kan worden verkregen;
2.
aangezegd dat Nuon Personeelsbeheer B.v. (‘Nuon’) beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het Gerechtshof (‘Hof’) te Amsterdam, zesde meervoudige burgerlijke kamer, gewezen onder zaaknummer 200.019.526/01 tussen Nuon als appellante en de heer [gerekwireerde] (‘[gerekwireerde]’) als geïntimeerde gewezen en ter rolle van 27 april 2010 uitgesproken;
3.
gedagvaard om op vrijdag negenentwintig oktober 2010 des voormiddags om 10.00 uur niet in persoon maar vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen op de zitting van de Hoge Raad der Nederlanden in diens gebouw aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage;
4.
met aanzegging dat indien [gerekwireerde] niet op de hiervoor genoemde of op een door de Hoge Raad nader te bepalen roldatum, op de onder 3. bepaalde wijze in het geding verschijnt, de Hoge Raad tegen hem verstek zal verlenen;
5.
om alsdan tegen voormeld arrest te horen aanvoeren het hierna geformuleerde cassatiemiddel;
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt — in het bijzonder van de artikelen artikel 6, 9 BBA, artikel 121 Gw, artikel 5 Wet RO en artikel 230 Rv -, doordat het Hof heeft overwogen en beslist als in het hier als ingelast en herhaald te beschouwen arrest waarvan beroep is vermeld, meer In het bijzonder de rechtsoverwegingen 5.11, 5.12 en 5.13, en op die gronden heeft rechtgedaan als in het dictum van dat arrest van 27 april 2010, zaaknummer 200.019.526/01 is omschreven (welk dictum als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd), ten onrechte zulks om één of meer van de navolgende, waar nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen.
1. Relevante feiten en omstandigheden
[gerekwireerde] is per 30 juni 2005 bij Nuon in dienst getreden als senior credit officer. Tussen partijen is een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een tussentijds opzegbeding overeengekomen. Bij brief van 28 juli 2006 heeft Nuon de arbeidsovereenkomst met [gerekwireerde] — zonder vooraf verkregen toestemming van het toenmalige CWI — opgezegd tegen 1 oktober 2006.
[gerekwireerde] heeft vervolgens tijdig een beroep op de vernietigbaarheid van de opzegging ex artikel 6 jö 9 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (‘BBA’) gedaan wegens het ontbreken van toestemming van het UWV WERKbedrijf (destijds CWI) om tot opzegging van de arbeidsovereenkomst over te mogen gaan. Bij beschikking van 11 december 2006 ontbond de kantonrechter Amsterdam — op verzoek van Nuon — de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk met ingang van 1 januari 2007 onder toekenning van een (voorwaardelijke) vergoeding van € 75.000 bruto aan [gerekwireerde].
De kantonrechter bepaalde in de beschikking d.d. 11 december 2006 dat Nuon pas gehouden is de vergoeding aan [gerekwireerde] te betalen ‘als bij enige onherroepelijk geworden andere rechtelijke beslissing is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft bestaan op de dag dat onderhavige beschikking is gegeven’ (verwezen wordt naar punt III van het dictum van de beschikking).
Bij dagvaarding van 31 mei 2007 verzocht Nuon de kantonrechter Amsterdam om te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2006 op een rechtsgeldige wijze door opzegging zijdens Nuon is geëindigd. Bij vonnis van 22 augustus 2008, gewezen onder rolnummer 18081/07, wordt Nuon door de kantonrechter in het ongelijk gesteld.
Bij appèldagvaarding van 19 november 2008 wordt aan de hand van 13 grieven door Nuon het standpunt ingenomen dat het vonnis in eerste aanleg dient te worden vernietigd (en verzocht zij alsnog om een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op een rechtsgeldige wijze door opzegging zijdens Nuon is geëindigd). Bij arrest van 27 april 2010 — waarvan thans cassatieberoep is ingesteld — gewezen onder zaaknummer 200.019.526/01, bekrachtigt het Hof het vonnis in eerste aanleg.
2. Het arrest van 27 april 2010 (zaaknummer 200.019.526/01)
Het Hof overweegt in r.o. 5.10 dat de in de appèldagvaarding verwoorde grieven 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 9 neerkomen op een nadere onderbouwing van de algemene stelling van Nuon dat het BBA in het onderhavige geval niet van toepassing is omdat er geen sprake van is dat het ontslag van [gerekwireerde] de Nederlandse belangen raakt of dat [gerekwireerde] zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Vervolgens oordeelt het Hof in r.o. 5.11 dat ‘voor zover het BBA mede de bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt ten doel had, dat doel inmiddels verregaande relativering verdient’. Het Hof is in r.o. 5.11 bovendien van mening dat Veeleer moet worden aangenomen dat thans het BBA een aan de werknemer toekomende vorm van bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag biedt, en dat dat doel de nadruk verdient’.
Vervolgens oordeelt het Hof in r.o. 5.12 dat ‘uitgaande van een veranderende opvatting over het doel en de functie van het BBA valt (…) niet in te zien waarom de uit het BBA voortvloeiende bescherming tegen een ongerechtvaardigd ontslag aan een werknemer als [gerekwireerde] onthouden zou moeten worden’. Het komt er kort gezegd op neer dat het Hof volledig voorbij gaat aan alle door Nuon in de appèldagvaarding gestelde feiten en omstandigheden (door het Hof samengevat In r.o. 5.4) waaruit volgens haar blijkt dat op grond van de reikwljdteregel van het BBA voor de opzegging van de arbeidsrelatie tussen Nuon en [gerekwireerde] geen toestemming nodig was. Het Hof oordeelt dus simpelweg dat de in het BBA ‘ingebakken’ reikwijdteregel niet (meer) van belang is voor de beantwoording van de vraag of het BBA wel of niet van toepassing is althans dat dit vergaande relativering verdient waardoor volgens het Hof niet kan worden ingezien dat de uit het BBA voortvloeiende bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag een werknemer als [gerekwireerde] — gelet op de in r.o. 5.12 genoemde omstandigheden — zou moeten worden onthouden.
Het Hof oordeelt bovendien in r.o. 5.13 dat — indachtig het in r.o. 5.11 en 5.12 overwogene — volledig voorbij kan worden gegaan aan het sub 119 en 120 van de appèldagvaarding omschreven bewijsaanbod van Nuon. Het bewijsaanbod zag onder andere op het leveren van bewijs dat Nuon er ten tijde van het ontslag gerechtvaardigd vanuit mocht gaan dat het ontslag van [gerekwireerde] geen sociale en/of economische implicaties zou hebben omdat er destijds naar objectieve maatstaven vanuit mocht worden gegaan dat [gerekwireerde] niet zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het Hof oordeelt in 5.13 dat ‘dit element in de gegeven omstandigheden niet doorslaggevend Is’ en dat gelet daarop het bewijsaanbod ‘als niet ter zake dienend’ moet worden gepasseerd.
Nuon begrijpt het oordeel van het Hof in r.o. 5.11 en r.o. 5.12 als volgt. Voorheen diende het BBA een tweeledig doel; naast de bescherming van werknemers tegen ongerechtvaardigd ontslag diende het BBA tevens ter bescherming van sociaal-economische belangen in Nederland en met name ter bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt. Qerhalve diende destijds te worden onderzocht in hoeverre het ontslag van een werknemer (sociaal-economische) gevolgen had althans gevolgen had voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Als het ontslag geen (sociaal-economische) gevolgen had voor de Nederlandse arbeidsmarkt was het BBA en dus het in artikel 6 daarvan omschreven toestemmingsvereiste — niet van toepassing (ongeacht welk recht op de arbeidsovereenkomst van toepassing is). Het Hof is thans gelet op r.o. 5.11 en 5.12 van mening dat het BBA niet (meer) strekt tot bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt althans dat dit doel vergaande relativering verdient waardoor als gevolg van deze veranderde opvatting over het doel en de functie van het BBA niet valt in te zien waarom de uit het BBA voortvloeiende bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag aan een werknemer als [gerekwireerde] In verband met de door het Hof in r.o. 5.12 genoemde omstandigheden onthouden zou moeten worden.
Nuon is van mening dat de door het Hof in rechtsoverwegingen 5.11, 5.12 (en voortgezet in 5.13) vervatte oordelen de toets in cassatie niet kunnen doorstaan omdat het Hof het recht heeft geschonden en/of essentiële vormen (waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt) heeft verzuimd. Het komt er op neer dat Nuon van mening is dat het Hof het recht enerzijds (gelet op de omstandigheden van het geval) onjuist interpreteert c.q. toepast door ervan uit te gaan dat de vorenbedoelde reikwijdteregel niet meer geldt, althans dat deze regel dermate aan belang heeft ingeboet dat op grond daarvan niet meer dient te worden bepaald of het BBA nu wel of niet van toepassing is terwijl anderzijds het Hof een volstrekt onvoldoende althans onbegrijpelijke motivering aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.
In ieder geval is rechtens onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het oordeel van het Hof voor zover het aldus moet worden begrepen dat gelet op de omstandigheden die het Hof in r.o. 5.12 noemt de naar het oordeel van het Hof in r.o. 5.11 beschreven verandering van opvatting over het doel en de functie van het BBA een werknemer als [gerekwireerde] aanspraak kan maken op de bescherming van het BBA.
Hieronder zal allereerst worden ingegaan op de schending van het recht waarna het verzuim van vormen wordt behandeld.
3. Schending van het recht
Nuon is van oordeel dat het Hof blijkt heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in r.o. 5.11 en 5.12 te oordelen dat het BBA niet meer strekt ter bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt althans dat dat doel inmiddels vergaande relativering verdient. Hierna zal Nuon ingaan op de toepasselijkheid van het BBA in internationale verhoudingen, de opvatting van de Hoge Raad over artikel 6 BBA, de wetshistorie en achtergrond van het BBA en de regulerende werking van het BBA.
3.1. De toepasselijkheid van het BBA in internationale verhoudingen
Op de vraag welk recht van toepassing is op een arbeidsovereenkomst met een internationaal karakter geeft de Rome I Verordening1. (‘Rome I’) een antwoord. In de conflictenrechtelijke regeling van Rome I staat de partijautonomie voorop.
Partijen kunnen op basis van artikel 3 Rome I in een overeenkomst een rechtskeuze uitbrengen. De rechtskeuze kan expliciet worden overeengekomen dan wel duidelijk uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval blijken. Wat betreft het arbeidsrecht wordt de rechtskeuzevrijheid van partijen door een aantal bepalingen van Rome I beperkt. Algemeen geldt ingevolge artikel 3 lid 3 Rome I dat indien alle op het tijdstip van de keuze bestaande aanknopingspunten zich in een andere staat bevinden dan de staat waarvan het recht is gekozen, slechts sprake is van een materieelrechtelijke rechtskeuze, dat wil zeggen het gekozen recht laat onverlet de toepassing van de bepalingen van het recht van de andere staat waarvan bij overeenkomst niet mag worden afgeweken. De vrijheid om het toepasselijke recht te kiezen wordt tevens door voorrangsregels ex artikel 9 Rome I beperkt. Voorrangsregels zijn bepalingen met een semi-publiekrechtelijk karakter die in de privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen partijen ingrijpen. Deze regels kunnen op een overeenkomst van toepassing zijn, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst. De rechtskeuzevrijheid wordt vervolgens nog beperkt door artikel 8 lid 1 Rome I. Ingevolge dit artikel mag de werknemer niet de bescherming verliezen van de bepalingen waarvan niet bij een overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze op de arbeidsovereenkomst van toepassing is.
In deze kwestie zijn de voorrangsregels van belang. Deze regels zijn op een overeenkomst van toepassing ongeacht het toepasselijke recht. In tegenstelling tot de regeling onder het EVO bevat Rome I in artikel 9 lid 1 een definitie van het begrip voorrangsregel.
Deze definitie2.is ontleend aan de rechtspraak van het Hof van Jusititie EG uit het arrest Arblade3.. Blijkens de parlementaire geschiedenis is hier dus aansluiting gezocht bij de definitie van het Hof van Justitie uit het arrest Arblade. Het gaat hierbij om ‘bepalingen aan de inachtneming waarvan zoveel belang wordt gehecht voor de handhaving van de politieke, sociale of economische organisatie van de betrokken lidstaat, dat zij moet worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst.’ Over het algemeen wordt aangenomen dat de Arbeidsomstandighedenwet, De Arbeidstijdenwet, de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag en de bepalingen uit het BBA 1945 als voorrangsregels moeten worden beschouwd. Dat betekent dat deze regels ongeacht het recht dat overeenkomstig Rome I van toepassing is op de overeenkomst dienen te worden toegepast indien de handhaving van de politieke, sociale of economische organisatie van Nederland daarbij betrokken is.
Voorrangsregels onttrekken zich — in de woorden van Strikwerda — aan de heerschappij van de gewone verwijzingsregel en zij zijn dus niet afhankelijk van het recht dat door een gewone verwijzingsregel is aangewezen.4. Zo kan het dus zijn dat (bijvoorbeeld) Duits recht op een arbeidsverhouding van toepassing is, terwijl ook bepaalde Nederlandse rechtsregels (voorrangsregels) de arbeidsverhouding beheersen. Maar andersom is het ook mogelijk dat Nederlands recht de arbeidsovereenkomst beheerst, terwijl de voorrangsregels niet van toepassing zijn.
Voorrangsregels vormen dus een aparte groep. Het gaat om die voorschriften die in private rechtsverhoudingen ingrijpen, niet primair ter bescherming van private belangen, maar vooral ter bescherming van publiekrechtelijke belangen. Er wordt in dit verband ook wel over de zogenaamde ‘Eingriffsnormen’ of ‘règies d'application immédiate’ gesproken. Zo ook de Rechtbank Maastricht, die oordeelde dat artikel 7 (oud) EVO ‘alleen oog heeft op bepalingen van bijzonder dwingend karakter, die een staat (mede) in het algemeen belang heeft uitgevaardigd, en andere bepalingen van semi-publiekrechtelijke aard (…).’5.
De grens tussen dwingende en bijzonder dwingende bepalingen is in de praktijk vaak moeilijk te trekken. Naar de mening van Strikwerda en Vonken moet aan de hand van de aard en de strekking van een regel — beschermt deze regel een publiekrechtelijk belang? — worden bepaald of die van bijzonder dwingend recht is. Voor veel ‘dwingende bepalingen’ uit ons arbeidsrecht zal het niet zonder meer duidelijk zijn In hoeverre zij zijn aan te merken als ‘bijzonder dwingende bepalingen’.
Uit het bestreden arrest leidt Nuon af dat het Hof van mening is dat het BBA niet langer als voorrangsregel dient te worden aangemerkt omdat het semi-publiekrechtelijke karakter ervan, namelijk de bescherming/regulering van de arbeidsmarkt, niet meer — althans in onvoldoende mate — aanwezig is (bestaat). Gelet daarop zijn de uitspraken van de Hoge Raad in vergelijkbare kwesties van belang. In deze kwesties heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het BBA nog wel dient ter regulering en bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt en dat het BBA dient te worden gezien als voorrangsregel.
3.2. De Hoge Raad over artikel 6 BBA
De Hoge Raad heeft zich in het verleden meerdere malen moeten uitlaten of de artikelen 6 en 9 BBA op internationale arbeidsverhoudingen van toepassing zijn. In het Melchers-arrest6. deed de vraag zich voor of de werkgever over een ontslagvergunning diende te beschikken bij het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met zijn werknemer. De werknemer werkte in Azië en de arbeidsovereenkomst werd beheerst door Nederlands recht. In cassatie voerde de werknemer aan dat als Nederlands recht op een arbeidsovereenkomst van toepassing was, dan ook het BBA zou moeten gelden. De Hoge Raad verwierp deze stelling. Hij oordeelde dat indien de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt zijn betrokken bij een arbeidsverhouding die tot arbeid ‘buiten het Rijk in Europa’ verplicht, het BBA geldt als die belangen dat vereisen. Echter, de enkele omstandigheid dat een arbeidsovereenkomst door het Nederlandse recht wordt beheerst, heeft niet tot noodzakelijk gevolg dat deze belangen worden geraakt. Uit dit arrest volgt dus dat het BBA (impliciete) reikwijdteregels kent. Het BBA geldt, ondanks toepasselijkheid van het Nederlands recht, alleen als de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt zijn betrokken bij de arbeidsverhouding.
Dit beantwoordt de vraag echter nog niet of de regels als neergelegd in het BBA ook voorrangsregels zijn. Het Melchers-arrest maakt immers nog niet duidelijk of het BBA van toepassing kan zijn op een rechtsverhouding die is onderworpen aan vreemd recht. Hierover gaf de Hoge Raad uitsluitsel in het Mackay I-arrest.7. In dit arrest verrichtte de werknemer ten behoeve van zijn Amerikaanse werkgever vanaf 1955 zijn werkzaamheden hoofdzakelijk in Amsterdam, waar hij vanaf genoemd moment ook woonde. De werkgever zegde in 1967 de arbeidsovereenkomst op zonder hiervoor over een ontslagvergunning te beschikken. Naar de mening van de werkgever was die vergunning niet nodig, omdat de arbeidsverhouding onderworpen zou zijn aan het recht van de staat New York. Mackay stelde dat het ontslag nietig was met een beroep op het BBA. De rechtbank oordeelde in hoger beroep dat de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij het ontslag waren betrokken. Om die reden zou het BBA van toepassing zijn, waarbij het niet van belang was om vast te stellen welk recht de arbeidsverhouding beheerste. De Hoge Raad accordeerde deze beslissing in cassatie. Hij oordeelde dat artikel 6 BBA in het algemeen belang een voorschrift geeft ter regulering van de Nederlandse sociaal-economische verhoudingen en in het bijzonder de nationale arbeidsmarkt. De toepasselijkheid van het BBA vloeit voort uit dit oogmerk. Hierbij is het niet van belang of de arbeidsverhouding aan het recht van Nederland of aan dat van een ander land is onderworpen.
Uit dit arrest volgt dat de artikelen 6 en 9 BBA — althans vanuit de optiek van de Hoge Raad — gezien dienen te worden als voorrangsregels. Deze artikelen zijn daardoor van toepassing, ongeacht of de arbeidsrelatie wordt beheerst door Nederlands recht of vreemd recht, als maar aan de reikwijdtebepaling van het BBA, de betrokkenheid van de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt, is voldaan.
Het BBA is dus steeds van toepassing wanneer de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij het ontslag zijn betrokken. Maar wanneer is dat het geval? In de hiervoor genoemde arresten had de Hoge Raad nagenoeg geen handvatten gegeven voor de beantwoording van deze vraag. In drie nadien gewezen arresten schept de Hoge Raad (iets) meer duidelijkheid.
In het arrest PRC/Kampman8. verrichtte de in Nigeria werkende werknemer op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor zijn Nederlandse werkgever. Deze werkgever zegde de arbeidsovereenkomst op zonder over een ontsiagvergunning te beschikken. De werknemer achtte deze opzegging nietig en beriep zich op artikel 6 BBA. De vraag was vervolgens of de sociaal-economische belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij het ontslag waren betrokken. De rechtbank stelde vast dat
- (i)
de arbeidsovereenkomst was onderworpen aan het Nederlandse recht,
- (ii)
het ontslag had geleid tot een beroep van de werknemer op de WW,
- (iii)
de werknemer op de Nederlandse arbeidsmarkt was verschenen,
- (iv)
de arbeidsovereenkomst nauw was verbonden met Nederland en de verplichting voor de werkgever bevatte om de werknemer bij terugkeer in Nederland een passende functie in binnen- of buitenland aan te bieden en
- (v)
de werknemer zijn woning in Nederland steeds had aangehouden.
Hieruit concludeerde de rechtbank dat bij het ontslag de sociaal-economische belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt waren betrokken. In cassatie stemde de Hoge Raad hiermee in.
De betrokkenheid van de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt kwam ook aan de orde in Sorensen/Aramco.9. De werknemer bezat de Amerikaanse nationaliteit en was vanaf 1972 werkzaam voor de werkgever. Hij had sinds die tijd in verschillende landen gewerkt, in de laatste periode vanaf 1978 in Nederland. Hij behoorde tot de kleine groep van ‘US dollar pay roll employees’. De werknemer viel volgens de werkgever niet onder de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving, maar wel in een gunstig Nederlands belastingtarief. Hij had in Nederland geen onroerend goed. Zijn arbeidsovereenkomst werd beheerst door het recht van Texas. Op het moment dat hij zijn werkzaamheden aanving in Nederland, gaf hij aan zich in de toekomst mogelijk te zullen richten op ‘petroleum engineering’, maar alleen als dat in de Verenigde Staten zou kunnen. In 1983 zegde de werkgever de arbeidsovereenkomst op zonder hiervoor over een ontslagvergunning te beschikken. De werknemer vocht dit ontslag aan met een beroep op artikel 6 BBA.
De rechtbank overwoog in dat kader dat uit genoemde feiten en omstandigheden blijkt dat de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt niet bij het ontslag waren betrokken.
Het feit dat de werknemer achteraf wel in aanmerking kwam voor een Nederlandse WW-uitkering maakte dat niet anders, omdat ten tijde van het geven van ontslag volstrekt niet was te verwachten dat hij zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt. In cassatie werd dit oordeel van de rechtbank aangevochten. De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank bij de beoordeling of de Nederlandse arbeidsmarktbelangen bij het ontslag waren betrokken alle omstandigheden had betrokken en daarvan in het bijzonder had meegewogen enerzijds dat werkgever en werknemer Amerikaans zijn en dat de arbeidsovereenkomst in Amerika is gesloten, anderzijds dat de bedongen arbeid weliswaar in eerste instantie in Nederland, doch later ook elders zou kunnen worden verricht en zich niet op de Nederlandse markt richtte, terwijl bovendien een complex van voorwaarden — mogelijk gemaakt door een bijzondere overeenkomst door de werkgever en de Nederlandse overheid — ertoe strekte voor de werknemer een zoveel mogelijk met de Amerikaanse leefomstandigheden vergelijkbare situatie te creëren.
Daarnaast had de rechtbank meegewogen dat ten tijde van het ontslag volstrekt niet was te verwachten dat de werknemer zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt.
Op grond hiervan had de rechtbank volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat de sociaal-economische verhoudingen in Nederland en in het bijzonder de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt niet voldoende waren betrokken bij de arbeidsovereenkomst en dat de artikelen 6 en 9 BBA dus niet van toepassing waren.
Tot slot heeft de Hoge Raad zich in het arrest Sanchez/Iberia gebogen over de toepasselijkheid van het BBA op een internationale arbeidsovereenkomst.10. De werknemer was vanaf 1951 in dienst van de werkgever. Hij was in verschillende Europese landen werkzaam geweest, in de periode van 1975 tot 1983 in Nederland. In 1983 werd de werknemer op staande voet ontslagen. De werknemer riep de nietigheid van het ontslag in en beriep zich in dat kader op het BBA. De rechtbank overwoog dat artikel 6 BBA alleen dan van toepassing was als de sociaal-economische verhoudingen in Nederland in voldoende mate bij het geval zouden zijn betrokken. Daarvan was volgens de rechtbank echter geen sprake, omdat
- (1)
de arbeidsovereenkomst te Madrid door twee Spaanse partijen is gesloten,
- (2)
de werknemer een functie bekleedde, waarin alleen werknemers met een Spaanse nationaliteit werden benoemd,
- (3)
hij direct ondergeschikt is aan de in Spanje zetelende superieuren en door hen wordt geïnstrueerd, en
- (4)
ten tijde van de ontslagaanzegging niet te verwachten viel dat hij zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt.
Daarbij vond de rechtbank niet relevant dat de werknemer na zijn ontslag in Nederland is blijven wonen en een beroep heeft gedaan op de Nederlandse sociale voorzieningen.
In cassatie vond de Hoge Raad dit oordeel voldoende begrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Gelet op de hiervoor besproken arresten moet er van worden uitgegaan dat tot voor kort de reikwijdteregel van het BBA volgens de Hoge Raad nog wel van belang was bij beantwoording van de vraag of het BBA van toepassing was op een bepaalde arbeidsverhouding. Overigens is het standpunt van de Hoge Raad — dat het BBA een voorrangsregel is en dat bij de vraag of het BBA van toepassing is, moet worden onderzocht of de Nederlandse sociaal-economische belangen zijn betrokken — in de lagere jurisprudentie massaal gevolgd, waarbij een discussie over de juistheid van dit standpunt volgens Nuon nimmer heeft plaatsgevonden. In de lagere jurisprudentie werd — tot het bestreden arrest — slechts gedebatteerd over de feitelijke invulling, vooral van het begrip ‘terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt’. Discussie over de vraag of het BBA een eigen reikwijdte regel had, werd niet gevoerd. Gewezen wordt op de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 29 november 200611., waarin het Hof in r.o. 5 bevestigt dat ‘Het BBA (…) een eigen reikwijdte regel (heeft), ook wel aangeduid als scope rule (…). De toepasselijkheid van het BBA hangt af van de mate van betrokkenheid van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland en in het bijzonder de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij de aan de orde zijnde arbeidsovereenkomst in het ontslag.’ Het Hof bevestigt voorts dat het met name het ‘in artikel 6 van dat besluit gestelde vereiste zowel in het belang van de betrokken werknemer als van de Nederlandse arbeidsmarkt sociaal ongerechtvaardigd ontslag beoogt te voorkomen’.
Het Hof Amsterdam was eenzelfde mening toegedaan in zijn uitspraak van 7 augustus 2008.12. Het Hof overweegt in r.o. 4.13 van deze uitspraak dat: ‘het antwoord op de vraag naar de toepasselijkheid van het BBA wordt bepaald door het antwoord op de vraag of geïntimeerde tengevolge van het hem gegeven ontslag terugviel op de Nederlandse arbeidsmarkt, zodat daardoor de sociaal-economische belangen van de Nederlandse markt bij de arbeidsverhouding waren betrokken’. Vermeldenswaardig is tevens de uitspraak van de Voorzieningenrechter Amsterdam van 24 december 2009.13. Het betrof een werknemer die sinds 1 december 2007 als Junior Trader in dienst was van werkgever. Bij brief van 30 november 2009 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2010. De werknemer heeft de vernietigbaarheid van deze opzegging ingeroepen omdat er geen toestemming voor opzegging was verkregen van het UWV WERKbedrijf. De werknemer vordert in kort geding doorbetaling van salaris. De kantonrechter — als voorzieningenrechter — overweegt dat de kernvraag is of er tussen partijen sprake is van een arbeidsverhouding zoals omschreven in artikel 1 onder d jö 6 lid 1 BBA, waarop het BBA van toepassing is en ten aanzien waarvan geen rechtsgeldige opzegging kan plaatsvinden zonder toestemming van het UWV WERKbedrijf. Criterium daarbij is — volgens de voorzieningenrechter — of de sociaal-economische verhoudingen in Nederland en in het bijzonder de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt betrokken zijn bij de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend.
Tot slot is een uitspraak van de Raad van Bestuur van de Centrale Organisatie Werk en Inkomen van 29 december 2006 van belang14.. In deze kwestie verweerde de werknemer zich tegen een ingediende toestemmingsaanvraag door te stellen dat het toenmalige CWI niet bevoegd was om kennis te nemen van de ontslagaanvraag en geen rechtsmacht had omdat de werknemer in Duitsland woont en de werkgever het verzoek om toestemming op grond van EG-verordening nummer 44/2001 voor de Duitse rechter had moeten brengen. Het CWI oordeelt dat de omstandigheid dat de werknemer in Duitsland woonachtig is niet afdoet aan de toepasselijkheid van het BBA. Voorts wordt opgemerkt dat ‘de artikelen 6 en 9 van het BBA 1945 voorrangsregels (zijn) in de zin van het EG-verbintenissenverdrag (in het algemeen aangeduid als EVO) van 19 juni 1980. Het betreft immers regels die in de private rechtsverhouding ingrijpen, niet primair of uitsluitend ter bescherming van private belangen, maar mede ook ter bescherming van publiekrechtelijke belangen. De status van voorrangsregels brengt met zich mee dat het BBA 1945 van toepassing is, en dat deze toepasselijkheid prevaleert’.
Het is — gelet op deze uitspraken — daarom des te opmerkelijker dat het Hof in r.o. 5.11 van het bestreden arrest van 27 april 2010, tot de conclusie komt dat het beschermingsreguleringsdoel van het BBA ‘inmiddels verregaande relativering verdient’ en dat ‘moet worden aangenomen dat thans het BBA een aan de werknemer toekomende vorm van bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag biedt, en dat dat doel de nadruk verdient’, om vervolgens in r.o. 5.12 te oordelen dat uitgaande van deze veranderde opvatting over het doel en functie van het BBA niet valt in te zien waarom (op grond van de in r.o. 5.12 genoemde feiten en omstandigheden) de uit het BBA voortvloeiende bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag aan een werknemer als [gerekwireerde] zou moeten worden onthouden.
Hierna zal worden betoogd dat het reguleringsdoel nog immer van belang is. Allereerst zal daarbij worden ingegaan op de wetshistorie en de achtergrond van het BBA waarna de reguleringsachtergrond van artikel 6 BBA zal worden besproken.
3.3. Wetshistorie en achtergrond van het BBA
Het huidige BBA is kort na de Tweede Wereldoorlog15. bij Koninklijk Besluit als Grondwet vastgesteld, toen het grondwettelijke wetgevingsapparaat nog niet functioneerde.
Parlementaire controle op de totstandkoming heeft ontbroken. De Raad van State is wel geraadpleegd, zodat het besluit formeel juist tot stand is gekomen. Het BBA was destijds een noodmaatregel van de Kroon om de Nederlandse economie weer op gang te krijgen.
Overigens hebben alle wijzigingen van het BBA na 1945 wel bij formele wet plaatsgevonden. Als gevolg van het ontbreken van de parlementaire besluitvorming zijn er geen kamerstukken die voor de toelichting en interpretatie van het BBA kunnen worden geraadpleegd. De reikwijdte van het BBA is in de loop der jaren dan ook voornamelijk bepaald door de rechtspraak.
Naarmate de economie zich na de Tweede Wereldoorlog herstelde, ontwikkelde de preventieve ontslagtoets zich meer en meer tot een redelijkheidstoets. Krachtens het arrest van de Hoge Raad d.d. 16 november 2001 strekt artikel 6 BBA ertoe — in het belang van zowel de betrokken werknemer als de Nederlandse arbeidsmarkt — sociaal ongerechtvaardigd ontslag te voorkomen.16. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), sedert 1 Januari 2009 belast met de uitvoering van de ontslagtaak ex artikel 6 BBA17., moet toetsen of het verzoek van een werkgever om de arbeidsverhouding met (een van) zijn werknemer(s) op te mogen zeggen, redelijk is.
Reeds decennia lang staat het wijzigen, vervangen of afschaffen van het BBA ter discussie. Dit was ook het geval bij de wijzigingen van het BBA in het kader van de Wet Flexibiliteit en zekerheid, welke op 1 januari 1999 in werking is getreden. Het laatste woord over de wenselijkheid van het handhaven van het BBA lijkt nog steeds niet gezegd. Op 29 april 2005 heeft het kabinet maatregelen gepresenteerd die moeten zorgen voor een aanzienlijke versoepeling van de ontslagpraktijk en meer dynamiek op de arbeidsmarkt. Op het terrein van het ontslagrecht is een aantal beleidsvoornemens inmiddels in regelgeving omgezet. Het betreft onder meer:
- —
een wijziging van het Ontslagbesluit op diverse onderdelen, waaronder de wijziging van artikel 4:1 (achterwege blijven toetsing bedrijfseconomische redenen door UWV, ingeval bij een collectief ontslag een verklaring van de belanghebbende vakbonden wordt overgelegd) en artikel 4:2 (verplicht stellen van het afspiegellngsbeginsel als selectiecriterium bij bedrijfseconomisch ontslag) per 1 maart 2006.
- —
een beperking van de verwijtbaarheidstoets in de WW per 1 oktober 2006 waardoor pro-formaprocedures bij kantonrechter en UWV (procedures ter veiligstelling van de WW-uitkering) moeten worden voorkomen. Dit moet leiden tot een versoepeling van de ontslagpraktijk en een aanzienlijke vermindering van ontslagkosten voor werkgevers. Eén en ander vergde een aanpassing van artikel 24 Werkloosheidswet.
Overigens heeft de minister van SZW de in het wetsvoorstel WW en Ontslagrecht (TK 30 370 en TK 30 109) opgenomen mogelijkheid voor sociale partners om bij cao eigen ontslagcriteria overeen te komen, begin 2006 ingetrokken (TK 30 370, nr. 8).
Als gevolg van deze maatregelen (met name de beperking van de verwijtbaarheidstoets in de WW), de aangetrokken conjunctuur en de krapte op de arbeidsmarkt daalde het aantal ontslagprocedures ex artikel 6 BBA van 48.610 in 2006 naar 28.386 in 2008 en daalde het aantal ontbindingsprocedures ex artikel 7:685 BW van 54.213 in 2006 naar 23.556 in 2008. De huidige financiële crisis leidde er echter toe dat het aantal ontslagprocedures ex artikel 6 BBA in 2009 steeg naar 60.064 en het aantal ontbindingsprocedures ex artikel 7:685 BW naar 29.854.
Over de voorstellen heeft het kabinet advies gevraagd aan de Stichting van de Arbeid.
Deze heeft op 30 augustus 2007 een verdeeld advies uitgebracht. De sedertdien gevoerde discussie over de beoogde modernisering van het ontslagrecht bracht het kabinet eind november 2007 ertoe het voorstel in te trekken en een commissie van deskundigen in te stellen met de opdracht het kabinet vóór 1 juni 2008 te adviseren over de vraag welke maatregelen nodig zijn om de arbeidsparticipatie in Nederland structureel te verhogen naar 80% in 2016. Deze Commissie Arbeidsparticipatie, ook wel ‘Commissie Bakker’ genoemd, presenteerde op 16 juni 2008 haar rapport, met korte- en (middel) lange-termijnadviezen, uitgesplitst in drie sporen. Het door de Commissie voorgestelde stelsel is erop gericht inactiviteit na ontslag te vermijden waardoor volgens de Commissie ontslag en ontslagrecht op termijn sterk aan betekenis zullen inboeten. Voor zover partijen over het ontslag geen overeenstemming bereiken, kan dat ontslag op initiatief van de werknemer bij de rechter worden getoetst, aldus de Commissie. Deze toets achteraf impliceert feitelijk het verval van de preventieve toets bij zowel UWV als de kantonrechter. Uit de kabinetsreactie op het rapport valt af te leiden dat er nog geen concrete voornemens zijn om op korte termijn het ontslagrecht te herzien.
3.4. De regulerende werking van Artikel 6 BBA
Het BBA draagt naar het oordeel van NUON nog steeds een sociaaleconomisch element in zich. A-G Eggens geeft dit treffend aan in zijn conclusie bij het reeds eerder aangehaalde arrest Melchers18., waar hij het karakter en de strekking van het BBA beschrijft:
‘En met de aanduiding van dit karakter en van deze strekking meen ik — in het onderhavige verband — te mogen volstaan met deze aan te geven als: dienende ter bescherming van de Nederlandse — primair openbare en secundair private — sociaal-economische belangen met betrekking tot de — Nederlandse — arbeidsmarkt in de door de oorlog veroorzaakte buitengewone omstandigheden.’
Naast A-G Eggens in zijn conclusie bij het Melchers-arrest, overwoog de Hoge Raad eensluidend in onder andere het arrest Sanchez/Iberia dat in 1991 verscheen. De Hoge Raad (en A-G Strikwerda) oordeelde in dit arrest — zakelijk weergegeven — dat het BBA er tevens toe strekte de Nederlandse arbeidsmarkt te beschermen althans te reguleren. Ook in het recentere (2001) arrest Holtrop/Smith oordeelde de Hoge Raad dat artikel 6 BBA ertoe strekt ‘in het belang van zowel de betrokken werknemer als van de Nederlandse arbeidsmarkt sociaal ongerechtvaardigd ontslag te voorkomen (…)’.19.
Hoewel het in die kwestie niet ging om de vraag of het BBA van toepassing was in een internationale verhouding maar over een wederindiensttredingsvoorwaarde, doet dat natuurlijk niet af aan het standpunt van de Hoge Raad over de beschermings/reguleringsfunctie van het BBA en specifiek van artikel 6 BBA20.. De adviescommissie Duaal ontslagrecht21. oordeelt in zijn rapport22. dat voorstanders van handhaving van het duaal stelsel van ontslagrecht — waarvan artikel 6 BBA de kern is — benadrukken dat het duale ontslagstelsel ‘ (…)ook een instrument (is) om de arbeidsmarkt te sturen’23.. Deze opvatting werd bevestigd door C.E.M. van den Boom24. die onder meer van mening is dat artikel 6 BBA ‘(…)ook gebruikt wordt om aanverwante gebieden van overheidsbeleid, zoals antidiscriminatiebeleid, gehandicaptenbeleid e.d., te bewaken’. J.J. de Laat gaf tijdens het symposium dat het Hugo Sinzheimer Instituut organiseerde ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de ontslagvergunning25. aan: ‘die preventieve ontslagtoets is een belangrijk overheidsinstrument om de zwakke groepen op de arbeidsmarkt tegen sociaal onrechtvaardig ontslag te beschermen’.
Dat er ook thans nog van moet worden uitgegaan dat het BBA mede de bescherming en regulering van de arbeidsmarkt als doel heeft blijkt onder andere uit een recent artikel van A.L. Vytopil26.. Vytopil gaat in op de toegenomen arbeidsmigratie en vraagt zich af hoe dat veranderde beeld van internationale arbeidsverhoudingen zich verhoudt tot de in de rechtspraak besproken criteria over de toepasselijkheid van artikel 6 BBA. Vytopil onderscheidt 3 werknemerscategorieën, te weten
- 1)
de ‘Nederlandse’ werknemers,
- 2)
buitenlandse werknemers,
- 3)
internationale werknemers (‘transmigranten’).
Vytopil signaleert vervolgens dat afhankelijk van bijvoorbeeld economische factoren en veranderingen in de privé-omstandigheden, de intenties van een werknemer en een werkgever kunnen veranderen. Een werknemer kan bij komst naar Nederland, als internationale of buitenlandse werknemer betiteld kunnen worden, maar een ‘Nederlandse’ werknemer kunnen worden doordat hij besluit alsnog voor langere periode in Nederland te settelen. Zij verwijst daarbij naar Mackay I waarin — zakelijk weergegeven — werd gezegd dat Mackay na 10 jaar in Nederland te hebben gewerkt, niet langer een internationale werknemer maar een Nederlandse werknemer was geworden.
Deze transitiemogelijkheid sluit volgens Vytopil ook aan bij de overweging van de Hoge Raad in het Mackay II-arrest, dat het op de arbeidsverhouding toepasselijke recht mettertijd kan veranderen, omdat de omstandigheden aan de hand waarvan het toepasselijke recht wordt bepaald, nu eenmaal kunnen wijzigen.
Volgens Vytopil dient de categorie ‘Nederlandse’ werknemers omschreven te worden als werknemers die voornemens zijn om lange termijn (dus ook na ontslag) in Nederland te blijven dan wel daarnaar terug te keren. Werknemers zouden als ‘buitenlands’ gekwalificeerd moeten worden als het aannemelijk is dat zij na hun ontslag terugkeren naar een land waar zij werkzaam waren voor hun komst naar Nederland. Deze categorie werknemers onderscheidt zich van de categorie internationale werknemers doordat deze laatste categorie in wezen niet gebonden is aan één land. Die werknemers kunnen de Nederlandse of een andere nationaliteit hebben en hebben veelal reeds eerder buiten Nederland gestudeerd, gewoond of gewerkt.
Vervolgens is Vytopil van mening dat voor de ‘Nederlandse’ werknemers en de buitenlandse werknemers het criterium van de Nederlandse arbeidsmarkt nog steeds relevant is. Die werknemers zullen immers terugvallen op een bepaalde nationale arbeidsmarkt. Op de eerste categorie — de ‘Nederlandse’ werknemers zou het BBA dan wel van toepassing moeten zijn en voor de categorie buitenlandse werknemers niet. Voor de derde categorie — de groep transmigranten — is de vraag op welke arbeidsmarkt zij terugvallen niet relevant. Voor hen is de arbeidsmarkt immers niet beperkt tot één land.
Ten aanzien van hen is het criterium van de ‘Nederlandse arbeidsmarkt’ niet relevant.
Vytopil oordeelt dat bij de groep transmigranten afweging van de vooral in lagere jurisprudentie naar voren geschoven criteria om te bepalen of het BBA van toepassing is, überhaupt niet hoeft plaats te vinden. Voor de categorie ‘Nederlandse’ werknemers en de categorie buitenlandse werknemers geldt dit wel waarbij Vytopil aangeeft dat buitenlandse werknemers niet op de Nederlandse arbeidsmarkt zullen terugvallen. De reguleringsfunctie als uitvloeisel van de bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt, lijkt daarmee nog steeds een gegeven te zijn.
Ook Van Drongelen27. is van mening dat het BBA nog steeds (mede) de bescherming/regulering van de arbeidsmarkt als doel heeft. Van Drongelen gaat in op de in artikel 3:1 van het Ontslagbesluit genoemde algemene toetsingsmaatstaf waarmee wordt beoogd een sociaal onrechtvaardig ontslag te voorkomen. Eerst wordt getoetst aan de redelijkheid met de daaraan gekoppelde afweging van belangen en mogelijkheden van de betrokken werkgever en werknemer. Daarnaast kunnen — volgens Van Drongelen — andere belangen bij de afweging een rol spelen, zoals het arbeidsmarktbelang waaronder het zogenoemde ‘volumebeleid’. Met het volumebeleid wordt bedoeld een beleid dat er op is gericht om het beroep op sociale zekerheidsuitkeringen te beperken. Deze andere belangen kunnen volgens Van Drongelen echter alleen een rol spelen in het kader van een aantal in het ontslagbesluit opgenomen voorschriften.
Van Drongelen laat hiermee op een zeer concrete wijze zien waaruit het beschermende karakter van het BBA onder andere bestaat. Door het volumebeleid dat onderdeel uitmaakt van de in artikel 3.1 Ontslagbesluit bedoelde redelijkheidstoets, worden de sociale en economische gevolgen van een ontslag gereguleerd. Dit standpunt wordt bevestigd door A.A.J. Kouwenhoven en J. Meijer28.. Zij geven aan dat — onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 november 200129. — artikel 6 BBA ertoe strekt in het belang van zowel de betrokken werknemer als van de Nederlandse arbeidsmarkt, sociaal ongerechtvaardigd ontslag te voorkomen. Het UWV — sinds 1 januari 2009 belast met de uitvoering van de wettelijke ontslagtaak — toetst derhalve of het verzoek van de werkgever om de arbeidsverhouding op te mogen zeggen, redelijk is. Deze toetsingsmaatstaf — neergelegd in artikel 3:1 Ontslagbesluit — is nader uitgewerkt in paragrafen 4 tot en met 6 van dat besluit.
Voordat op de beschermende aard van de toetsingsmaatstaf zoals neergelegd in het Ontslagbesluit wordt ingegaan zal het beschermende aspect van het preventieve karakter worden besproken.
3. 5 Het preventieve karakter van artikel 6 BBA
De ontslagtoets van artikel 6 BBA is een preventieve ontslagtoets. De toets voorkomt dat werknemers kunnen worden ontslagen zonder daartoe schriftelijk door het UWV Werkbedrijf verleende toestemming. Zonder de vooraf verleende toestemming (uitzonderingssituaties daargelaten) is het ontslag immers aantastbaar op grond van artikel 9 BBA mits het beroep op de vernietigbaarheid tijdig heeft plaatsgevonden.
Gevolg van een tijdig beroep is dat de arbeidsovereenkomst niet door de opzeghandeling is geëindigd. Door het loutere feit dat rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst pas kan plaatsvinden als toestemming is verleend wordt de arbeidsmarkt beschermd. Toestemming kan immers ook worden onthouden waardoor de arbeidsovereenkomst niet door opzegging kan eindigen. Daardoor komt de werknemer niet — dan wel vertraagd- op de arbeidsmarkt. Overigens is het onjuist dat werknemers op wie het BBA — om wat voor reden dan ook — niet van toepassing is, niet beschermd zijn tegen ongerechtvaardigd ontslag. Gewezen op de in artikel 7:681 en 7:682 BW genoemde kennelijk onredelijk ontslag procedure. Een werknemer waarvan de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van het UWV WERKbedrijf is opgezegd kan in een kennelijk onredelijke ontslagprocedure schadevergoeding maar ook herstel van de arbeidsovereenkomst vorderen. Hetzelfde geldt voor de opzegverboden, ook deze gelden in het geval een arbeidsovereenkomst zonder toestemming van het UWV WERKbedrijf is opgezegd.
Ook als de toestemming wel wordt verstrekt wordt de arbeidsmarkt beschermd.
Toestemming wordt namelijk pas verleend indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden zijn zodanig gesteld dat bepaalde groepen werknemers extra worden beschermd. De werkgever dient voor die specifieke groepen extra inspanningen te verrichten waardoor opzegging niet mogelijk is of waardoor opzegging pas (aanzienlijk) later kan plaatsvinden. Hierdoor wordt de arbeidsmarkt beschermd. De instroom van bepaalde groepen — zwakkere — werknemers wordt daardoor beperkt.
3.6. De toetsingsmaatstaf van artikel 6 BBA
Artikel 6 lid 3 BBA bepaalt dat bij ministeriële regeling regels met betrekking tot de toestemming worden gesteld. Deze ministeriële regeling is het Ontslagbesluit. Artikel 3:1 van het Ontslagbesluit bepaalt dat moet worden beoordeeld ‘of het voorgenomen ontslag redelijk is’.
Het UWV ‘neemt daarbij in aanmerking de mogelijkheden en belangen van de betrokken werkgever en werknemer, en andere belangen voor zover de navolgende regels dit inhouden’. Deze algemene toetsingsmaatstaf wordt vervolgens in het Ontslagbesluit uitgewerkt in drie verschillende categorieën, te weten ‘Ontslag wegens bedrijfseconomische redenen’ (paragraaf 4), ‘Ontslag wegens andere dan bedrijfseconomische redenen’ en ‘Bijzondere groepen’ (paragraaf 6).
In de paragrafen 4 tot en met 6 van het Ontslagbesluit zijn de voorwaarden opgenomen waaraan het toestemmingsverzoek van de werkgever moet voldoen wil toestemming worden verleend. Hierbij wordt trouwens opgemerkt dat pas een beslissing op het verzoek om toestemming wordt genomen nadat — op grond van artikel 6 lid 4 BBA de Ontslagadviescommissie is gehoord.
Paragraaf 4 van het Ontslagbesluit ziet op een verzoek om toestemming vanwege bedrijfseconomische gronden. Belangrijke constatering is dat toestemming niet zomaar wordt verstrekt. Pas als aan de stringente voorwaarden is voldaan kan — indien het UWV dat redelijk acht — de toestemming worden verleend. De stringente voorwaarden zijn — kort samengevat — de plicht van de werkgever om de redenen van bedrijfseconomische aard aannemelijk te maken (artikel 4:1 lid 1), de boventallige werknemers te selecteren aan de hand van het afspiegelingsbeginsel (artikel 4:2) en herplaatsing te onderzoeken (dit vloeit niet zo direct voort uit het Ontslagbesluit maar wel uit de wetsgeschiedenis30.).
Verder geldt volgens artikel 4:4 Ontslagbesluit een verscherpte toets voor arbeidsgehandicapten en kan het UWV — indien zij de toestemming verleent — de voorwaarde aan de toestemming verbinden dat — kort gezegd — de werkgever binnen 26 weken na de bekendmaking van de toestemming geen werknemer in dienst mag nemen dan nadat hij de ontslagen werknemer voor dezelfde werkzaamheden in aanmerking heeft laten komen.
In paragraaf 5 van het Ontslagbesluit zijn voorwaarden gesteld aan verlening van het verzoek om andere dan bedrijfseconomische gronden. Ook in dit geval betreft het een stringente toetst waar de werkgever aan moet voldoen wil het UWV overgaan tot verlening van de toestemming. Pas als aan alle voorwaarden is voldaan kan toestemming wordt verleend. Van belang is de constatering dat bepaalde zwakke groepen in de samenleving extra worden beschermd. Artikel 5:1 lid 1 Ontslagbesluit bepaalt bijvoorbeeld dat als een werkgever aanvoert dat een werknemer in onvoldoende mate aan de gestelde functie-eisen voldoet toestemming pas kan worden verleend indien de werkgever de ongeschiktheid (onder andere) aannemelijk heeft gemaakt en heeft vastgesteld dat deze ongeschiktheid niet voortvloeit uit ziekte of gebreken. Een ander voorbeeld hiervan is opgenomen in artikel 5:2 onder a Ontslagbesluit. Een werkgever die toestemming verzoekt om tot opzegging van de arbeidsovereenkomst over te mogen gaan met een werknemer die door ziekte of gebreken niet meer in staat is aan de gestelde functie-eisen te voldoen wordt slechts verleend als de werkgever (onder andere) aannemelijk maakt dat herstel binnen 26 weken niet zal optreden. Ook in het geval van gewetensbezwaren (artikel 5:1 lid 2 Ontslagbesluit) en in verband met arbeidsomstandigheden (artikel 5:1 lid 1 onder d Ontslagbesluit) worden bijzondere voorwaarden gesteld aan het verkrijgen van de toestemming.
Paragraaf 6 van het Ontslagbesluit betreft de situatie waarbij de werkgever een aanvraag tot het verlenen van toestemming heeft ingediend om tot opzegging van de arbeidsverhouding met een werknemer die optreedt (of heeft opgetreden) als vertegenwoordiger van pré-akkoorden als bedoeld in artikel 13 van de Europese Richtlijn EU 94/45 over te mogen gaan. Toestemming kan pas worden verleend indien aannemelijk wordt gemaakt dat het voorgenomen ontslag geen verband houdt met de activiteiten. Hetzelfde is van toepassing op een werknemer die activiteiten verricht of minder dan twee jaar heeft verricht ten behoeve van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging.
Tot slot wordt gewezen op artikel 7:1 Ontslagbesluit. Het UWV dient bij de toepassing van de artikelen 4:1 tot en met 5:2 Ontslagbesluit extra aandacht te besteden aan het tegengaan van discriminatie. Kortom: ook al is aan de voorwaarden voldaan, als sprake is van discriminatie wordt verlening van de toestemming niet redelijk geacht en dus onthouden.
De preventieve ontslagtoets — artikel 6 BBA, uitgewerkt in het Ontslagbesluit en de Beleidsregels — geeft de werkgever weliswaar de mogelijkheid om op meerdere gronden toestemming te verzoeken maar de toestemming zal alleen verleend worden als verlening redelijk is. Deze redelijkheid wordt onder andere ingekleurd door de gestelde voorwaarden. Deze voorwaarden kennen — zeker in combinatie met het preventieve karakter van de toets — een regulerend karakter. Immers, door voorwaarden te stellen aan ontslag van arbeidsongeschikte werknemers wordt de instroom in de Ziektewet, Wet Inkomen en Arbeid, WAJONG etc. gereguleerd31.. Door het stellen van voorwaarden aan de selectie van boventalligen wordt de instroom van werklozen in de Werkloosheidswet, IOAW en IOW (maar ook de Wet werk en bijstand) gereguleerd.
Door het afspiegelingsbeginsel — het beginsel dat verplicht moet worden toegepast bij de selectie van boventallige werknemers bij bedrijfseconomisch ontslag — wordt enerzijds de leeftijdsopbouw — min of meer — binnen de bedrijfsvestiging zoveel mogelijk behouden maar wordt anderzijds de uitstroom naar de arbeidsmarkt en/of de sociale zekerheid gereguleerd. Tot 1 maart 2006 gold overigens het anciënniteitbeginsel (en bij meer dan 10 ontslagen de mogelijkheid om het oude afspiegelingsbeginsel toe te passen). Per 1 maart 2006 geldt alleen het (nieuwe) afspiegelingsbeginsel32.. Door deze wijziging (van het anciënniteitsbeginsel naar het nieuwe afspiegelingsbeginsel) werd de instroom naar de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid overigens ook beïnvloed. Dit blijkt onder andere uit de Kamerstukken33. waarin de Motie-Verburg is weergegeven. De directe aanleiding voor deze motie was de constatering dat de toepassing van het anciënniteitsbeginsel ertoe leidde dat de tijdens jaren van hoogconjunctuur in dienst genomen zwakke arbeidsmarktgroepen, zoals jongeren, herintredende vrouwen, arbeidsgehandicapten en dergelijke, het eerst worden ontslagen op het moment dat het economische tij verslechterde.
Door overheidsinstanties was veel tijd en geld in de bemiddeling van deze groepen werknemers gestoken. Voorts werd vastgesteld34. dat een anticiperende en dynamische arbeidsmarkt niet gebaat is bij de instroom (door het ontslag) van voornoemde arbeidsmarktgroepen. Het kabinetsstandpunt35. — waarin de aanpassing van het Ontslagbesluit wordt opgenomen — wordt gecombineerd met een uitvoerig relaas over de aanpassing van (onder andere) de Werkloosheidswet waarin de wijziging van het Ontslagbesluit wordt gekoppeld aan het volumebeleid inzake de WW.
Recent heeft minister Donner het afspiegelingsbeginsel aangepast. Minister Donner heeft per 1 augustus 2010 het Ontslagbesluit gewijzigd36. in die zin dat het in artikel 4:2 lid 4 Ontslagbesluit opgenomen ‘onmisbaarheidscriterium’ tijdelijk — want vooralsnog tot 1 september 2011 — is verruimd zodat het voor werkgevers — in deze tijden van economische crisis — eenvoudiger zou moeten zijn om bij een bedrijfseconomisch ontslag vakkrachten te behouden. Uit de toelichting37. blijkt dat de minister er vanuit ging dat gezien het karakter van de regeling hij verwachtte dat deze voornamelijk door MKB-bedrijven zou worden gebruikt en de maatregel sluit direct aan bij het getroffen Besluit Deeltijd WW tot behoud van vakkrachten om ontslag te voorkomen.
Het verbod op arbeidstijdverkorting zoals omschreven in artikel 8 BBA heeft in de afgelopen decennia meerdere malen geleid tot bijzondere ontheffingsregelingen.
Gewezen wordt op de situatie rondom de Golfoorlog, Mond-en klauwzeer, de nasleep van de aanslagen in New York op 11 september 2001, Vogelpest, SARS en de oorlog in Irak.
Tot slot is de huidige economische crisis van belang. Sinds december 2008 was het mogelijk om werktijdverkorting aan te vragen om een adempauze te scheppen na de inzet van de crisis. De bijzondere WTV-regeling is per 21 maart 2009 vervallen.
Inmiddels zijn al meerdere deeltijd WW-regelingen — regelingen die zijn gebaseerd op een ontheffing van de werktijdverkorting — in werking getreden en uit recente cijfers blijkt dat daar circa 70.000 werknemers gebruik van hebben kunnen maken. Sturing van de arbeidsmarkt door de inzet van een ontheffing van het verbod op werktijdverkorting is evident. Ontslag van werknemers is daardoor verminderd en in sommige individuele gevallen voorkomen. Opgemerkt wordt dat de regeling met betrekking tot Deeltijd WW ontslag kort na beëindiging van de werktijdverkorting zelfs financieel extra sanctioneert omdat werkgevers dan een deel van de aan de werknemers betaalde WW-uitkering dient terug te betalen. Ultieme beïnvloeding van de arbeidsmarkt blijkt voorts uit het feit dat de regeling met betrekking tot de Deeltijd WW is verlengd tot 30 juni 201138. om op deze manier de sectoren die pas later met de gevolgen van de crisis geconfronteerd zijn toch tegemoet te komen. Daarbij wordt met name aan de bouw en de metaalindustrie gedacht.
Kortom: de in artikel 6 BBA opgenomen en in het Ontslagbesluit verder uitgewerkte toets heeft — naast dat deze de betrokken werknemer rechtsbescherming biedt — een sterk regulerend karakter.
Door in de voorwaarden tot verkrijging van de toestemming om een arbeidsverhouding op te mogen zeggen bepaalde keuzes te maken wordt de instroom op de arbeidsmarkt en in de sociale zekerheid gestuurd. Bepaalde groepen worden beter beschermd tegen ontslag (arbeidsongeschikten, ouderen, jongeren etc) waardoor de instroom op de arbeidsmarkt en in sociale zekerheid van personen uit deze groep minder omvangrijk is.
Door het verlenen van ontheffing op het in artikel 8 BBA omschreven verbod op arbeidstijdverkorting wordt ontslag in vele gevallen voorkomen, althans dat is de bedoeling, waardoor vakkrachten voor de werkgever worden behouden. Naast dit directe regulerende aspect van het BBA reguleert het BBA ook indirect.
Artikel 6 lid 7 BBA bepaalt dat het UWV de minister verslag dient uit te brengen over de wijze waarop de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming is uitgeoefend. In artikel 6 lid 8 BBA wordt hier verder op ingegaan. Desgevraagd dient het UWV binnen de gestelde termijn kosteloos alle opgaven te verstrekken betreffende de wijze waarop de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming is uitgeoefend. De toestemmingsaanvragen die op grond van artikel 6 BBA worden ingediend, leveren veel relevante arbeidsmarktinformatie op. Gedetailleerde arbeidsmarktinformatie naar beroep, opleiding, sector en regio wordt door de overheid ingezet teneinde een beter beeld te verkrijgen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Deze gegevens worden door de overheid, de stichting van de arbeid, het UWV WERKbedrijf, Inspectie Werk en Inkomen etc. gebruikt om maatregelen te treffen ter regulering van de arbeidsmarkt.
Een voorbeeld daarvan is onder andere de inzet van mobiliteitscentra in het kader van de huidige crisis. Vaak betreft het daarbij overigens een publiek-private samenwerking.
Een voorbeeld hiervan is opgenomen op de website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid:
‘Een groot bedrijf (2.000 werknemers) is genoodzaakt 200 werknemers te ontslaan. Via het UWV wordt een aanvraag ingediend voor bedrijfseconomisch ontslag voor de geselecteerde werknemers. Na de binnenkomst van de ontslagvergunning is er contact tussen het UWV en het bedrijf. Het UWV bespreekt met de werkgever de afspraken in het sociaal plan en de activiteiten vanuit het mobiliteitscentrum. De 200 werknemers worden opgenomen in het bestand van het UWV en krijgen via het mobiliteitscentrum vacatures doorgespeeld.
Het mobiliteitscentrum legt contact met werkgevers in dezelfde sector die vacatures hebben. Het bedrijf heeft in zijn sociaal plan opgenomen dat met ontslag bedreigde werknemers bovenop de reguliere opzegtermijn nog een half jaar zoektijd krijgen voordat ontslag, daadwerkelijk plaatsvindt. Daarnaast is een bedrag van € 50.000,- gereserveerd voor de begeleiding van de werknemers. Het bedrijf zet met deze middelen een uitzendbureau in om outplacement te realiseren.
Het outplacementbureau participeert ook in het mobiliteitscentrum. Na afloop van de zoektermijn en de opzegtermijn blijkt dat er 150 werknemers aan een nieuwe baan zijn geholpen. Voor 50 werknemers dit niet gelukt. Voor de ontslagen werknemers ontstaat een recht op WW. Het contract met het uitzendbureau wordt aangehouden.
Het uitzendbureau helpt de werkzoekenden bij het zoeken naar vacatures en bij het schrijven van sollicitatiebrieven.’
Op deze wijze wordt met gegevens verkregen uit de toestemmingsaanvraag zoals ingediend op grond van artikel 6 BBA zeer relevante gegevens verkregen die rechtstreeks worden ingezet bij de regulering van de arbeidsmarkt. Indien de preventieve ontslagtoets zoals opgenomen In het BBA niet zou bestaan, kon niet over deze relevante gegevens worden beschikt.
Kortom, Nuon is op voornoemde gronden van mening dat het Hof in het bestreden arrest het recht heeft geschonden. Daarbij is Nuon van mening dat de verwijzing van het Hof in r.o. 5.11 naar het artikel van Even en Van Kampen39. inhoudelijk niet afdoet aan haar standpunt dat het BBA mede dient ter bescherming/regulering van de Nederlandse arbeidsmarkt. Even en Van Kampen vragen zich in het artikel af of het BBA nog wel als een ‘bijzonder dwingende bepaling’ ex artikel 7 (oud) EVO (thans artikel 9, Rome I) moet worden gezien en twijfelen of het BBA inmiddels niet als een ‘dwingende bepaling’ op grond van artikel 6 (oud) EVO (thans artikel 3 lid 3 Rome I) zou moeten worden aangemerkt. Daarbij verwijzen zij naar een artikel van Van Maanen40. uit 1981 waarin Van Maanen — kort gezegd — aangeeft van mening te zijn dat ‘het BBA teruggebracht dient te worden onder de werking van de verwijzingsregel, zodat het steeds, maar tevens slechts toepasselijk zal zijn wanneer de verwijzingsregel naar Nederlands recht verwijst’. Even en Van Kampen geven aan wel wat voor het standpunt van Van Maanen te voelen en geven daarvoor drie argumenten. In de eerste plaats — zo zijn Even en Van Kampen van mening — is het achterhaald om in een uitbreidende Europese Unie met vrij verkeer van werknemers nog te spreken over de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt. Ten tweede wijzen zij op een door de Europese Commissie gepubliceerd voorstel voor een verordening met betrekking tot het op arbeidsverhoudingen binnen de gemeenschap toe te passen conflictenrecht dat een opsomming bevat van voorschriften die als dwingende bepaling hebben te gelden. Hieronder vallen volgens het voorstel ook voorschriften inzake het vereiste van een voorafgaande vergunning van de overheidsinstanties voor de beëindiging van de arbeidsverhouding, voor zover deze regeling dient om werkloosheid te voorkomen. Tot slot wijzen Even en Van Kampen op de sterke toename van het aantal ontbindingsprocedures ex artikel 7:685 BW en zij vragen zich af of het wel realistisch is de ontslagbescherming van het BBA nog te beschouwen als een middel ter regulering van de sociaal-economische verhouding in Nederland en de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt in het bijzonder, nu massaal beëindiging via de kantonrechter wordt gekozen.
Het door Even en Van Kampen naar voren geschoven argument dat het achterhaald is om te spreken over de belangen van Nederlandse arbeidsmarkt gelet op de Europese Unie met een vrij verkeer van werknemers is uitvoerig door Vytopil ter zijde geschoven. Even en Van Kampen gaan er ten onrechte van uit dat de arbeidsmarkten van de verschillende lidstaten moeten worden samengevoegd.
Dit is natuurlijk niet wat zich in de praktijk voordoet, noch is dit beoogd met het vrij verkeer van personen binnen de EU-lidstaten. Opgemerkt wordt dat iedere lidstaat afzonderlijk — en zeker nu — een actief nationaal arbeidsmarktbeleid voert, waarbij de belangen van de arbeidsmarkt van de desbetreffende lidstaat de boventoon voeren.
Bovendien gaat dit argument er kennelijk van uit dat er geen arbeidsverhoudingen bestaan met werknemers waarbij de EU als Verenigde Staten van Europa noch een afzonderlijk lidstaat betrokken is. Vytopil zag kennelijk in dat de door Even van Van Kampen gesignaleerde ontwikkeling aan de beschermingsfunctie (van de Nederlandse arbeidsmarkt) niets af doet. Wel zag Vytopil een verandering in de soort werknemers en deelde werknemers daarom in drie categorieën in. Verwezen wordt naar onderdeel 3.4 van deze dagvaarding waarin uitvoerig is stilgestaan bij het standpunt van Vytopil.
Het tweede door Even en Van Kampen naar voren geschoven argument is eigenlijk een drogreden. Het door hen aangehaalde voorstel heeft het namelijk nimmer gehaald (het voorstel is ingetrokken bij de totstandkoming van het EVO)41. waardoor het plausibeler is om er van uit te gaan dat de Europese Commissie het belangrijker heeft gevonden om regelgeving — zoals het BBA- aan te merken als een voorrangsregel ex artikel 7 EVO dan om deze regels als dwingende bepalingen ex artikel 6 EVO aan te merken.42. Het derde door Even en Van Kampen aangevoerde argument — ontleend aan het standpunt van Scholtens43. — komt NUON evenmin juist voor. Het argument gaat er van uit dat het BBA eigenlijk geen rol van betekenis meer speelt als het gaat om de beëindiging van arbeidsovereenkomsten omdat een significant deel van de beëindigingen plaats vindt via de in artikel 7:685 BW omschreven ontbindingsprocedure. Dit argument snijdt volgens NUON onvoldoende hout. Ten eerste valt de massale omweg via de kantonrechter — waar Even en Van Kampen over spreken — wel mee. Zeker in deze tijd van economische crisis is het aantal toestemmingsaanvragen weer fors gestegen en het aantal ontbindingsverzoeken gedaald. Ten tweede moet er van uit worden gegaan dat de toets van artikel 6 BBA (ingekleurd door het Ontslagbesluit) reflexwerking heeft in de ontbindingsprocedure. Deze reflexwerking leidt ertoe dat een kantonrechter in principe gehouden is aan de in het Ontslagbesluit omschreven voorwaarden. Op deze wijze komt de beschermende/regulerende functie van het BBA alsnog — zij het via een zijdeur — naar voren.
A.
van Leeuwen44. neemt de BBA-procedure kritisch onder de loep in zijn bijdrage aan het Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk van maart 2010. De kern van zijn verhaal komt er op neer dat de Hoge Raad er in zijn jurisprudentie weliswaar van uit gaat dat het algemene belang in de BBA-procedure meespeelt maar dat dit niet blijkt uit de regels zoals omschreven in het Ontslagbesluit. In het Ontslagbesluit is vastgelegd met welke belangen in de BBA-procedure rekening moeten worden gehouden, namelijk ‘de belangen van de betrokken werkgever en werknemer, en andere belangen voor zover de navolgende regels dit inhouden’.
Volgens Van Leeuwen wordt in het Ontslagbesluit evenwel geen melding gemaakt van arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbelangen en hij is dan ook van mening dat, uitgaande van de tekst van artikel 3:1 van het Ontslagbesluit, die belangen kennelijk geen rol in het kader van de in het Ontslagbesluit verder uitgewerkt ontslaggronden spelen. Nuon is van mening dat Van Leeuwen bij dit oordeel er ten onrechte aan voorbij gaat dat uit de preventieve ontslagtoets zelf al een beschermende werking uitgaat, die vervolgens nog wordt versterkt door de inkleding van de voorwaarden die aan het verlenen van toestemming worden gesteld. Niet ontkend kan toch worden dat door het loutere feit dat er een preventieve ontslagtoets bestaat de werknemer maar ook de arbeidsmarkt wordt beschermd tegen ongerechtvaardigd ontslag. Bij afwezigheid van een preventieve ontslagtoets moet er immers van uit worden gegaan dat een werkgever er eerder toe zal overgaan om de werknemers te ontslaan. Nu dient een werkgever zich te bedenken alvorens hij tot het indienen van een toestemmingsverzoek overgaat. De toestemming kan namelijk ook worden onthouden, hetgeen op zichzelf al een beschermend aspect in zich heeft. Daarnaast zal zonder een preventieve ontslagtoets worden overgegaan tot het ontslag van de zwakkere werknemers, zoals arbeidsongeschikten, arbeidsgehandicapten, zwangere vrouwen, ouderen, jongeren allochtonen, etc. Kortom, door het stellen van bepaalde voorwaarden worden bepaalde groepen beschermd.
Hierdoor wordt de arbeidsmarkt eveneens beschermd omdat deze groepen minder snel dan wel helemaal niet, als werkzoekende op de arbeidsmarkt zullen verschijnen. Voorts wordt nog gewezen op de inleiding bij hoofdstuk 7 van de Beleidsregels Ontslagtaak UWV, dat voortbouwt op artikel 4:1 Ontslagbesluit. Daarin wordt wel weer teruggekomen op het algemeen belang: ‘niet alleen het ondernemingsbelang, maar ook het arbeidsmarktbelang en het werkgelegenheidsbelang kunnen hierbij in beeld komen’.
4. VERZUIM VAN VORMEN
Nuon is daarenboven van oordeel dat het bestreden arrest van het Hof niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen immers mee dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
In concreto ziet de motiveringsklacht op het oordeel van het hof in r.o. 5.11 en 5.12 (en in het verlengde daarvan r.o. 5.13). Het Hof motiveert zijn standpunt dat ‘voor zover het BBA mede de bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt ten doel had, dat doel inmiddels verregaande relativering verdient’ niet. De loutere verwijzing naar het artikel van Even en Van Kampen in ArA 2004/1 en naar het toegenomen belang van de Europese Unie en het vrij verkeer van werknemers daarbinnen is volstrekt ontoereikend om als deugdelijke motivering te dienen. Belangrijk daarbij is de constatering dat het oordeel van het Hof in het bestreden arrest nieuw is en daarom had het in de rede gelegen dat het Hof zijn beslissing op een juiste en correcte wijze zou motiveren temeer nu het Hof dit oordeel gebruikt om door Nuon naar voren gebracht en in haar optiek essentiële feiten en omstandigheden (door het Hof zelf samengevat in r.o. 5.4) niet te betrekking in haar oordeelsvorming omdat deze volgens het Hof (r.o. 5.12) ‘in het onderhavige geval geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend’.
De motivering roept meer vragen op dan dat zij beantwoordt: op grond waarvan komt het Hof tot het oordeel dat het een achterhaald idee is dat het BBA de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt beschermt/reguleert? Het Hof oordeelt dat de bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt als doel van het BBA relativering verdient. In welke mate dient dit doel te worden gerelativeerd? Bestaat deze functie van het BBA nog wel of is deze functie volledig verdwenen? Sinds wanneer en door welke omstandigheden, maatschappelijke ontwikkelingen moet tot de conclusie worden gekomen dat het beschermingsdoel dermate in belang is afgenomen dat de daarop gebaseerde reikwijdte regel/voorrangsregel (geheel) is komen te vervallen? Waarop baseert het Hof zich als zij oordeelt dat ‘thans het BBA een aan de werknemer toekomende vorm van bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag biedt, en dat dat doel de nadruk verdient’ (r.o. 5.11)?
Daarenboven is Nuon van mening dat — los van het motiveringsgebrek van het in r.o. 5.11 en r.o. 5.12 verwoorde standpunt van het Hof inzake de veranderde opvatting over het doel en de functie van het BBA — dat het oordeel van het Hof — zoals omschreven in r.o. 5.12 — dat op grond van de in r.o. 5.12 genoemde feiten en omstandigheden in dit geval ‘geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend aan de omstandigheid dat Nuon (…) ervan mocht uitgaan dat [gerekwireerde] na de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst niet in Nederland zou blijven maar zou terugkeren naar de Verenigde Staten, en dus niet zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt’ niet althans onbegrijpelijk althans niet inzichtelijk is gemotiveerd. Het Hof motiveert niet althans onbegrijpelijk althans niet inzichtelijk waarom de door Nuon — in punt 10 tot en met 30 en 58 tot en met 66 van de appèldagvaarding d.d. 19 november 2008 en in punt 26 tot en met 45 uit de schriftelijke pleitnota zijdens Nuon d.d. 31 oktober 2009 — onder de aandacht gebrachte omstandigheden — die door het Hof in r.o. 5.4 zijn samengevat — er — uitgaande van een veranderde opvatting over het doel en functie van het BBA in dit geval niet toe leidt dat het BBA niet van toepassing is.
Mitsdien;
Op grond van dit middel te horen concluderen dat het de Hoge Raad moge behagen het bestreden arrest met het zaaknummer 200.019.526/01 gewezen en uitgesproken op 27 april 2010 te vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, ook ten aanzien van de kosten.
De kosten dezes zijn voor mij, deurwaarder, € 73,89.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑07‑2010
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europese Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Pb EU 2008, L177/6.
M. Zilinsky, Rome I en arbeidsovereenkomst, WPNR 2009/6824, p. 1031
HvJ EG 23 november 1999, C-369/96, Jur. 1999, P. 1-8453, NJ 2000/251
Conclusie A-G Strikwerda bij HR 18 januari 1991, NJ 1991, 296 (Sanchez Martinez).
Rechtbank Maastricht 14 januari 1999, JAR 2000/203.
HR 5 juni 1953, NJ 1953/613
HR 8 januari 1971, NJ 1971, 129.
HR 7 september 1984, NJ 1985, 104.
HR 23 oktober 1987, NJ 1988, 842.
HR 18 januari 1991, NJ 1991, 296.
Hof Leeuwarden 29 november 2006, JAR 2007/16
Hof Amsterdam 7 augustus 2008, RAR 2009/31
Voorzieningenrechter kanton Amsterdam 24 december 2009, JAR 2010/75
Raad van Bestuur van de Centrale Organisatie Werk en Inkomen, 29 december 2006, JA 2007/112
Een eerdere versie van het BBA is door opperbevelhebber van land- en zeemacht generaal H.G. Winkelman op 27 mei 1940 in het leven geroepen waardoor het BBA dit jaar zijn 14e lustrum viert.
HR 16 november 2001, ‘JAR’ 2001/258.
De Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) was in de periode 1 januari 2002 tot en met 31 december 2008 met, deze taak belast.
HR 5 juni 1953, NJ 1953/613.
HR 16 november 2001, JAR 2001/258
De Beleidsregels UWV Werkbedrijf bepalen in hoofdstuk 1 (‘Toepassingsbereik BBA’), dat als de Nederlandse arbeidsmarkt niet betrokken is bij het ontslag het BBA niet van toepassing is en opzegging zonder toestemming kan plaatsvinden.
Ingesteld bij besluit van 25 februari 1999/AV/RV/99/9583/directie arbeidsverhoudingen en voorgezeten door wijlen Prof. mr. M.G. Rood
Afscheid van het duale ontslagrecht, 2000
Afscheid van het duale ontslagrecht, pagina 40
HSI Cahier nr. 8, 50-Jaar Ontslagvergunning: en verder?, Handelingen van het MSI-Symposium van 19 januari 1995
J. van Drongelen, A.D.M. van Rijs, De ontslagpraktijk van de CWI, Deventer, Kluwer 2008, pagina 157; A.A.J. van Kouwenhoven, Van ontslagaanvraag naar ontslagbescherming bij CWI, arbeid integraal, 2007, 2 p.91–101
A.A.J. Kouwenhoven en J. Meijer, SDU Commentaar Arbeidsrecht, commentaar op Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 art. 6.
Zie noot 19.
Toelichting op Ontslagbesluit, Stcrt. 1998, 238.
Vgl. Van den Boorn, p. 850–852 en De Laat, p. 38
Regeling van de Minister van SZW van 6 december 2005, tot wijziging van het Ontslagbesluit, Stcrt. 13 december 2005, 242.
Kabinetsstandpunt werkloosheidswet en Ontslagrecht, Kamerstukken II 2004/05, 30109, nr. 1
Staatscourant 2009, 10981
Staatscourant 2010, nr. 4900, 30 maart 2010.
Z. Even en E. van Kampen, De arbeidsovereenkomst in internationaal privaatrechtelijke perspectief.Drie kernvragen voor de Nederlandse Jurist,Arbeidsrechtelijke Annotaties, 2004/1, p. 57
C.J.J. Van Maanen, Het BBA en het internationaal privaatrecht, WPNR, 7 november 1981, nr. 5584, p. 793 – 814.
Intrekking van de verschillende voorstellen en ontwerpen van de Commissie aan ed Raad, PB EG 24, 1981, nr. C 307, p.3.
Dit wordt nog eens bevestigd door de omstandigheid dat het toenmalige EVO-verdrag gedurende de 18-jarige looptijd hierop niet is aangepast en dat bij de opvolger Rome I per 17 december 2009, een dergelijke wijziging niet is doorgevoerd.
Mr. A. van Leeuwen, de BBA-procedure; de wet, her besluit en het beleid, tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk, maart 2010